Het leven van de Blauwvintonijn

Ik ben bezig met een onderzoek naar de vervuiling van de oceanen. Een onderdeel daarvan zijn de zogenaamde dead zones, gebieden waar eigenlijk geen leven meer mogelijk is. Ik wil graag weten wat de zeedieren hier zelf over te vertellen hebben en zoek contact met een Blauwvintonijn.

M: Dag Tonijn, ik zou graag met iemand van jullie willen spreken over jullie leefwijze.
T: Dag Eddy, ik ben beschikbaar voor een gesprek en zoals je ziet heb ik je even gelezen voor ik met je wilde praten. We komen niet veel mensen tegen die we vertrouwen en dat lijkt me wel van belang als we een goed gesprek willen hebben.
M: Dank je wel voor dit blijk van vertrouwen. Ik ben bezig een dossier te maken over vervuiling van de oceanen en welke consequenties dat allemaal heeft voor het leven in de oceanen. Zo ontdekte ik dat de zogenaamde dead zones juist voor jullie als tonijnen moeilijk zijn.
T: Ja, een groot probleem vormen deze vervuilde en bijna zuurstofloze zones wel nadrukkelijk voor ons. Wij als Tonijnen hebben veel zuurstof nodig door onze bouw en leefwijze. Wij zijn formeel wel koudbloedige vissen, maar we kunnen en moeten temperatuur vasthouden om te overleven. Wij hebben twee soorten spierstelsels, de binnenste en de buitenste. En met name onze binnenste spieren hebben veel meer warmte nodig dan de buitenste. Daarom hebben wij een speciale manier om warmte vast te houden. Maar door dit alles hebben we veel zuurstof nodig. Dat halen we uit het water, maar omdat we zoveel zuurstof nodig hebben, moeten we continue blijven zwemmen, er moet steeds water door onze kieuwen gaan om daar zuurstof uit te halen.
M: Dus jullie kunnen nooit slapen en moeten altijd zwemmen?
T: Ja, we moeten wel altijd zwemmen, maar we kunnen ook tijdens het zwemmen wel wat slapen. Er zijn meer beesten die dat kunnen in de oceaan, maar ook vogels in de lucht die nooit ophouden met vliegen.

Ja, we moeten wel altijd zwemmen, maar we kunnen ook tijdens het zwemmen wel wat slapen. Er zijn meer beesten die dat kunnen in de oceaan, maar ook vogels in de lucht die nooit ophouden met vliegen.

M: Terugkomend op de dead zones, daar kunnen jullie dus niet leven omdat er daar te weinig of geen zuurstof in het water zit. Klopt dat?
T: Dat is juist. We kunnen daar niet overleven vanwege dat we dan onvoldoende zuurstof krijgen, maar ook omdat er geen voedsel voor ons te vinden is. Want er leven nauwelijks andere vissen, wel kwallen, maar die eten we niet.
M: Vertel eens iets over jullie leefgewoonten en leefgebieden?
T: We leven vooral in de Atlantische Oceaan, aan beide zijden, dus aan de Europese zijde en aan de Amerikaanse zijde. We zijn niet erg plaatsgebonden en kunnen soms ook aan de andere kant van de oceaan verblijven, daartoe steken we de oceaan over. We leven als oudere vis solitair en als jonge vissen in scholen, zo kunnen we ons beter beschermen tegen roofvissen. We hebben geen vaste partners, maar komen in een bepaalde periode bij elkaar om te paaien. Er zijn twee plekken waar we dat doen, in de Middellandse zee en de ander plek is in de Golf van Mexico, maar die wordt ook steeds vuiler, terwijl de Middellandse zee langzaam schoner wordt, maar daar worden we weer sterk bejaagd. Zo heeft iedere kant van de oceaan wel wat.
M: Jullie kunnen erg snel zwemmen heb ik gehoord, wat is daarvan waar?
T: Ja, wij zijn snelle zwemmers. Op onze topsnelheid zwemmen we eigenlijk alle boten eruit, alleen kunnen we die topsnelheid niet lang volhouden, waardoor we daarna weer kwetsbaar zijn. Maar voor een vis zijn we buitengewoon snel. Dat is ook wel weer handig als er Orka’s in de buurt zijn, want die zijn onze echte vijanden voor de grote volwassen exemplaren van ons. Maar Orka’s jagen dan weer in groepen en dan is het voor ons erg moeilijk om te ontsnappen, ondanks dat we veel sneller zijn.
M: Hoe is het leven op zee voor jullie?
T: We hebben geen slecht leven, hoewel we wel met veel minder zijn dan vroeger. Mensen vinden ons blijkbaar erg lekker en jullie jagen op ons en dat is niet fijn. Het is moeilijk om een echte grote vis te worden omdat jullie al op onze kleintjes jagen en als die niet groot kunnen worden dan hebben we een probleem om te overleven.

Het is moeilijk om een echte grote vis te worden omdat jullie al op onze kleintjes jagen en als die niet groot kunnen worden dan hebben we een probleem om te overleven.

M: Dus jullie zouden blij zijn met beschermde gebieden?
T: Ja, als dat inhoud dat er niet gevist mag worden in die gebieden, dan is dat een heel goed idee. Zo kunnen onze jongen groot worden en zelf jongen krijgen en dan kan onze soort weer goed toenemen in aantal.
M: Dank je wel voor je antwoorden. Wil je nog iets kwijt?
T: Als je wat cijfers over ons wilt weten, moet je er maar even naar zoeken, dan begrijp je dat het wel nodig is dat er iets gebeurt, want zo gaat het niet echt goed met de oceanen.
M: Dank je wel.

Ik heb wat opgezocht, enerzijds om deze antwoorden te verifiëren en anderzijds om wat getallen te vinden. Blauwvintonijnen zijn interessante wezens. Bij Wikipedia vind ik het volgende:
‘De blauwvintonijn staat tegenwoordig te boek als bedreigd op de rode lijst van CITES. Sinds 1970 zijn de aantallen blauwvintonijn met 64% gekrompen. Ondanks de bedreigde status is de soort nog steeds in de handel verkrijgbaar.’
‘De blauwvintonijn zwemt normaal gesproken gemiddeld 13 kilometer per uur, hierbij worden de rode spieren gebruikt (de tonijn noemt dat zijn binnenste spieren/em). De blauwvintonijn moet constant zwemmen om voldoende zuurstof binnen te krijgen. Bij het jagen op prooidieren of het vluchten voor een vijand wordt het witte (buitenste/em) spierweefsel gebruikt en kan een snelheid van meer dan 40 km per uur worden bereikt. De blauwvintonijn is een van de snelste onderwaterdieren; de vis kan een topsnelheid behalen van 72,5 km per uur.’
210524

Wespen

De wespen zijn er vroeg bij dit jaar. Vermoedelijk komt het door hun hoeveelheid dat ze zich eerder binnen de menselijke ruimte begeven. En dat wordt niet altijd gewaardeerd. Ook ik heb aan boord van mijn schip te dealen met wespen. Ik vergeet nooit dat jaren geleden mijn zoon gierend van de lach binnenkwam. Zijn nieuwe vriendin zag buiten een schoteltje met ranja en wespen staan en het schoot er spontaan uit: “Is ze nou g…*#&%!?^…me! ook al de wéspen aan het voeren?!”

Ik moet eerlijk zeggen dat wespen en ik niet helemaal goed samengaan. Fysiek niet doordat ik heftig reageer op een steek en communicatief niet omdat we een andere grondhouding lijken te hebben. Maar dat neemt niet weg dat ik de wespen erg waardeer en ze graag in leven houdt. Maar ik waardeer het ook om buiten aan dek te zitten dus we hebben een modus gevonden: als ik buiten wil zitten zet ik altijd een schoteltje met ranja voor ze neer. Binnen een minuut zijn er wespen en mieren die volop komen bijtanken om later weer voldaan te vertrekken. Allemaal ons eigen territorium en iedereen happy.

Als ik met ze aan de babbel ga lijkt het of er eentje het woord neemt, wat wel vaker gebeurt met groepen dieren. Of het er inderdaad eentje is of dat ze zich gezamenlijk door één stem laten horen, weet ik niet.

“Tevreden zo?” vraag ik ze. “Ja, dit is makkelijk snacken.” Ik knik inwendig instemmend, trots op mijn kleine bijdrage aan het ecosysteem en de wereldvrede.

“Jullie lijken alle tijd te hebben,” observeer ik. “Ja, maar we hebben toch haast, we moeten de jongen voeden.” “Ik ben wel tevreden met mijn werkwijze. Zo kan ik rustig zitten.” “Goed plan. Want als je het niet had klaargezet waren we toch wel gaan zoeken bij je.” Precies, denk ik, vandaar de gecreëerde afstand.

“Zeg, ik zie dat jullie soms vechten met elkaar in de siroop…” “Dat is ander volk,” hoor ik brommend. Onverdraagzame dieren…

“Enne… als jullie steken… dan gaan jullie toch dood?” “Ja, maar we twijfelen niet om het wel te doen.” Ik herken uit vorige gesprekken met wespen de directheid, het wat haastige en knorrige en ik constateer weer dat ze anders gehumeurd zijn dan bijen. Die zijn veel gemoedelijker, waar wespen een veel korter lontje hebben. “We hoeven de mensen niet, maar de producten zijn welkom,” haken ze in op mijn gedachten.

Ik ben al wel weer een beetje uitgepraat met ze. Ik waardeer echt enorm wat ze allemaal doen in de natuur maar ik constateer dat ik niet met iedereen goede vrienden hoef te zijn. Leven en laten leven is ook hier het beste motto.

PS Als je op de foto klikt zie je het hele tafereeltje (ieder z’n humor… )

Bella is boos

Onze dochter is met haar gezin op vakantie gegaan en wij zijn voor een week de oppasser van haar poes Bella. Maar Bella heeft zich alleen de eerste dag laten zien en daarna is ze niet meer thuis geweest, heeft niet meer gegeten en we maken ons zorgen. Leeft ze nog wel? Ze is een oudere poes en dat is langzamerhand wel te merken. We hebben haar al vier dagen niet meer gezien en hebben alle telefoontjes gedaan zoals dierenarts bellen, asiel bellen, dierenambulance, enz. En Bella laat geen contact toe, als ik probeer met haar te praten, is er een grote leegte …
Tijdens een wandeling met onze hond in het bos, lukt het om contact te krijgen.

M: Dag Bella, we zijn ongerust, mijn lieve vrouw heeft er slapeloze nachten van en dat wil je vast niet. Kunnen we een afspraak maken? Als ik zo meteen langskom, wil je dan thuis zijn, dat ik je even kan zien, dat we weten dat je leeft en dat mijn lief weer ’s nachts kan slapen?
B: Ik ben verschrikkelijk boos. Niet op jou, maar op mijn gezin. Ze zijn met hun hele hebben en houden in de auto gestapt en hebben mij hier alleen achter gelaten en dat vind ik niet in orde.
M: Ze hebben je niet in de steek gelaten! Ze zijn twee weken met vakantie en hebben er voor gezorgd dat wij de eerste week op je kunnen passen en mijn broer de tweede week. Dus je bent helemaal niet in de steek gelaten.
B: Nou zo voelt het wel. Er is niemand en misschien staat er wel eten klaar, maar ik kan er niet bij, ik kan niet op het aanrecht springen omdat ik niet meer zo hoog kan springen en daar hebben ze het eten verstopt. Maar dacht ik, ik ben een grote poes, ben eigenlijk een wilde kat en ik kan heel goed voor mijzelf zorgen, dus dat ben ik gaan doen en ik ben niet van plan om voorlopig naar dat huis te komen.
M: Ik wil niet ontkennen dat je prima voor jezelf kunt zorgen, maar het is wel aangenaam als iemand voor jouw eten zorgt. En ze komen weer terug, ze zijn alleen even met vakantie.
B: Waarom heeft niemand mij dat verteld?
M: Tja, misschien zijn ze dat vergeten of zijn ze zich niet bewust geweest dat het belangrijk is voor jou om te weten dat ze maar twee weken weg zijn. Of heb je het niet goed begrepen wat ze gezegd hebben.
B: Dat is wel heel slordig, zo hoort het niet te gaan. Ik moet weten waar ze zijn en wanneer ze weer terug zijn. En ik ben nog steeds boos.
M: Dat begrijp ik, maar ik heb je nu uitgelegd hoe het zit, kun je dan je boosheid loslaten?
B: Nee nog niet, maar ik wil me wel aan jou laten zien als je straks komt. Maar dat mag je alleen aan je vrouw vertellen, zodat zij zich geen zorgen meer hoeft te maken. Maar niet aan mijn vrouwtje.
M: Dat lijkt me niet eerlijk. Ook jouw familie is ongerust en denken dat je misschien dood bent, en als ik jou straks zie, wil ik een foto maken en die deel ik wel met iedereen, want we zijn allemaal blij dat er niets met je aan de hand is en dat je gewoon nog leeft.
B: Nou tot straks dan maar.

En inderdaad, een kwartiertje later kom ik aan en Bella zit binnen voor de voordeur op me te wachten. We knuffelen even, wat afstandelijk want Bella wil alleen op haar kopje geaaid worden en op andere plaatsen niet, dat leidt altijd tot een haal met de nagels, dus daar pas ik wel voor op. Daarna loopt ze meteen naar de koelkast in de verwachting dat ze van mij enkele stukjes kaas krijgt. Maar er zit geen kaas in de koelkast, die is bijna leeg, en ik kan haar dus geen kaas geven. Gelukkig heeft mijn lief wel een blikje zalm poezenvoer meegenomen en daar geef ik haar wat van en dat eet ze gulzig op. Als ik daarna haar brokjes van het aanrecht op de grond zet, eet ze die ook op. Ze is duidelijk weer blij met haar eten. Zou ze toch een beetje te weinig voor haar zelf hebben kunnen zorgen?
’s Middags gaat mijn vrouw kijken en ze is er niet. Ze is teleurgesteld dat Bella zich aan haar niet laat zien.

De volgende dag heb ik weer een gesprek met Bella als ik met onze hond Kaila wandel.

M: Dag Bella, je was er gisterenmiddag niet toen mijn lief langs kwam om je te verzorgen. Wat is er?
B: Ik ben weer op pad, ik geniet wel van het eten dat jullie voor me neerzetten, maar ik geniet ook wel weer van het dagelijks op pad zijn. En ik ben niet weggebleven omdat ik op jullie boos ben. Dus dat moet je loslaten. Straks ben ik er ook niet, ik ben lekker de hort op en zie wel wanneer ik af en toe thuiskom om van mijn maaltijd te genieten.
M: Als je maar goed voor jezelf zorgt lieverd. Wil je nog iets zeggen?
B: Ja, laat je mijn vrouwtje weten dat ik het niet op prijs stel als ze zomaar ineens vertrekken? Ik wil tenminste vooraf weten wat er staat te gebeuren.
M: Dat zal ik doen.
220727/220728

“Jij zou ook tegen de muren opvliegen, hoor!”

“Hee Bell, zin in een praatje?”

“Dat is lang geleden. Ik dacht dat we dit niet meer deden.”

“Nee, klopt, maar ik moet weer een blog maken dus ik dacht aan jou.”

Bella is het katje dat bij ons aan boord woont. Vanaf het eerste moment was het helemaal leuk en goed. Wennen? Waaraan? Ruim een week daarvoor had ik getolkt tussen haar en het mens waarbij ze in huis woonde. Op een ruime bovenwoning maar voor Bella toch te klein. We waren het al snel met elkaar eens: Bella moest naar een boerderij of zo. Ergens waar een groot buitenterrein was. De boerderij werd niet gevonden maar wij hadden weer plaats voor een kat dus ze kon bij ons terecht.

Bella deed dus niet aan wennen: ze ging overal meteen op af met een heel open en nieuwsgierige houding. Ik had het plan haar een tijd binnen te houden maar na 1 dag liep ze al buiten, zelfs van de steiger af het land op. En ze kwam ook weer terug, alsof ze hier al jaren woonde.

“Vertel es, Bell, wat doe je allemaal buiten?”

Ze laat meteen zien hoe ze zowel rustig ontspannen als gefocust in het gras kan kijken als ze een geluidje hoort of iets ziet bewegen. Ze laat zien dat alle energie naar een punt in het midden bij haar gaat (omgeving van de buik/darmen) en dan ineens slaat ze toe en grijpt ze dat wat bewogen had.

“Soms neem je een muis of vogel mee naar huis.” “Ja, jullie mogen het zien. Maar het blijft van mij.” Ik moet grinniken want ze laat de hond er inderdaad volop aan ruiken en onderzoeken maar op een gegeven moment is het genoeg en dan begint ze het diertje op te eten.

“Hoe smaakt het?” wil ik weten en ik leg in mijn vraag ook het beeld hoe het nou is om alles op te eten: ogen, oren, staart. Alles.

“Zo diep denk ik niet. Ik eet het snel op. Dat is nog van vroeger: snel eten, dan is het maar binnen. Daarna uitbuiken.”

In beeld laat ik vogeltjes zien. Ik kan niet eens aan mijn vraag beginnen om de vogels met rust te laten als ik voer neergelegd heb want ze laat meteen enthousiast zien dat vogels vangen een uitdaging is.

“Hoe is het voor jou als wij weg zijn en het eten er niet op de vaste tijd is?” Geen paniek, laat ze weten. Ja, dat klopt wel: Bella is niet snel in paniek.

Twee dagen later ga ik verder met het gesprek. “Je stoort eigenlijk wel,” laat Bella weten. Ze is zich aan het focussen op iets buiten, maar ze wil wel even tijd maken. “Nou, wat heb je dan?” hoor ik. “O, ik wachtte tot jij iets liet zien maar je wacht kennelijk op mij. Ik ben wel heel benieuwd hoe je de andere katten in de buurt vindt. Ik weet niet hoeveel het er zijn, minstens vier en die zijn allemaal niet in een huis geboren en getogen.”

“Andere katten is opletten,” laat Bella weten. “Ik heb geen kwaaie zin maar ik ga de confrontatie ook niet aan. Ik blaas liever de aftocht. Ik heb geen zin in vechten.”

“Ik kan me niet herinneren dat ik jou ooit heb zien vechten of iets wat daar op lijkt. Ja, je hebt een keertje je pootje opgetild toen een hond iets te dichtbij kwam.”

Bella laat me voelen hoe haar basishouding is: uitermate vredelievend en harmonieus. “Dat merken mensen op, daarom vindt iedereen je ook zo leuk,” vertel ik haar.

Voor fietsen op de dijk schiet ze doorgaans weg en ik informeer daar naar. Ook hierin heeft ze geen zin in de confrontatie: beter zelf eerst weg zijn dan iets later in het moment in paniek raken. Slim dier.

We kijken nog even naar het verschil tussen zomer en winter. ’s Winters is ze veel meer binnen en ook daar geniet ze van. Even komt het beeld van de bovenwoning weer naar voren en ik hoor Bella zeggen: “Jij zou ook tegen de muren opvliegen, hoor!”

Lotje: kijken als een koe

M: Hallo Lotje, we hadden al even contact en ik heb je nu opgezocht om even persoonlijk kennis te maken. Leuk. Ik stelde de open vraag welke koe wil mij laten zien hoe het ziet als koe met een oog aan iedere kant van je kop. Hoe ziet zo’n beeld eruit, want ik kan me dat niet voorstellen. Wil jij me door jouw ogen laten kijken?
L: Ja, ik hoorde je vraag in het veld en het leek me leuk me te melden en zodoende kwamen we met elkaar in contact. Toen je er aan kwam liet ik je weten dat ik diegene ben met de witte kop, zodat je me gemakkelijk kon herkennen. En nu ‘praten’ we met elkaar. Ben je er aan toe?
M: Ja, graag. Laat maar zien.
Verrassing, het beeld is niet zo heel veel anders dan wat ik gewend ben. Ik kan gewoon vooruit kijken met beide ogen en zie een gehele wereld. De wereld is breedbeeld, ik zie misschien wel 270 graden bij elkaar en dat allemaal naadloos als een geheel. Als ik nu goed de kop bestudeer, er even naast staand om het van buitenaf te kunnen zien, zie ik dat je jouw ogen ook niet volledig aan de zijkanten hebt, maar dat je ze deels naar voren en naar opzij hebt staan, je ogen zitten in het smalle deel van je kop.

De wereld is breedbeeld, ik zie misschien wel 270 graden bij elkaar en dat allemaal naadloos als een geheel

M: Dank je wel dat ik dit mocht zien door jouw ogen. Wil je verder nog iets vertellen over je leven? Momenteel hoor ik regelmatig de reclame op de televisie van wakker dier en die luidt: ‘We eten en drinken nogal wat zuivel in Nederland. De gemiddelde melkkoe moet daarvoor 35.000 liter melk geven in haar leven. 35.000 liter. En ze wordt maar 6 jaar. Dan is ze leeggezogen. Uitgeput. En wordt ze afgedankt. Zuivel is niet zo zuiver als je denkt.’ Wat vind je daar van?
L: Dat is natuurlijk een heftig spotje, maar in wezen is het juist. De wijze waarop jullie, vooral in ontwikkelde landen, met ons als melkvee bestempelde dieren omgaan, is natuurlijk niet juist. Jullie zien ons nauwelijks als de producent van jullie eten, we zijn een melkfabriek. Als jullie even zouden stil staan bij hoe jullie met ons omgaan, zou dat uiteindelijk tot een belangrijke verandering kunnen leiden in hoe jullie met dieren omgaan. Daarom zou dit spotje misschien bij sommige mensen kunnen leiden tot een bewustwording dat het verkeerd is wat er gebeurt.
M: Wat zou jij willen dat er verandert?

Een koe krijgt een kindje, het kindje wordt meteen weggehaald en dat is het grootste trauma dat je een moeder kunt aandoen

L: Nou dat is nogal een vraag. Je weet hoe het begint. Een koe krijgt een kindje, het kindje wordt meteen weggehaald en dat is het grootste trauma dat je een moeder kunt aandoen. Probeer je in te leven hoe dat zou zijn als jullie kindje direct na de geboorte zou worden afgepakt en je weet niet wat er mee gebeurt. En dan gaat het verder, zoals het spotje beschrijft. Ik wil er niet al te ver op doorgaan, maar je snapt dat het geen ideale omstandigheden zijn waarin we geboren worden als koeien. En het zou veel dierenleed, maar ook menselijk karma en dus veelal ook leed, kunnen voorkomen als jullie hier een goede en vooral dierwaardige manier voor vinden, die recht doet aan de natuurlijke behoefte van dieren en jullie behoefte aan zuivel en vlees.
M: Dank je wel hiervoor en ik zal dit spoedig publiceren als blog, zodat mensen jouw stem kunnen horen hoe jij er over denkt. Wil je nog iets speciaals zeggen?
L: Ik zou het leuk vinden als je nog eens een keer langskomt. Vandaag was ik net op weg naar de stal, waardoor we elkaar maar even gezien hebben.
M: Zal ik om denken en een keer doen. Dank je wel.
220717

Vakantie en dieren

Zoals velen weten vind ik: mensen zijn mensen en dieren zijn dieren.

Toch zijn er ook veel overeenkomsten. En binnen die overeenkomsten weer verscheidenheid. Dat is ook de reden dat je mij niet snel hoort generaliseren als het over (gedrag van) dieren gaat.

Vakantie is een breek in de dagelijkse gang van zaken. Ik denk dat iedereen het daar wel over eens is. Maar hoe die vakantie beleefd wordt, is weer heel verschillend, zowel voor mens als dier.

Ik heb de afgelopen jaren heel wat gesprekken met dieren gehad over vakantie en dan hoofdzakelijk met dieren die niet mee kunnen.

Als er iemand in huis komt leg ik ze dat uit: het gaat iets anders dan anders, maar er wordt voor jullie gezorgd.

Als er iemand alleen komt voeren, leg ik uit dat het wat stil wordt aankomende weken, maar dat er voor hen gezorgd wordt en dat de mensen weer terug komen over twee of drie weken.

Het kan zijn dat dieren naar een pension gaan en ook dat probeer ik zo goed mogelijk in beeld uit te leggen.

Van veel dieren hoeft vakantie niet zo nodig. Het verstoort het ritme, de vertrouwde gang van zaken is doorbroken.

Sommige dieren willen uitleg over de zin van vakanties en ik zeg dan dat de mensen het soms nodig hebben om er even uit te zijn en dat de dieren niet mee kunnen. Ik leg uit dat het niet aan hen ligt, maar dat ze gewoon niet mee kunnen. En ik laat de dieren zien dat de vakantie mensen goed doet.

Ik vertel dieren ook altijd dat ze zelf de vakantietijd ook kunnen benutten: even iets anders, andere mensen, andere regels, andere omgang.

Vaak gaat de overbrugging tot de mensen terug zijn goed.

Maar er zijn toch ook echt dieren die het ‘niet trekken’. Iedereen kent wel de verhalen van honden die amper tot niet eten en katten die zich niet laten zien. In dat soort noodsituaties is het altijd handig om (alsnog) een dierentolk in te schakelen. Die kan uitleggen wat er aan de hand is en zeggen dat de mensen echt terugkomen.

Om toch contact te houden tijdens de vakantie adviseer ik vaak om met regelmaat even bewust aan je dier te denken. En dat moet dan op een positieve manier, in het volle vertrouwen dat het goed gaat met het dier en dat je zelf ook blij bent op het vakantieadres. Dus geen zorgen gaan delen met je dier, daar heeft het niks aan.

Zelf heb ik ook moeten leren door ervaring. Jaren geleden was ik in Zweden toen mijn dochter belde dat het niet goed ging met onze ara. Toen ik contact met hem maakte, liet hij weten dat hij niet wist waar ik was. In beeld liet ik hem de omgeving zien en wat ik zoal deed. Dat stelde hem gerust en voor mijn gevoel liep hij een tijdje mee op mijn schouder.

Enne … niet vergeten te vertellen aan het dier dat je weer terug komt …

Hyronimus 17: Hoe sta jij tegenover de vleesetende mens?

M: Dag Hyronimus, ik heb vandaag weer een hele andere vraag. Hoe denk jij over de vraag of we als mens vlees mogen eten of dat zoiets als levend wezen onacceptabel is tegenover andere levende wezens die daarvan het slachtoffer worden.
H: Laat ik heel duidelijk zijn. De wijze waarop jullie in jullie westerse maatschappij dieren tot vleesfabrieken hebben gemaakt is buiten iedere proportie. Dierenwelzijn is hier niet op van toepassing, het is walgelijk.
M: Zo daar ben je wel heel duidelijk in in je afwijzing van het huidige systeem.

Vlees eten is niet per definitie verwerpelijk

H: Laat daar geen twijfel over bestaan. Maar er is ook een andere kant. Vlees eten is niet per definitie verwerpelijk. In de natuur zijn er vele diersoorten die aangewezen zijn op prooidieren om aan hun eten te komen. Dat wijs ik ook niet af, ook mijn soort hoort daarbij. Maar er zit een groot verschil tussen een prooidier dat gevangen wordt door een jaagdier en de wijze waarop de mens zijn prooidieren willoos heeft opgeborgen in fabrieken waar ze de dieren gebruiken om vlees te produceren. De dieren zijn een soort machine geworden. Dat wijs ik volledig af. Maar dieren kunnen zich vrijwillig opofferen en dat doen ze graag en dat beschouwen ze zelf ook als iets dat ze graag willen doen. Maar dat is echt een hele andere insteek dan ze dwingen tot een leven in afschuw in een vleesfabriek.
M: Jij hebt dus geen principieel bezwaar tegen het eten van vlees door mensen, maar je vindt de wijze waarop vlees geproduceerd wordt niet acceptabel.
H: Je slaat de spijker op zijn kop. Ik gebruik die uitdrukking niet voor niets, want zo doden jullie voor een deel de dieren door ze een spijker door hun kop te slaan. Maar als iedereen zijn eigen dieren gaat jagen loopt het ook niet goed af. Dus daar zal een weg in gevonden moeten worden. Toch lijkt het me voor het gevoel van het dier zowel als voor de mens het van belang dat ze bij elkaar betrokken zijn. Je kunt je niet opofferen voor een onbekend persoon.

Toch lijkt het me voor het gevoel van het dier zowel als voor de mens het van belang dat ze bij elkaar betrokken zijn. Je kunt je niet opofferen voor een onbekend persoon.

Dit gezegd hebbende betekent dat als je bij elkaar betrokken wilt zijn dat je ook een andere verhouding krijgt tot het stukje vlees op je bord. Het is een stukje van varken Fridolien (zie de blogs daarover) of een stukje van een rund met een leven en een naam. Als je dat kunt en nog steeds vlees wilt eten, dan eer je dat varken of dat rund dat zich voor je opgeofferd heeft. Zo kun je zonder karma op je te laden vlees eten.
M: Als je het zo zegt, betekent het eigenlijk ook dat vleeseters in de huidige maatschappij karma op zich laden door vlees te eten.
H: Dat klopt en dat karma zullen ze met zich meedragen en ooit kunnen inlossen door inzichten te krijgen in hoe dingen in elkaar steken. En dan komen we bij de natuurwetten waar ik het ooit over gehad heb die je zou moeten onderzoeken. En waar je me maar wat graag over wilt vragen er iets over te vertellen. Maar daar ben je nog niet rijp voor. Je zult ze zelf moeten ontdekken en dan kan ik je helpen om ze beter te begrijpen. Eerst zelf zoeken en echt zoeken, dan kunnen we het er over hebben. Ik dank je wel voor je vraag.
M: Ik dank jou voor je antwoord en je opdracht aan mij. Ik ga er aan werken. Dank je wel.
220622

“Het gaat toch over mij?”

Snoes moet regelmatig een paar dagen mee naar twee arken.

De voorste is geen probleem voor haar. Daar komt ze binnen, alhoewel ze het niet gezellig vindt in de ruimte die eigenlijk werkruimte is.

De achterste ark is de woning maar Snoes laat zich daar niet zien. Dat is de reden waarom de mensen mij vragen om eens mee te kijken.

Snoes legt me uit dat de ark te ver van de kant ligt en ze is bang dat de ark zinkt. We babbelen wat door en ineens zeggen de mensen door de telefoon: ‘Hee, ze loopt naar binnen.’

‘Dat was het probleem toch?’ informeer ik voor de zekerheid.

Inderdaad, dat durfde ze tot nu toe niet.

Ik vraag Snoes waarom ze er op dit moment bij komt.

‘Het gaat toch over mij?’ hoor ik, ‘Dan moet ik er toch bij zijn?!’

 

Een ouwe gouwe uit In de Stilte hoor je alles

Hyronimus 16: Geen ‘klantgesprekken’ voor Eddy

M: Dag Hyronimus, kunnen we weer bij praten, ook al is het even terug? Maar we hebben tussendoor ook vrij veel met elkaar in contact gestaan. Alleen heb ik geen notities van de gesprekken gemaakt. Doe ik nu wel.
H: Je bent altijd welkom Eddy, ik vind het fijn om met je te sparren en samen dingen uit te vinden. Ik weet dat je een onderwerp dat we laatst in gedachten bespraken, nu graag even wilt uitschrijven. Dus laten we dat maar meteen oppakken.
M: Ja, het onderwerp waarom ‘klantgesprekken’ bij mij altijd lastig zijn.
H: Precies. Jij verbaast je over het feit dat je moeite hebt met die zogenaamde ‘klantgesprekken’, zoals jij het noemt. Dat is niet zo moeilijk te begrijpen. Als jij een gesprek met dieren aangaat, gaat dat bijna altijd van jou uit. Jij hebt een bepaalde nieuwsgierigheid, je wilt dingen weten, onderzoeken vanuit je binnenste gevoel. Bij een ‘klantgesprek’ heb je dat niet. Er is geen innerlijke nieuwsgierigheid, nee, je wordt geconfronteerd met iemand anders zijn nieuwsgierigheid. Daar zit een zekere gezagsverhouding in en daar heb je meteen weerstand tegen. Zo zit jij in elkaar. En met weerstand werkt het niet. Je moet innerlijk vrij en open zijn om te kunnen communiceren, ook met dieren.

Daar zit een zekere gezagsverhouding in en daar heb je meteen weerstand tegen. Zo zit jij in elkaar. En met weerstand werkt het niet.

M: Is dat waarom ik zo’n moeite met die gesprekken heb en ze eigenlijk ook niet wil doen.
H: Ja, zo werkt dat. Je kunt daar wel aan werken, maar dat zal je best moeite kosten en het mooie voor jou nu is, dat je altijd vanuit een innerlijke drang aan een gesprek begint. In zo’n gesprek zijn dieren ook veel meer toegankelijk, want je hebt een innerlijke interesse in hun beweeg redenen en dat wordt meteen herkend.
M: Zijn de dieren die ik vanuit mijn innerlijke nieuwsgierigheid aanspreek ook minder geneigd om me te misleiden, zoals ik ooit met een poes heb meegemaakt die me echt zwaar onzin had wijsgemaakt.
H: Dat zou heel goed kunnen.
220622

De leeuwin en haar natuur in de dierentuin

Als ik contact maak met de leeuwin komt ze in mijn beeld voor me heen en weer lopen, mij ondertussen observerend. Even zien wat voor vlees ze in de kuip heeft. Dat laat ik altijd toe: het is een soort kennismaking met elkaar.
Deze leeuwin zegt als eerste dat het kaal is. Er zijn geen welpen. Ik weet niet of ze het alleen over zichzelf heeft of over de groep maar het lijkt of haar/hun cyclus verstoord is.
Dan laat ze weten graag iets bewegends te grijpen en ik voel meteen dat de verzorgers niet veilig zijn bij haar in de buurt. Ze gaat door met vertellen: ‘Het is niet alleen het eten maar ook het vangen. Er gaat een enorme krachtmeting aan het eten vooraf. Het niet kunnen rennen en vangen is een groot gemis. Na het rennen (en eten) is het goed rusten. Dit is rust zonder inspanning geleverd te hebben.’
Zij laat net als de pelikanen zien dat ze bijzonder weinig van haar capaciteit kan gebruiken.
Ze laat ook zien dat ze de deur in de gaten houdt. Ze weet dat daar de ontsnappingsmogelijkheid ligt. Denkend aan de reactie van een bloglezer over het ontsnappen van dierentuindieren vraag ik waarom deze leeuwin hier op dit moment is, ervan uitgaand dat de dolfijn gelijk heeft en geen enkel mens of dier ergens zonder reden is.
‘Voor mij is dit een les in geduld, in incasseren. Accepteren dat de ruimte zo beperkt is.’
Maar er is duidelijk verveling bij deze leeuwin. ‘Rust is alleen fijn als er inspanning is geweest.’ Nogmaals laat ze weten heel graag te willen jagen.
Ik vraag haar: ‘Kan ik zeggen dat jullie uit je kracht gehaald zijn?’ ‘Wij hebben onze kracht nooit gekend,’ antwoordt ze. Maar ze weet dat ze een groot potentieel in zich heeft.
Ik vraag wat ze gaat doen als ze zou kunnen uitbreken en ik zie voor me dat ze dan een kind grijpt. Daar doet ze niet ingewikkeld over. Dan gaat ze los. Zo is haar natuur.