Dieren kunnen door hun aard heel andere belevingen hebben dan mensen. Dat geeft vaak verrassende inzichten en echt, met dieren kun je lachen!

Rozette en het katertje

De trouwe bloglezer van AnimalTalks is vast bekend met poes Rozette. Sinds september 2020 zijn er zeven blogs verschenen over haar en haar buitenleven. In september 2023 kreeg ze gezelschap van een jong katertje. Hoe gaat het inmiddels met ze? Weer tijd voor een gesprekje.

Als ik Rozette benader is ze rustig en zeker van zichzelf. Ze heeft haar nachtplek waar ze zich kan terugtrekken en ongestoord kan leven. Maar haar oude woonplek beschouwt ze ook nog van zichzelf. De kleine belhamel kan ze er nu prima bij hebben. “Hij stoort me niet. Ik ben de oudste, rustig en stevig. Hij accepteert dat. Hij doet groot en stoer maar hij is maar wat blij met mij. Zonder mij is hij niks.”

Wat ik begrijp van Rozette is dat hij aanvankelijk van Rozette’s vangst at en dat hij heeft afgekeken hoe zij het deed.

Ik laat Rozette zien dat de kleine kat steeds meer op mensen gericht is en zich ruimschoots laat zien aan mensen en met mensen en honden meeloopt op de dijk. “Ik ben selectief,” antwoordt Rozette. “Ik ben meer op mezelf. Geef me trouwens maar iets tegen stramheid, ik word wat ouder.”

Na het contact met Rozette ga ik naar de kleine boef. Dit katertje straalt van jeugdige overmoed. Hij wil erop uit, dingen beleven. Daarbij is hij echt een clown.

“Waar kom je vandaan?” vraag ik hem. “Wat doet het ertoe? Ik ben er toch?!” is het antwoord.

Alles is feest voor dit diertje. Hij laat me zien dat hij zich zo vermaakt! En ja, hij heeft Rozette als oudere kat wel nodig. Hij leeft een beetje in haar voetsporen. Hij weet precies wanneer Rozette een grens trekt en naar hem uithaalt en dat is ok voor hem.

Zoals altijd geef ik de dieren het beeld dat ze aan boord kunnen komen als ze willen. Het kleine katertje bekijkt het es en laat, ondanks nieuwsgierigheid, zien dat het hem veel te saai lijkt. Hij houdt van zijn omgeving buiten, van alles wat er gebeurt, van de alertheid die er bij het buiten wonen hoort. Vooralsnog is het leven één groot feest voor dit vrolijke diertje.

Ratjes aan boord

Wij wonen op een schip en waar water is zijn ratten. 38 jaar geleden zagen we door de raampjes al een rat rennen met de kat erachteraan. Dus we zijn bekend met ratten aan boord. Maar de laatste jaren hebben ze toegang gevonden in het schip. Er zijn altijd wel gaatjes te vinden waar ze door kunnen. De geluiden begonnen tussen het plafond en het dek en zakten in de loop der jaren langs de muren richting vloer. Met het sterven van de laatste kat hebben de ratjes hun kans gezien om in de binnenruimte van het schip op onderzoek uit te gaan. Aanvankelijk had ik het niet zo door. Ik vond wel eens een leeg zaadhulsje van het papegaaienvoer op een gekke plek en in mijn onschuld glimlachte ik omdat ik dacht dat er muisjes waren. Na een tijdje begon ik toch andere vermoedens te krijgen, ook over de frequentie van de bezoekers, en heb ik een camera aangeschaft.

Nou, wat een feest is het aan boord! Ik ben werkelijk verbaasd over wat er zich in de nachten allemaal afspeelt… Elke dag ben ik de beelden aan het bekijken om erachter te komen wat hun gedrag is en waar ze vandaan komen. Op mijn speurtocht heb ik verschillende gaatjes gevonden en dicht gestopt.

Tot nu toe leverde onze communicatie niet meer op dan dat de ratjes (het zijn inderdaad kleine ratjes) me zeiden dat we geen last hebben van elkaar. En daar moet ik ze gelijk in geven, want feitelijk hebben we geen last van elkaar. Toch ben ik vandaag maar weer es het gesprek aangegaan.

Ik probeer contact te maken maar tref schuwe dieren. Ze laten meteen weten dat ze in ‘de onderwereld’ leven en dat mensen hen niet willen zien. “Jij hebt ook kwaad in de zin,” hoor ik. Nou, ergens klopt dat ook wel. We weten niet anders dan dat ons is gezegd dat ratten vies en onhygiënisch zijn, dat ze weg moeten. Opgelegd, aangepraat, nagepraat inderdaad. En ja, mensen reageren met afschuw op ratten. Alle alarmbellen gaan meteen af. Ze hebben bijna een vluchtelingenbestaan als ik ze goed begrijp. Nergens veilig, nergens echt welkom.

Maar goed, terug naar het schip. De ratten laten zien dat ze een binnen en buiten hebben. En hun binnen (aanvankelijk allemaal gangen en holletjes in het isolatiemateriaal) hebben ze nu uitgebreid met in de menselijke woonruimten te komen. “Als het kan, waarom zouden we het dan niet doen?” is hun redenatie. En vanuit hun standpunt begrijp ik dat.

Ik ben het stadium allang voorbij dat ik ontzet of boos of verontwaardigd of beschaamd ben dat zij er ook zijn. We zijn al veel fases verder en er is een soort acceptatie bij me. Dankzij de camera weet ik dat ze heel oplettend zijn: ze kijken aanvankelijk altijd recht in de lens, blijven voorzichtig snuffelend staan tot ze weten dat de camera geen gevaar is. Ik weet hun route langs een kast naar de zaadjes van het geknoeide papegaaienvoer en bedenk me dat ik de kast kan verplaatsen om verwarring te veroorzaken. “Dat kunnen jullie me toch niet kwalijk nemen?” zeg ik ze. “Wij kunnen ons aanpassen,” is het antwoord en ik ben ervan overtuigd dat ze dat inderdaad gaan doen. Dan ga ik via de camera weer kijken hoe ze in de nieuwe situatie reageren.

We komen overeen dat ik wat andere maatregelen ga nemen om ons fort te bewaken en het kan zijn dat daar een kat bij hoort. De hond doet namelijk erg haar best wanneer ze geluid hoort, maar het nadeel is dat ze er luid blaffend op af gaat. De ratjes laten weten dat ik in feite nog steeds geen last van ze heb. En het klopt: ik heb er maar één keer eentje zien wegrennen en er liggen nergens uitwerpselen. Heimelijk heb ik lol want ik denk dat er veel meer dierlijke bewegingen rondom ons zijn dan dat we doorhebben.

 

PS Ik heb een keer iemand aan boord gehad die ook aan ‘ongediertebestrijding’ deed en hij zei meteen dat ze hier niet aan begonnen. In een schip met zoveel kieren en gangen zou het met hun methodes nooit lukken.

Zeven hanen in harmonie

Zeven jonge hanen die vreedzaam met elkaar wonen. Het kan. Ik zie ze regelmatig als ik bij hen op bezoek kom. Tijd voor een gesprekje.

Ik maak contact met de groep en eentje treedt naar voren en stelt zich formeel op als meneer Haan. Oké, ik doe aan het spelletje mee.

Ik geef hem het beeld dat ik het altijd leuk vind om bij de twee huisjes aan te komen waar vrienden wonen. Als hond Sjaan en ik aankomen scharrelen de hanen vreedzaam rond. Ze kijken even op maar gaan dan weer hun gangetje.

“Wij tolereren iedereen hier,” hoor ik meneer Haan met een beetje aangedikte trots zeggen.

“Nou… ik heb gehoord dat er één haan is die wel es een beetje gepest wordt…”, zeg ik hem.

Meneer Haan doet het een beetje lacherig af: “In elke groep is een mindere geest. We bedoelen het niet kwaad, we zetten hem gewoon even op zijn plek.”

Ik denk hoe wij mensen dat doen. Zijn wij eigenlijk niet precies hetzelfde?

Het terrein waar deze hanen rondscharrelen en hun slaaphok hebben sluit aan bij een boerderij waar een groep kippen en een haan rondscharrelen. Er zitten een aantal struiken tussen hen in. De groepen hebben elkaar nog niet ontmoet. Ik vraag de haan of hij weet heeft van de anderen.

Als een generaal zegt hij: “Er zijn andere troepen maar we hebben er geen last van.”

Deze hanen presenteren zich als heren en meesters van het grondgebied waarop ze rondscharrelen. Ik moet inwendig lachen om de jeugdige bravoure en overmoed die ze uitstralen.

“Weten jullie je jeugd nog?” vraag ik. Ik weet dat ze met z’n allen gevonden zijn in een bos. Meneer Haan laat een beetje ongemakkelijk gevoel zien. Iets van weggezet zijn, het alleen moeten zien op te lossen, een beetje aan hun lot overgelaten zijn. Hij lijkt het met een schudden van zijn kop weg te wuiven en laat hun huidige plaats zien: de plek waar ze als een stel jonkheren in hun eigen gecreëerde wereld leven.

Ik gniffel en ben blij dat deze prachtige dieren hier zo vreedzaam kunnen wonen met elkaar. En iets in mij zegt: Zie je wel, het kan wel!

Aan de babbel met kip Maria

Elf jaar geleden werd een witte kip op ons dek gezet. We boden haar twaalf dagen onderdak bij ons in het schip. Uit Het dagboek van Maria:

Vandaag vieren we een verjaardag en Maria lijkt wel het middelpunt in plaats van de jarige. Ze is de hele dag op het speelpodium te vinden waar ik haar kistje als troon heb neergezet (en waar ze nauwelijks op zit). Altijd zitten er jongelui bij haar om haar te voeren en met haar te spelen. Soms gaat ze lekker in een hoekje liggen of wroet ze ontspannen in haar veren.
Iedereen die komt moet lachen om haar, maar gek genoeg verbaast het ook niemand dat er een kip in de kamer zit.

Als ik Maria de volgende dag via de diercommunicatie benader om het feestje te evalueren, krijg ik geen woorden door. Het zijn voornamelijk gevoelens. Alle aandacht tijdens het feestje vond ze erg leuk. Ze vermaakte zich vooral met het samen eten: de kinderen hadden vaak voer op hun hand en er lagen steeds graantjes op het kleed die ze oppikte.
Aanraken en oppakken hoeft niet zo van haar. Het aanraken wat de oudste deed (tegen haar aan ‘pikken’) is taal die ze verstaat. Dus mijn interpretatie dat ik dat pesterig vond, klopt niet. Onze zoon had gelijk: dat is kippentaal.
Het samen doen schijnt voor kippen belangrijk te zijn, dus de hele middag al die activiteit op het speelpodium was inderdaad echt háár feestje.
Via haar zie ik hoe nieuwsgierig kippen zijn en ik zet daar het beeld van kippenhokken naast. Ik zie dat daar veel te weinig gebeurt, hokken zijn al gauw veel te saai.
Maria voelt als een relaxte kip die veel kan hebben. De andere dieren in het schip zijn geen bedreiging voor haar.
Ik vraag haar hoe het is om een ei te leggen en ze geeft me het gevoel dat het een domme vraag is. Je legt gewoon een ei.
Als ik haar het beeld geef van andere kippen, zie ik meteen dat kippen een competitie vormen voor elkaar. Je kunt er dan wel makkelijker mee communiceren, maar op dit moment vindt Maria het wel relaxed zonder andere kippen. Kippen onderling moeten altijd opletten dat ze niks tekort komen, ze moeten altijd alert zijn op elkaar.
Ik ga me wagen aan een ander ‘dom’ onderwerp: het poepen. Daarin is Maria heel helder: het loopt lekkerder als je het kwijt bent.
Als laatste vraag ik haar of ze tevreden is met hoe we haar al vroeg op de avond in de afgedekte kooi zetten. Nu hoor ik wel woorden: ‘Ik ben niet gek, hoor, ik hoor jullie wel.’

Nu we Maria van dichtbij meemaken, wordt duidelijk dat uitdrukkingen niet zomaar uit de lucht gevallen zijn:
– Een graantje meepikken.
– Er als de kippen bij zijn (tijdens het schoonmaken van de grond vanochtend, stoof Maria op me af om het doekje uit m’n handen te trekken en er snel mee vandoor te gaan).
– Het lijkt hier wel een kippenhok (echt waar: één kip is te doen qua geluid, maar ik zou niet graag in een overvol hok met kippen zitten).
– Met de kippen op stok (alhoewel Maria dus niet gek is).
– Van een kale kip kun je niet plukken (Maria heeft gelukkig een rijk gevulde verenpracht die ze keurig verzorgt).

Een brutale aap

Ik ben in India voor vrijwilligerswerk. We lunchen altijd gemeenschappelijk, onder dak maar verder in de open lucht. Er zijn apen op locatie, meestal zie je ze niet maar hoor je ze wel. Enkele dagen terug werden we tijdens de lunch gestoord door twee apen, waarvan de jongste, ineens op tafel sprong en bij iemand de banaan naast zijn bord weggriste en rustig opat voor hij verder ging. Dit heeft geleid tot onrust, het lunch buffet wordt niet meer uitgestald, je krijgt nu een opgeschept bord als lunch. Dat komt omdat de aap weet dat het eten om twaalf uur klaar staat en hij zit te wachten. Het plaatselijke personeel zit al met een stok klaar om ons tegen de brutale aap te beschermen. Vandaag werd besloten dat er morgen enkele rotjes naar de apen worden gegooid als ze zich morgen weer laten zien. Daar heb ik moeite mee, dus besluit ik contact op te nemen met de apen, kijken of dat lukt.

M: Dag apen, kunnen we even praten?
A: Ja, is mogelijk, wat wil je?
M: Jullie waarschuwen dat als jullie morgen komen, de mensen jullie willen wegjagen.
A: Waarom willen ze dat doen?
M: Omdat jullie, terwijl we aan het eten waren ineens een banaan van tafel hebben gestolen.
A: Ho, ho, niks stelen, die lag daar gewoon en wij waren sneller.
M: Zo kun je er ook naar kijken, maar de mensen die daar koken vonden het niet gepast. Je kunt niet zomaar iets van iemand afpakken.
A: Maar dat deden we niet, we namen iets wat we graag eten mee. Jullie eigenen je alles toe en als wij er dan van nemen noemen jullie dat afpakken. Maar eigenlijk zijn die bananen van iedereen en wij eten er ook graag van. Jullie pakken het juist van iedereen af en je zou je moeten schamen.
M: Ik vind dat een hele knappe omkering van zoals mensen het voelen. Maar om terug te komen op mijn punt van het begin, ze willen jullie daar niet meer zien en als jullie toch morgen komen, dan worden jullie verjaagd met hele harde knallen.
A: Bah, dat is erg onaardig. En daar houden we niet van als jullie gevaarlijke knallende dingen naar ons gooien.
M: Dat begrijp ik, daarom wil ik jullie waarschuwen daar voorlopig niet meer te komen. Er zijn genoeg andere plaatsen waar je een banaan kunt scoren.
A: Waarom waarschuw jij ons?
M: Omdat ik jullie eigenlijk best wel leuk vind.
A: Waarom geef jij ons dan niet je banaan?
M: Dat is een logische vraag, maar het antwoord is dat kan ik niet doen. Want dan komen jullie toch in de buurt en gaan ze jullie toch met knallen verjagen en dat wil ik jullie niet aandoen.
A: Maar je kunt toch wel een stukje verderop een banaan voor ons neerleggen?
M: Tjonge wat zijn jullie slim. Maar de bedoeling is juist dat jullie gaan verhuizen naar een andere plek waar jullie ons niet lastig vallen. En ik ben over enkele weken weer weg en dan ligt er geen banaan meer voor jullie terwijl je er net aan gewend bent.
A: We willen wel een deal met je maken. Jij legt morgen een banaan een stuk verderop en wij komen niet tijdens de lunch langs.
M: Jullie hebben mij klem. Ik wil jullie helpen dat je niet op een nare manier weggejaagd wordt en nu moet ik jullie gaan voeren. Ik wil wel meegaan in de deal maar dan anders. Ik leg een banaan voor jullie neer, een tijdje voor de lunch en daarna gaan jullie gewoon verder naar een andere plek waar je de mensen van de keuken niet meer lastig valt.
A: Maar omdat jullie mensen al het algemene eten voor jullie zelf houden, moeten wij slim zijn om ons eten bij elkaar te scharrelen. En jullie hebben het daar gewoon liggen. Wij willen ook niet rot doen, we nemen graag jouw aanbod van het neerleggen van een banaan aan.
M: OK en dan zien we jullie een tijdje niet meer?
A: Dat blijft afwachten, maar bedankt voor de waarschuwing.

We zijn nu twee weken verder en de apen zijn er af en toe nog maar hebben geen bananen meer gestolen van tafel. En het buffet staat weer gewoon opgesteld. Dus de vraag aan de apen waarom ze nog wel steeds in de buurt blijven.

M: Dag apen, waarom blijven jullie steeds in de buurt?
A: Omdat het zo uitdagend is.
M: Wat bedoel je daarmee?
A: Er ligt van allerlei lekkers en dat trekt ons wel en dus blijven we in de buurt.
M: Maar we hadden toch afgesproken dat jullie ons met rust zouden laten?
A: Je hebt ons afgekocht met één banaan, wat vind je zelf, is dat voldoende? Of mogen we nog even pesten en jullie op stang jagen?
M: Is dat het wat jullie doen?
A: Ook. Maar als we de kans krijgen om iets te pikken zullen we dat doen. Maar we zullen niet meer iets van tafel pikken terwijl jullie zitten te eten, dat hebben we afgesproken.
M: Dat hebben we afgesproken en ik ben blij dat jullie je daar aan houden. Dank jullie wel.

Eend Emma

Ik wil weer eens contact maken met de eend die altijd aan boord komt. “Noem me maar Emma,” hoor ik meteen. “Ah nee, ik hou er niet van om je een naam te geven! Hoe kom je daar nou weer bij?” Op dit soort momenten twijfel ik er sterk aan of de informatie van het dier komt. Is het niet te menselijk om een naam te geven en te hebben? De eend blijft volhouden dus ik geef toe: het wordt Emma vanaf nu.

Ik weet dat Emma twee keer een nest gehad heeft. Het eerste nest was achter op het schip, op de roef, tussen gras wat daar groeit. Emma kwam tijdens het broeden soms heel snel even wat zaad eten en dan vloog ze meteen terug naar het nest. Op een dag lagen er zeven kapotte eierschillen. “Ze waren niet goed,” zegt Emma, “te dun.” Ik kan niet terugvinden op internet of dit inderdaad zo is of dat ze de eieren toch heeft laten afpakken door vogels of ratten. Het tweede nest had volgens haar vollere eieren. Waar ze dat nest had weet ik niet maar op een dag kwam ze weer even razendsnel aan boord eten terwijl negen piepkleine eendjes op een kluitje aan de waterkant wachtten tot moeder terug was.

Binnen vijf dagen kwam ze weer op haar gemakje eten: alle eendjes waren weg. Ik vraag haar daar naar en krijg het beeld dat het niet leuk was. Ze was druk met opletten en zorgen maar “ze verdwenen gewoon”.

Ik laat Emma in beeld zien dat haar vriend zeer regelmatig aan boord was in de tijd dat zij afwezig was. Het is een heel aangename eend, bescheiden. Emma laat me zien dat zij tweeën een soort vanzelfsprekendheid zijn. En zo ziet het er ook uit als ze samen zijn.

Ik vraag haar naar de andere eenden die ook aan boord komen. “Zij hebben grote monden,” vindt Emma. Ze vertrekt als zij met veel bombarie komen omdat ze geen zin heeft in hommeles. Het is ook de reden dat ik vaak op meerdere plekken wat voer neerleg voor Emma en haar vriend want dan hebben ze uitwijkmogelijkheden als ‘de gangsters’ ook komen eten.

Het verbaast me wel eens dat Emma haar toevlucht aan boord zoekt. “Het biedt een beetje bescherming,” laat ze me weten. “Andere eenden zijn banger aan boord. Dat maakt het voor mij veilig.” Emma, met haar vriend in haar kielzog, is inderdaad een vertrouwd beeld aan boord. “Je mag wel groter voer neerleggen,” sluit ze af. Ik protesteer wat van binnen: de kleinere vogels eten ook mee, hoe ga ik dat dan weer allemaal regelen?

Na afloop zoek ik de betekenis van Emma op: Geweldig, groot. Nou, dat is ze!

Pulletje

Bij een vriend van me zijn er pulletjes geboren, eenden kuikens, op het terras van zijn drijvende huis. Ze waren erg trots op het uitkomen van de eieren en de jonge pulletjes die ineens op het terras verschenen en daarna één voor één naar benden sprongen om in het water te geraken.

M: Dag pulletjes, met wie van jullie mag ik spreken?
P: Ik ben beschikbaar.
M: Wie ben jij dat je beschikbaar bent? Kom jij van het dakterras en sta je op de foto?
P: Ja, ik sta op de foto en ben de voorste met de gele buik. Wat wil je weten?
M: Ik wil een beetje snappen hoe jouw leven begonnen is en hoe het nu, enkele dagen later is. Kun je me daar iets over vertellen?
P: Ja, dat kan. Ik heb een tijdje, net als de anderen in een ei gelegen onder de warme veren van mijn moeder. Dat was een fijne plek, maar het werd wel steeds krapper en uiteindelijk moest ik wel het ei kapotmaken omdat ik er gewoon niet meer in paste.
M: Zat je van het begin af aan in het ei of ben je er later in gekomen?
P: Ja wat later. Maar ik weet ook niet hoe dat gegaan is. Ineens zat ik in dat ei, terwijl ik een tijdje daar voor nog aan het overwegen was wat ik wilde. Ik denk dat ik keuzes had, maar weet dat niet meer zeker. Ik weet als belangrijkste dat ik ineens in dat ei zat en dat het best aangenaam was, tot het te krap werd. Ik ben eruit gegaan en merkte dat mijn broertjes en zusjes er ook uit kwamen, dat was niet allemaal tegelijk, maar toch wel binnen enkele uren waren we er allemaal uit. En toen vloog mijn moeder ineens weg en lag ze diep beneden in het water te roepen.
M: Hoe voelde dat dat je moeder ineens weg was en jullie riep om te komen?

We waren eigenlijk allemaal een beetje in paniek. Wat moesten we nu doen?

P: Dat was raar. We waren eigenlijk allemaal een beetje in paniek. Wat moesten we nu doen? Ik sta hier wel voorop, maar ben eigenlijk niet de held van de familie. Dus liepen we een beetje zoekend naar de rand van het platform waar we op zaten. En daar helemaal beneden riep onze moeder dat we moesten komen. We liepen aan de rand van het platform/terras en zagen moeder in het water liggen, maar hoe kom je daar? Een paar dappere zusjes sprongen naar beneden en flapperden met hun stompjes, maar dat hielp niets, ze vielen gewoon in het water. Na enkele aanlopen viel ik ook over de rand en flapperde ik ook hopeloos met mijn stompjes. Maar gelukkig was de landing in het water eigenlijk best wel goed en ik maakte dat ik bij mijn moeder kwam. Tot mijn verbazing kon ik met mijn pootjes niet alleen lopen maar minstens zo goed zwemmen en zo konden we allemaal achter moeder aan zwemmen. Op sommige plekken mochten we wat vrijer zwemmen en slobberen in het water en dan blijven er stukjes eten in je snavel achter. Zo kunnen we ons vanaf de eerste dag zelf voeden. Dat is wel wennen, maar ook wel leuk dat zelf naar eten zoeken. Maar er is ook gevaar op alle onverwachte plekken. Er zijn grote bruine beesten die uit het water komen en je pakken en dan verdwijnt er een broertje of zusje of er zijn ook vogels die je proberen te pakken. Je moet dus goed opletten en vooral ook in de buurt van moeder blijven. Soms heb ik wel de neiging me te verliezen in dat wat ik aan het doen ben, maar dan roept moeder ineens een waarschuwing dat je moet komen en dan zwem ik heel hard naar moeder toe. Maar helaas zijn we al met minder dan toen we begonnen.
M: Dank je wel voor dit mooie verhaal. Ben jij nog wel in leven?
P: Ja, ik ben gewoon in leven en dat wil ik ook blijven dus pas ik goed op.
M: Wil je nog iets zeggen of was dit het?
P: Dank je wel aan mijn stiefouders van de huisboot voor de gastvrijheid.

230502

De eenden aan boord

Ik wil weer eens babbelen met de eenden aan boord. Waar er eerst een aantal kwamen, is het nu al wekenlang behoorlijk rustig en zijn het steeds twee dezelfde eenden.

“Moeten we alweer praten?” hoor ik als ik contact maak. Ik begrijp dat het een menselijke behoefte is van mij en zowel verontschuldigend als verdedigend leg ik uit dat ik het intrigerend vind hoe zij leven.

“Wat dan?”

“Nou, jullie gefixeerdheid op het schip bijvoorbeeld.”

De eenden laten zien dat het hetzelfde is als eenden in een park en mensen die komen voeren: het is heel makkelijk binnenhalen. Dat begrijp ik meteen en zoals het gaat in een contact met dieren volgt er geen verdere uitleg of blabla.

“Hoe zit het met de andere eenden?” vraag ik. “Waarom zijn alleen jullie twee er nog?”

“Wij settelen,” klinkt het stellig.

Het klopt inderdaad dat dit vrouwtje en dit mannetje de enige trouwe bezoekers zijn. Eigenlijk voelt het niet als bezoekers maar als mede-scheepsbewoners want ze zijn er altijd. Of op het schip of in het water rondom het schip. Als ik vanaf het pad aan de wal kom aanlopen zien ze me al en vliegen ze uit het water om als eersten op het schip te zijn.

Ik merk op dat het voelt alsof het vrouwtje de leider is en het mannetje volgt. Dat beamen ze en ze laten zien dat ze samen sterk zijn.

“Ga jij dit jaar aan boord een nest maken?” vraag ik het vrouwtje. “Ik ben wel aan het onderzoeken,” hoor ik en het klopt inderdaad dat ik haar op het begroeide dak van de roef heb zien scharrelen en zitten. Het zal haar eerste nest zijn omdat ze nog geen jaar oud is en ik vraag me af hoe ze dat gaat doen. Meteen geeft ze me door dat ze er naar uit kijkt en ze weet gewoon dat ze het kan.

“Hoe is het deze winter met je tong gegaan?” wil ik weten. Het vrouwtje laat meteen weten dat ik zit te zaniken over het feit dat haar tong uit haar snavel hangt. “Rustig maar, het is voor mij alleen maar makkelijk dat ik je daar aan kan herkennen. Anders haal ik jullie door elkaar.”

Ik laat het beeld zien dat ik twee mannetjes een keer heb zien vechten aan boord en dat ik dat er heftig aan toe vond gaan. Als ik de reactie van dit mannetje voel heb ik sterk de indruk dat hij degene is die is weggevlogen. En dat bevestigt weer mijn gevoel dat dit mannetje niet zo heel sterk is, zelfs een beetje een bangerd.

“Jullie krijgen hier wel steeds eten, maar jullie weten toch wel dat je eigenlijk voor jezelf moet zorgen, hè?” communiceer ik in beeld. “Jaja, dit is extra, dat weten we.” Dan is het goed. Anders ga ik me er nog verantwoordelijk voor voelen om ze in leven te houden.

Ik ga deze eenden dit voorjaar met belangstelling volgen. Ik zal niet te vaak contact opnemen, maar toch nog wel een keer.

Koe in de wei

M: Beste koe, kunnen we weer een keertje praten? Laatst wilde jij graag praten maar kwam het mij niet uit, past het jou wel nu?
K: Jawel. Ik sta hier toch alleen maar te staan en maak me niet druk zoals jij dat doet.
M: Daar heb je gelijk in, mensen maken zich steeds druk omdat ze van alles willen en vinden dat ze dingen moeten doen.
K: Ja en daarom hebben ze nooit tijd om gewoon te leven in het nu.
M: Doe jij dat wel?
K: Ik leef uitsluitend in het nu, waarom zou je het anders willen? Ik sta hier gewoon in de wei, samen met mijn maatje en we hebben een goed leven. We hebben ruimte, krijgen aandacht van voorbijgangers en krijgen ons eten dagelijks in de winter en in de zomer kunnen we heerlijk grazen in dezelfde wei. We hebben ook beschutting en alles wat we nodig hebben. Mij hoor je niet klagen.
M: Denk je wel eens over je toekomst na?
K: Nee, waarom zou ik. Ik weet wat er gaat gebeuren over enkele jaren of over een tijdje. Mensen houden koeien zoals wij tweeën zijn voor de vacht en het vlees. Dus op een gegeven moment eindigt ons leven en worden we opgegeten en een bank of een stoel of kleding.
M: En daar maak je je niet druk om?
K: Nee, waarom zou ik. Ik kan er toch niets aan veranderen en het komt zoals het komt. Dus leven we gewoon zoals we nu leven. We staan in de wei, zien mensen en jou, langs komen en eten op onze tijd, drinken op onze tijd, wachten op onze tijd en kuieren wanneer we daar zin in hebben.

Ik kan er toch niets aan veranderen en het komt zoals het komt. Dus leven we gewoon zoals we nu leven.

M: Dus je bent wel tevreden met je leven, ondanks dat je weet dat je over een tijdje dood moet?
K: Moest dat laatste er nu bij? Ja, we zijn tevreden met ons leven en daar genieten we nu van. Zou jij ook eens moeten doen.
M: Die sneer hoefde nu ook weer niet.
K: Gelijke munt of zoiets is dat. Grapje dus.
M: Wil je nog wat zeggen?
K: Je mag wel vaker een praatje maken, iedere dag langslopen wordt saai als je niet ook eens stopt en gezellig doet.
M: Je hebt gelijk. Tot ziens weer en dank je wel.
K: Graag gedaan.
230130

De kat en de eekhoorn

Ik krijg de vraag of ik een kat duidelijk wil maken dat hij de eekhoorns in de tuin in leven moet laten. Dat is best een lastige want ik kan niet garanderen dat de kat dat gaat doen. We komen overeen dat ik met de kat in gesprek ga en dat ik het voor AnimalTalks mag gebruiken.

“Wat kom jij doen?” is het eerste wat ik hoor van Pablo. Ik leg uit waarom ik kom ‘invliegen’ en hoor: “Guttegut, kan ze dat niet zelf?”

We zijn het gesprek net begonnen en ik realiseer me dat ik eerst naar het toilet had moeten gaan. Pablo pakt het meteen op en laat zien hoe hij een gat in de grond maakt, zijn behoefte doet en het met zijn achterpoten dichtgooit. Ik zeg dat ik wel even wacht. “Mensen wachten daarmee. Dat is zo stom. Het zorgt voor problemen. Maar dat moeten jullie zelf weten.” Dat vind ik ook en ik zeg hem dat we het nu over een ander onderwerp gaan hebben.

Ik wil het over het jagen van hem hebben en hij laat zien dat hij daar erg goed in is. Maar meteen krijg ik de vraag waarom ik het jagen noem. Het brengt me wat in verwarring. Kennelijk heb ik een negatieve lading bij het woord jagen die hij eruit pikt. “Ik zie bewegingen, ik hoor wat, ik ben gespitst en de lol is het te pakken,” legt hij uit. Hij laat zien dat het een soort krachtmeting, een uitdaging is. En een eekhoorn is juist leuk om op te jagen: hij klimt maar kan niet vliegen.

Ik zeg hem dat hij vorig jaar een eekhoorn te pakken had en Pablo laat zien dat hij dat goed gedaan had. Ik zit in mijn praktijkruimte en op de gang wordt gepraat waardoor ik afgeleid ben. “Concentratie is niet je sterke kant,” merkt Pablo op. Hij laat zien dat hij zich wél goed kan concentreren: hij observeert, kijkt naar de eigenschappen en gewoonten en springt daarop in.

“Okee,” zeg ik, “dan nu naar de eekhoorns.” “Die leven alsof ze geen vijanden hebben,” zegt Pablo meteen. Gek genoeg val ik over het woord vijand. Wat houdt dat in? Pablo vindt dat een vijand iemand is die een ander van vrijheid berooft. Iemand die iets wil afpakken.

“Ze zijn niet alert,” gaat hij verder over de eekhoorns. “Ze voelen zich heer en meester.”

Ik vertel hem dat ik zeker geloof dat hij goed is in het vangen van eekhoorns en het ook leuk vindt, maar dat hij ook te maken heeft met zijn mens. “Dat is sentiment van haar,” reageert hij meteen. Sentiment, weer zo’n woord waar ik over ga nadenken. Het levert me meteen weer een opmerking op van Pablo: “Je bent alweer afgeleid.”

Ik herpak me en zal na het gesprek de woorden opzoeken op hun precieze betekenis. Ik vertel Pablo dat er in de wijk vast veel katten zijn maar weinig eekhoorns. “Mensen hebben er plezier in om naar die diertjes te kijken.” “Wat is nou je vraag? Waar wil je naartoe?” onderbreekt hij me.

Okee, to the point. “Ik begrijp dat je het leuk vindt om ze op te jagen, ze schrik aan te jagen. Maar laat het daar dan bij. Laat ze gewoon in leven. Er is al zoveel van dat zinloze doodmaken op de wereld.”

Ik vraag Pablo of hij het voor zijn mens wil doen. “Dan moet zij mij eerst complimenten geven dat ik goed kan jagen.” Dat zal ik doorgeven. Pablo realiseert zich dat hij zelf ook langer plezier heeft van eekhoorns als hij ze niet uitschakelt. Ik dank hem voor het gesprek en krijg nog even te horen: “Let jij maar wat meer op je focus.”

Ik overleg nog even met hem dat ik de stadseekhoorns ga waarschuwen voor katten en vertel hem dat ik voor de privacy van hem geen foto van hem op de site zet maar een algemene foto van een eekhoorn ga zoeken. “Zet dan wel mijn echte naam erop,” is zijn ‘bevel’.