Dieren kunnen door hun aard heel andere belevingen hebben dan mensen. Dat geeft vaak verrassende inzichten en echt, met dieren kun je lachen!

Compliment van de hond

Ik schrijf bijna nooit over gesprekken waarin ik tolk tussen mens en dier. Maar soms is een opmerking te mooi om niet te delen.

 

Als tolk stelde ik de vraag aan een hond hoe hij het leven met de kat ervaart.

“Hij is geen hond, maar hij is oké,” hoorde ik.

De vrouw aan de lijn moest erg lachen. Wat bleek? Twee jaar geleden had ik ook voor haar getolkt en was de vraag gesteld of hij na het overlijden van de kat weer een andere kat in huis wilde. De hond wilde toen graag een andere hond erbij om lekker te kunnen spelen. Dat was voor deze vrouw echter geen optie en ze heeft enorm haar best gedaan om een kat te vinden die bij de hond zou passen.

Dat is gelukt! De hond en de kat spelen ontzettend leuk met elkaar, ieder vanuit z’n eigen wezen/zijn maar toch heel goed samen. Dat de hond doorgaf “Hij is geen hond, maar hij is oké,” is een heel groot compliment voor de kat!

 

Wegens privacy zijn de dieren op de foto niet de dieren waar het om gaat :).

Kaila is stoned

M: Dag Kaila. Ik wilde graag weer eens met je praten. Je ligt lief naast me terwijl ik zit te werken en nu met je ga communiceren. Is dat OK?
K: Dat is zeker OK, ik verheug me altijd op onze gesprekken. Vroeger minder want dan had je klachten over mijn gedrag, maar nu speelt dat denk ik niet meer.
M: Dat klopt, je bent een schattige hond geworden en je gedraagt je steeds beter, dus alle lof voor je.
K: Dat doet me goed om te horen.
M: Ik wilde graag iets weten van je. Enige weken geleden zijn we op een nacht met je in de auto naar de dierenkliniek in Utrecht gegaan omdat het heel slecht met je ging. Herinner je dat nog?
K: Ja, dat weet ik nog, vond ik best spannend en ik voelde me heel raar toen.
M: Daar wilde ik het juist over hebben. Je hebt daarvoor iets in het bos of op straat gegeten en dat moet iets geweest zijn van wiet of zo.
K: Ik heb geen idee waar je het over hebt.
M: Wel je hebt iets vreemds gegeten waar je stoned van bent geworden en daarna was je helemaal weg, je had rode ogen en reageerde nergens meer op en we vreesden dat je dood zou gaan.
K: Oh, wat naar. Ik herinner me dat nog wel, maar ik heb niet meegekregen dat jullie bang waren dat ik dood zou gaan.

Ik heb niet meegekregen dat jullie bang waren dat ik dood zou gaan

M: Ja, het was heel heftig, maar gelukkig ben je weer helemaal opgeknapt. Weet jij nog wat je daarvoor gegeten had van straat of uit het bos?
K: Nee, geen idee, ik raap wel vaker iets stiekem van straat op en soms zie jij het en dan moet ik het weer uitspugen, maar je bent er zeker niet altijd bij als ik iets gevonden heb en op eet.
M: Laat ik je helpen, het is iets geweest wat je van de grond hebt opgeraapt en hebt opgegeten en daar werd je heel erg ziek van. Eerst had je geen controle meer over de plassen en daarna was je totaal apathisch.
K: Wat is apathisch?
M: Ik zal proberen het uit te leggen. Iemand die apathisch is, is minder geïnteresseerd in de wereld om hem heen en heeft vaak geen zin om iets te ondernemen. Je ligt maar op de grond en reageert nergens meer op, ook niet als we je aaien of aanhalen. We schrokken er heel erg van. Zo erg dat we de dierendokter midden in de nacht hebben gebeld en daarom zijn we daar naar toe gegaan om half één ’s nachts.
Toen we er aankwamen bleek je al behoorlijk opgeknapt, je liep bijna gewoon, verloor nog wel plas, maar je reageerde op alles wat de dierendokter met je deed. De dokter stelde de diagnose dat je stoned geweest bent, dat wil zeggen dat je wiet of zoiets gegeten moet hebben.
K: Ik weet echt niet wat ik gegeten kan hebben, maar dat ik af en toe dingen opraap en opeet, dat klopt.
M: Misschien is dat dan toch gevaarlijk als je alles maar opeet.
K: Ja, misschien wel, maar het is maar één keer gebeurt en ik eet best vaak iets van de grond op. Dus ik maak me geen zorgen.
M: Misschien zou je dat wel moeten doen. Maar ja, ik wilde ook nog iets anders bespreken. Over enkele dagen ga ik voor een tijdje op reis en dan ben ik er niet om met je te wandelen en je eten te geven en voor je te zorgen, maar ook kan ik niet met je knuffelen en kun je niet tegen me aan slapen.
K: Hoe moet dat dan? Wie zorgt er voor me?
M: Dat is het vrouwtje. Zij kan dat ook heel goed, kan met je wandelen, in het bos of op de hei, maar je zult met haar niet los kunnen lopen maar alleen aan de lijn. En dat kun je heel goed, dus dat is geen probleem voor jou.
K: Nee, dat is geen probleem, ik kan dat. Maar ik zal het ballen en stokken gooien wel missen tijdens de wandeling.
M: Dat snap ik, maar dat kan het vrouwtje ook wel een beetje met je doen.
K: En wie geeft me dan te eten?
M: Natuurlijk doet ook zij dat.
K: Dat snap ik, en ze kan ook heel goed knuffelen en slaap ook heel graag tegen haar aan. Ze is soms wel een beetje warm, maar ze is wel heel lief. Dat gaat best goed. Maak je maar geen zorgen over mij.

Ze kan ook heel goed knuffelen en slaap ook heel graag tegen haar aan

M: Ik maak me eigenlijk geen zorgen over jou en ik verwacht dat jij een beetje voor haar zorgt.
K: Ik zal haar goed in de gaten houden. Stelt dat jou gerust?
M: Ja, dat stelt mij gerust. Ze zal misschien ook op andere tijden met jou wandelen, maar dat kun je heel goed aan toch?
K: Ja, geen probleem, dat kan ik aan. En blijf je niet te lang weg? Want ik ga je wel missen.
M: Ik kom na drie weken weer terug. Dat zal misschien geen begrip voor je zijn, maar ik kom zeker weer terug.
K: Drie weken zeg je? Dat is niks.
M: Weet je hoe lang drie weken is dan?
K: Geen idee, maar vast niet heel lang, want je zou je vrouwtje nooit lang alleen laten en mij ook niet.
M: Daar heb je volkomen gelijk in. Dank je wel voor dit gesprek. Wil jij nog wat zeggen?
K: Praten we nog een keer als jij weg bent, zodat ik je toch dichtbij kan voelen?
M: Als jij dat wilt doen we dat. Dank je wel voor dit gesprek.
K: Graag gedaan en tot de volgende keer.

220914

Wespen

De wespen zijn er vroeg bij dit jaar. Vermoedelijk komt het door hun hoeveelheid dat ze zich eerder binnen de menselijke ruimte begeven. En dat wordt niet altijd gewaardeerd. Ook ik heb aan boord van mijn schip te dealen met wespen. Ik vergeet nooit dat jaren geleden mijn zoon gierend van de lach binnenkwam. Zijn nieuwe vriendin zag buiten een schoteltje met ranja en wespen staan en het schoot er spontaan uit: “Is ze nou g…*#&%!?^…me! ook al de wéspen aan het voeren?!”

Ik moet eerlijk zeggen dat wespen en ik niet helemaal goed samengaan. Fysiek niet doordat ik heftig reageer op een steek en communicatief niet omdat we een andere grondhouding lijken te hebben. Maar dat neemt niet weg dat ik de wespen erg waardeer en ze graag in leven houdt. Maar ik waardeer het ook om buiten aan dek te zitten dus we hebben een modus gevonden: als ik buiten wil zitten zet ik altijd een schoteltje met ranja voor ze neer. Binnen een minuut zijn er wespen en mieren die volop komen bijtanken om later weer voldaan te vertrekken. Allemaal ons eigen territorium en iedereen happy.

Als ik met ze aan de babbel ga lijkt het of er eentje het woord neemt, wat wel vaker gebeurt met groepen dieren. Of het er inderdaad eentje is of dat ze zich gezamenlijk door één stem laten horen, weet ik niet.

“Tevreden zo?” vraag ik ze. “Ja, dit is makkelijk snacken.” Ik knik inwendig instemmend, trots op mijn kleine bijdrage aan het ecosysteem en de wereldvrede.

“Jullie lijken alle tijd te hebben,” observeer ik. “Ja, maar we hebben toch haast, we moeten de jongen voeden.” “Ik ben wel tevreden met mijn werkwijze. Zo kan ik rustig zitten.” “Goed plan. Want als je het niet had klaargezet waren we toch wel gaan zoeken bij je.” Precies, denk ik, vandaar de gecreëerde afstand.

“Zeg, ik zie dat jullie soms vechten met elkaar in de siroop…” “Dat is ander volk,” hoor ik brommend. Onverdraagzame dieren…

“Enne… als jullie steken… dan gaan jullie toch dood?” “Ja, maar we twijfelen niet om het wel te doen.” Ik herken uit vorige gesprekken met wespen de directheid, het wat haastige en knorrige en ik constateer weer dat ze anders gehumeurd zijn dan bijen. Die zijn veel gemoedelijker, waar wespen een veel korter lontje hebben. “We hoeven de mensen niet, maar de producten zijn welkom,” haken ze in op mijn gedachten.

Ik ben al wel weer een beetje uitgepraat met ze. Ik waardeer echt enorm wat ze allemaal doen in de natuur maar ik constateer dat ik niet met iedereen goede vrienden hoef te zijn. Leven en laten leven is ook hier het beste motto.

PS Als je op de foto klikt zie je het hele tafereeltje (ieder z’n humor… )

“Het gaat toch over mij?”

Snoes moet regelmatig een paar dagen mee naar twee arken.

De voorste is geen probleem voor haar. Daar komt ze binnen, alhoewel ze het niet gezellig vindt in de ruimte die eigenlijk werkruimte is.

De achterste ark is de woning maar Snoes laat zich daar niet zien. Dat is de reden waarom de mensen mij vragen om eens mee te kijken.

Snoes legt me uit dat de ark te ver van de kant ligt en ze is bang dat de ark zinkt. We babbelen wat door en ineens zeggen de mensen door de telefoon: ‘Hee, ze loopt naar binnen.’

‘Dat was het probleem toch?’ informeer ik voor de zekerheid.

Inderdaad, dat durfde ze tot nu toe niet.

Ik vraag Snoes waarom ze er op dit moment bij komt.

‘Het gaat toch over mij?’ hoor ik, ‘Dan moet ik er toch bij zijn?!’

 

Een ouwe gouwe uit In de Stilte hoor je alles

Hyronimus 16: Geen ‘klantgesprekken’ voor Eddy

M: Dag Hyronimus, kunnen we weer bij praten, ook al is het even terug? Maar we hebben tussendoor ook vrij veel met elkaar in contact gestaan. Alleen heb ik geen notities van de gesprekken gemaakt. Doe ik nu wel.
H: Je bent altijd welkom Eddy, ik vind het fijn om met je te sparren en samen dingen uit te vinden. Ik weet dat je een onderwerp dat we laatst in gedachten bespraken, nu graag even wilt uitschrijven. Dus laten we dat maar meteen oppakken.
M: Ja, het onderwerp waarom ‘klantgesprekken’ bij mij altijd lastig zijn.
H: Precies. Jij verbaast je over het feit dat je moeite hebt met die zogenaamde ‘klantgesprekken’, zoals jij het noemt. Dat is niet zo moeilijk te begrijpen. Als jij een gesprek met dieren aangaat, gaat dat bijna altijd van jou uit. Jij hebt een bepaalde nieuwsgierigheid, je wilt dingen weten, onderzoeken vanuit je binnenste gevoel. Bij een ‘klantgesprek’ heb je dat niet. Er is geen innerlijke nieuwsgierigheid, nee, je wordt geconfronteerd met iemand anders zijn nieuwsgierigheid. Daar zit een zekere gezagsverhouding in en daar heb je meteen weerstand tegen. Zo zit jij in elkaar. En met weerstand werkt het niet. Je moet innerlijk vrij en open zijn om te kunnen communiceren, ook met dieren.

Daar zit een zekere gezagsverhouding in en daar heb je meteen weerstand tegen. Zo zit jij in elkaar. En met weerstand werkt het niet.

M: Is dat waarom ik zo’n moeite met die gesprekken heb en ze eigenlijk ook niet wil doen.
H: Ja, zo werkt dat. Je kunt daar wel aan werken, maar dat zal je best moeite kosten en het mooie voor jou nu is, dat je altijd vanuit een innerlijke drang aan een gesprek begint. In zo’n gesprek zijn dieren ook veel meer toegankelijk, want je hebt een innerlijke interesse in hun beweeg redenen en dat wordt meteen herkend.
M: Zijn de dieren die ik vanuit mijn innerlijke nieuwsgierigheid aanspreek ook minder geneigd om me te misleiden, zoals ik ooit met een poes heb meegemaakt die me echt zwaar onzin had wijsgemaakt.
H: Dat zou heel goed kunnen.
220622

Waarom jagen mensen op ons?

We zijn een weekje op Texel en genieten van de wind en de regen en de zon af en toe. Opeens komen er twee boeren zwaluwen op de reling vlakbij zitten en daar blijven ze zitten. Iedere keer als ik buitenkom, komen ze aanvliegen. Ze willen me wat zeggen, dus na enkele dagen neem ik contact op.

M: Beste zwaluwen, willen jullie me soms wat zeggen of komen jullie voor de gezelligheid steeds langs?
Z: We willen je graag wat vertellen en zagen dat jij een communicator bent en dus willen we met je praten.
M: OK, zeg het maar.
Z: Vogels zijn voor jou bijzonder en je kunt er altijd contact mee krijgen en daarom willen we met je praten. Het gaat hierom. Waarom jagen mensen op ons?
M: Dat is nieuw voor mij. Vertel er eens over zodat ik het kan begrijpen?
Z: Hier bij jullie wonen en leven we dicht bij de mens en dat gaat goed. Het liefst wonen we op een plek waar veel insecten zijn, dus bij boeren en dieren die stank veroorzaken en daar zitten veel insecten. Maar als we weer naar ons overwinteringsgebied trekken, komen we door gebieden waar ze ons vangen en dan worden we gedood en opgegeten. Hoe kun je dat doen bij vogels?
M: Waar trekken jullie heen als je hier weggaat?
Z: We trekken naar Noord en Midden Afrika. We steken daarbij de Middellandse Zee over en sommige van ons ook de Sahara, een beruchte hete en koude plek met weinig voedsel. De plek waar ze ons vangen is aan de noordkant van de Middellandse Zee.
M: Ik kan me voorstellen dat jullie in Italië gevangen worden, dat zou illegaal zijn, maar in Frankrijk en Spanje verwacht ik dat niet.

Wij vliegen via Italië omdat we dan een korte oversteek hebben, dat vliegt iets makkelijker en dan komen we ook in Afrika beter uit

Z: Ja, wij vliegen via Italië omdat we dan een korte oversteek hebben, dat vliegt iets makkelijker en dan komen we ook in Afrika beter uit en hebben we minder last van de Sahara. Doordat het steeds warmer wordt, worden we ook geconfronteerd met veel ruwer weer onderweg en dat is niet altijd een lolletje. Dan moeten we schuilen want we kunnen het niet opnemen tegen deze stormen en die enorme hoeveelheden regen die daarbij vallen.
M: Ja, dat begrijp ik. Over die opwarming, hebben jullie daar veel last van?
Z: Ja zeker. Vooral onderweg tijdens de trek is het verstorend. We vliegen in principe in een keer door, hebben soms wel even een rustpauze, maar nooit lang. Als we te veel rusten raken we de drang kwijt en blijven we soms op een plek hangen waar we eigenlijk niet goed tegen kunnen.
M: Wat bedoel je daarmee?
Z: Nou ik bedoel dat als we bijvoorbeeld in Italië achter blijven omdat we te lang gewacht hebben met doorvliegen, dan moeten we daar ons weer een thuisplek zien te vinden. Want we vliegen van het geboortehuis naar het winterhuis en weer terug. Het zijn dus steeds bekende plekken waar we komen. Maar als we ergens onderweg stoppen, is dat een onbekende plek voor ons. Moeten we zien uit te vinden wat is de beste plek om te schuilen, wat is de beste plek om insecten te vangen en al dat soort dingen, terwijl we dat anders gewoon weten, want daar komen we altijd al.
M: Het wordt dus ingewikkeld door het veranderende klimaat om jullie gewone leven te blijven volgen.
Z: Ja dat is zo.
M: En wat was dat nou over dat jagen op jullie?
Z: Daar wilde ik het over hebben omdat familie regelmatig onderweg gevangen wordt en dan nooit meer terug komen. We kunnen elkaar onderweg wel kwijtraken, maar we treffen elkaar eigenlijk altijd weer op de thuisplekken. Wat voor plezier hebben mensen daar nu aan?
M: Dat plezier begrijp ik ook niet. Maar er is in Italië geloof ik een traditie om vogels te vangen en op te eten. Het is wel veel minder geworden, want de meeste mensen eten geen vogels meer, behalve kip. Maar de meeste mensen eten nog steeds vlees. Dat zal wel gaan veranderen, maar dat neemt veel tijd voor mensen inzien dat ze beter eten kunnen maken van gras dan het gras aan de koeien te voeren en dan die koeien op te eten.
Z: OK, het was gezellig even met je te praten. Blijven jullie nog even?
M: Waarom vraag je dat?
Z: Eenvoudig omdat we nooit mensen lang zien blijven, ze komen en ze gaan. Veel sneller dan wij trekken. Wij blijven een lange periode en verhuizen dan weer voor een lange periode. Jullie komen maar kort hier.
M: Dat is juist, wij komen hier voor vakantie, om wat rust te hebben en daarna gaan we weer deel nemen aan alle drukte die mensen eigen is.
Z: Ja, dat is ook zo vreemd. Jullie doen maar druk en zitten nooit eens rustig, behalve als jullie hier korte tijd komen, dan doe je heel rustig aan en neem je de tijd om met mij bijvoorbeeld te praten.

Jullie doen maar druk en zitten nooit eens rustig, behalve als jullie hier korte tijd komen, dan doe je heel rustig aan

M: Ook daar heb je gelijk in. We willen altijd zoveel doen. Nou wil je nog wat zeggen of zullen we stoppen?
Z: We kunnen stoppen en kunnen altijd toch weer een andere keer praten?
M: Ja, dat kan. Dank je wel voor het gesprek.

220525

Liever geen beren op je weg…

Het is verbazingwekkend, al zeg ik het zelf. Jaren geleden maakte ik contact met een kodiakbeer in een dierentuin (zie blog hieronder). Nu ik het weer lees, komt de vraag bij me op of beren eigenlijk wel vlees eten. Even wikipedia openen en het wordt bevestigd, net als meer uit dit contact:

“De kodiakbeer is me een mooie … Zegt meteen als ik contact maak dat hij mij wel lust. Hij schijnt zin in vlees te hebben, zin in een prooi ‘scheuren’. Hij heeft ook zin in vis.
Ik krijg van hem door dat hij veel ruikt en dat hij er wel op uit wil om te eten.
‘Kan je alleen maar aan eten denken?’ vraag ik hem.
‘Eten is belangrijk,’ vindt hij.
Ik laat hem in een beeld zien dat hij het volgens mij lang niet slecht heeft volgens dierentuinbegrippen.
‘Het is te beperkt. Ik wil erop af, afstanden afleggen.’ Het voedsel zoeken is een grote innerlijke drive. Momenteel is hij veel te lui, vindt hij zelf. Hij leeft onder zijn capaciteiten.
Hij laat mij een soort gelatenheid voelen van iemand die berust in zijn situatie. ‘Ik klaag niet,’ wil hij nog even kwijt, ‘maar ik leef onder mijn niveau van kunnen.’ ”

Na dat gesprek was ik naar een vrije beer in Alaska gegaan. Die kon ook alleen maar aan eten denken op dat moment. De contacten was in november dus de eetdrang klopte wel:

“Ik heb net de kodiakbeer uit de dierentuin gesproken en ga daarna naar deze beer.
Die vindt al vrij snel dat ik loop te zeuren en vraagt wat ik wil. Hij lijkt een run tegen de tijd te voeren en denkt, net als de kodiakbeer, alleen maar aan eten.
Hij vindt dat hij nog te weinig voedsel binnen heeft en wil een dikkere laag om de winter door te komen.
‘Lukt dat?’ vraag ik belangstellend.
‘Niet als jij loopt te drammen.’
Het is duidelijk, ik moet deze beer niet storen op dit moment.”

Heerlijk, die beren!

Het stokstaartje

Als ik contact maak met dit stokstaartje zie ik hem meteen om zich heen kijken. Alsof hij zoekt waar ik ben. Ik vertel hem dat ik via deze vorm van communicatie contact leg en dat ik er niet fysiek ben. Dan gebeurt er iets wat ik nog nooit meegemaakt heb met dieren: dit diertje benadert mij razendsnel, legt zijn voorpootjes op mijn hoofd en het lijkt of hij in mijn hoofd gluurt. Ik word wel eens gescand door dieren maar zo extreem als dit is nog niet gebeurd en ik moet erom lachen.
Ik leg hem uit dat ik graag met dieren praat en hij laat meteen hun hele ruimte zien. Hij laat weten veel te spelen en hij rent druk heen en weer. Een actief diertje. Hij laat zien dat hij een verre blik heeft en een ver gehoor. Overdag staan de mensen ervoor. Hij wil eigenlijk altijd ver kijken, groot uitzicht hebben. Hij herhaalt een paar keer dat hij tussen de mensen door moet kijken, dat hij overdag steeds op mensen stuit. ‘Als ze weg zijn hebben we de tijd aan onszelf,’ vertelt hij.
Weer laat hij zien dat hij heel gespitst is op geluiden en bewegingen ver weg. Hij vindt het fijn om een eigen ruimte te hebben in de dierentuin. Ik weet niks van stokstaartjes maar ik kan me voorstellen dat ze een eigen territorium hebben (dit zie ik later op internet bevestigd).
Het dier geeft steeds een vrolijke, levenslustige indruk. Hij doet me denken aan een wakkere fret, die reageert ook zo snel. Alleen lijkt het of stokstaartjes slimmer en veel wakkerder zijn.
Als slot van ons contact laat dit stokstaartje nogmaals zien dat zijn blik gericht is op ver weg.

`Intenties laten zich niet verwoorden´

Als ik contact maak met deze olifant, lijkt ze meteen een speeltje van me te maken. Ze reageert uitbundig, wat onbenullig en geeft me het beeld dat ze met me speelt als met een lappenpop. Mijn insteek is altijd serieus contact dus ik vraag haar of ze uitgespeeld is. Meteen zet ze me in haar beeld neer en loopt van me weg. Ho, dat was ook niet de bedoeling! Dus loop ik naast haar mee maar dat bevalt me niet. Beleefd vraag ik of ze de tijd wil nemen voor een gesprek.
Meteen laat ze weten niet naar mensen te hoeven luisteren. Dat vind ik natuurlijk okee en ik vertel haar dat dit contact op een ander level is, niet fysiek. Dan wil ze wel communiceren.
Ze laat als eerste zien dat olifanten lange afstanden lopen. Dat zit in hun wezen. Hier kan ze voldoende lopen en bewegen maar het zijn geen lange afstanden in colonne.
Tijdens mijn dierentuinbezoek heb ik wat info opgevangen van een verzorger en ik vertel de olifant dat ik hoorde dat er onderzoeken gedaan zijn naar hun onderlinge communicatie. De verzorger vertelde dat in hun kop trillingen te voelen zijn. Deze olifant geeft door dat het om golven gaat.
Ze komt bij mij heel open en actief over en haar aandacht gaat ook snel ergens anders heen. Ze laat zien dat ze doet waar ze zelf zin in heeft. Ze lijkt in een eigen flow te zitten en vermaakt zich op een dag met bomen, publiek, andere olifanten, stokken, zand, water, lopen etc.
Ik moet het contact met haar echt goed gericht blijven houden dus vraag ik naar hun manier van onderling communiceren. Dan krijg ik het idee dat ze op ‘twee standen’ tegelijkertijd leven. Het trage van hun bewegen en de flow waar ze fysiek in zitten maar tegelijkertijd een razendsnel, fijngevoelig denken.
Met die fijngevoeligheid lijken ze te weten wat er buiten de muren van het nachtverblijf gebeurt. Weten ze wanneer de verzorgers er zijn/komen en hebben ze een ragfijn onderling contact.
Ik geef via een beeld door dat de verzorgers zich niet meer tussen de olifanten mengen omdat er ongelukken zijn gebeurd en dan zie ik dat de verzorgers helemaal niet van belang zijn! De olifant laat zien dat alles draait om wat er op hun ‘olifantenlevel’ gebeurt. Mensen nemen daarin een enorm kleine plaats in. Mocht er onderling wat zijn tussen de olifanten dan houden ze totaal geen rekening met de fysieke aanwezigheid van een mens. Vertrapping of iets dergelijks van mensen is dan niet meer dan een tak vertrappen die toevallig in de weg ligt. ‘Het speelt zich allemaal af op ons communicatieniveau.’
Ik ben werkelijk onder de indruk van de grootte van hun onderling (be)leven. De olifant laat zien dat de rol van de mens/verzorger zó klein is. Ik meen te moeten opmerken dat er toch heel wat mensen om hen heen zijn die zich een slag in de rondte werken om hun verblijf goed te maken. ‘Mensen leggen voedsel neer maar zijn van zo weinig betekenis voor ons.’ Ik geef haar via beeld en gevoel door dat het me schokkend lijkt om te horen als verzorger, als je met zoveel liefde voor die dieren werkt.
‘Maar je laat mij wel een kijkje nemen bij je,’ merk ik dan een beetje verbaasd op. ‘Ik neem ook een kijkje bij jou,’ is meteen het antwoord. Ik weet inmiddels dat op dit niveau van communiceren er inderdaad een wederzijdse uitwisseling is. En onbewust denk ik aan wat mijn intenties zijn om dit soort contacten aan te gaan. ‘Intenties laten zich niet verwoorden,’ hoor ik er pats boem overheen. Een lekker bijdehand dier…

Tirza 2: Tirza klaagt verder

Tirza wil praten en gaat meteen los.

T: Ja, ik wil graag mijn zegje doen, dat bruine monster waar jullie zo gek mee zijn, is best erg opdringerig. Je zegt wel dat ze me niets doet, maar daar lijkt het niet op. Ze springt steeds op me af en ze heeft hele grote poten.
M: Die grote poten begrijp ik, maar er zit geen kwaad in, ze zal je nooit bijten, maar ze is nog wel wild, dat komt omdat ze je spannend vindt. Je kunt haar met jouw arsenaal aan opties: grommen, blazen, omdraaien, aankijken, dikke staart, gemakkelijk de baas, dat vindt ze spannend.
T: Maar ik niet. Ik wil gewoon door het huis kunnen lopen, zonder dat monster achter me aan.
M: Dat proberen we ook voor je en heel goed dat je steeds naar binnen komt en je niet laat weerhouden.
T: Dat klopt, maar ook in de tuin laat ze me niet met rust, zodat ik muizen verder in het bos moet zoeken. En die spelen niet gezellig.
M: Je bedoelt die kun je niet zo gemakkelijk vangen?
T: Eigenlijk bedoel ik dat niet, ze verstoppen zich en laten zich daarna niet meer zien, dus helemaal niet spelen samen, ze spelen niet.
M: Dat moet saai zijn.
T: Dat is het ook, ik moet nu gaan jagen en dat kan ik ook goed, maar dat kost meer tijd en lukt niet altijd.
M: Dus je eet minder muizen en wilt van ons meer vlees krijgen?
T: Als dat zou kunnen …
M: Wil je nog wat kwijt?
T: Ik wil dat jullie zorgen voor een veilige thuisplek voor mij.
M: Maar dat doen we!
T: Maar het monster kan te dichtbij komen.
M: Ze zit iedere nacht opgesloten, dan kun je helemaal vrij door het huis lopen en je kunt ook op bed liggen bij ons.
T: Ja, maar jij stuurt me dan weg …
M: Ja, als je probeert de hele nacht op me te liggen dan stuur ik je weg, maar je mag best tegen me aan liggen, alleen niet op me. En bij mijn partner kun je altijd terecht.
T: Dat is waar, nou tot de volgende keer, ik vind de gesprekken wel leuk worden.