Berichten

Tirza 4: Mijn eerste gesprek met Tirza

Dit is een gesprek met Tirza van langer terug, mijn eerste gesprek met haar en voor mij een oefening van hoe dit werkt met dierengesprekken. Tirza is wat verward en snapt het systeem van praten met elkaar niet.

M: Lieve Tirza, het is mogelijk op deze wijze met elkaar te praten, vind jij dat goed?
T: aarzelend ja, ja …
M: Wees gerust, je mag gewoon op je stoel blijven liggen, zo kunnen we praten, je hoeft niet naar me toe te komen.
T: Ja, ik mis Jasper ook heel erg, hij is er wel, maar ook weer niet, ik kan hem niet zien en ruiken, maar wel voelen en dat snap ik niet, hoewel ik het wel accepteer. (Jasper is onze onlangs overleden hond, we missen hem allemaal heel erg)
M: Helpt het dat ik je laat zien dat het stoffelijk deel van Jasper dood is gegaan, niet opgegeten, maar door ziekte dood en dat we hem hebben begraven?
T: Sorry dat ik tussendoor kwam met dat opeten, honden gaan dus zo niet dood. (Tirza denkt dat dood gaan gebeurt omdat je wordt opgegeten door een ander dier)
M: Nee, het was verkeerd in zijn hersenen en toen kon hij niet meer lopen en was hij erg angstig en de dood was een bevrijding voor hem. Nu kan hij veel meer doen en makkelijker bij ons zijn, maar hij gaat ook naar zijn eigen plekjes toe, daarom voel je hem soms wel en soms niet.
M: Kunnen we al over de muizen praten?
T: Nee nog niet, ik wil deze ‘dood’ eerst begrijpen, je hebt me voor nu voldoende verteld, ik ga weer slapen.
M: Dank je wel voor het gesprek.
T: Prima tot de volgende keer.

De muis die het niet redde

Ik verbaas me erover dat de dieren continue om me heen zijn en dat ik er eigenlijk helemaal niet apart voor moet gaan zitten om gesprekken te voeren. Nadeel van dit is dat ik natuurlijk geen aantekeningen kan maken en dat het vluchtige gesprekken zijn, maar het contact maken is eenvoudig. Ik loop in het bos en denk aan de muis die Tirza voor ons op de vensterbank had achtergelaten toen ik haar midden in de nacht binnen liet.

M: Muis vond je het niet erg om te sterven?

m: De kat won, ik had pech.

En zo accepteert de muis dat hij het niet heeft overleefd. Ze vond het best een eerlijke strijd. 

De nertsen (2)

Het vorige gesprek met de nertsen was al afgesloten toen ik me bedacht dat ik het juist over de ruimingen wilde hebben.

Eigenlijk was het in het gesprek al duidelijk toen de woordvoerende nerts doorgaf dat de dood een zegen is.

Toch ga ik kijken of er nog meer over te zeggen is.

Het mannetje, Jacob, komt weer naar voren en zegt: “Ik ben een spreekbuis, hè?”

Dat beaam ik en ik laat zien dat ik dat zeer waardeer.

Ik geef hem het beeld van ziekte, in dit geval corona, die de stal treft.

“Wij zijn weerloos. We kunnen niet weg.”

Hij geeft me het idee dat als ze in vrijheid zouden leven en er zou onraad zijn op wat voor manier dan ook, dat ze dan een andere plek kiezen.

In deze kooien in stallen kunnen ze inderdaad niet zelf kiezen of ze willen blijven of niet. Ze moeten blijven.

Wat is welzijn?

Dat roept bij mij de vraag op hoe het met zieke of zwakke dieren op stal gaat. Volgens de woordvoerder worden die afgevoerd. Het beeld komt boven van het beoordelen van fruit waar de beurse of rotte appel wordt weggegooid.

Na het vorige gesprek heb ik me een beetje ingelezen in de nertsenfokkerij wereld. Ik las dat iemand zei dat de dieren het goed hadden bij hem omdat hun vacht er goed uit ziet. Dit leg ik de nerts voor.

“Een goede vacht heeft niks te maken met welzijn,” is zijn reactie.

Hmmm, daar heb je weer zoiets. Wat is welzijn?

“Welzijn is leven naar je aard,” helpt de nerts me.

Hij vervolgt met te zeggen dat hun lijf los staat van henzelf. Ze trekken zich als het ware terug in zichzelf (zie deel 1).

“Maar ik neem toch aan dat jullie wel reageren als er iets gebeurt?” vraag ik. Hij laat zien dat reacties op gebeurtenissen verschillend kunnen zijn: actief of juist passief. Maar beiden zijn niet natuurlijk omdat er niet veel mogelijkheden zijn in zo’n kleine kooi. Ik begrijp dat het wegschieten en het verschuilen niet tot de mogelijkheden behoort, dus ja, dan is de keus van reageren beperkt en onnatuurlijk. Dat begrijp ik.

Ik geef hem het beeld dat mensen kleren dragen van hun vacht

We gaan even terug naar de vacht en de nerts zegt dat ze koopwaar zijn.

“Er wordt alleen gekeken naar de buitenkant.”

Ik geef hem het beeld dat mensen kleren dragen van hun vacht.

“Dat hoeft niet meer,” vindt de nerts. “Vroeger was dat noodzakelijk voor mensen en we waren dienstbaar naar mensen. Dat was de tijd dat het voor de mensen noodzakelijk was zich te kleden in onze vellen. Nu zijn er alternatieven.”

Nu gaan we eindelijk naar de ruimingen toe zoals die op verschillende fokkerijen plaatsvinden.

Net als de geiten in tijden van de Q-koorts laat de nerts zien dat de daadkracht waarmee alles gedaan wordt niet fijn is. Er heerst haast een ‘onverbiddelijke sfeer’.

Ik kan me vanuit mijn menszijn voorstellen dat er bij degene die moet ruimen een ‘klep’ voor gaat: niet nadenken, maar doen. Ik denk dat dat de daadkracht is waarover de dieren het hebben.

“En de dood?” vraag ik.

“Dan mag je van het een naar het ander. Je mag je lijf uit en bent vrij.”

De nertsen (1)

De kunst van het communiceren met dieren is om je eigen oordelen aan de kant te zetten. Soms is dat niet makkelijk want ik vind natuurlijk best wel iets van bepaalde dingen.

Helaas moet ik toegeven dat sommige leefvormen waar dieren in gepropt worden me zo aan het hart gaan dat ik het graag negeer.

Zo vergaat het me ook met de nertsen.

Maar gezien de ‘ruimingen’ vanwege corona vind ik dat ik de dieren toch moet benaderen om hun kant van het verhaal te horen.

Er is geen partnerkeus

Ik stel me in op de nertsen in het algemeen in Nederland en meteen krijg ik een beeld en gevoel van een trechter: de dieren worden vanuit de ruimte die ze eigenlijk nodig hebben, via een trechter bij elkaar geperst.

Een overmatige stank/geur dringt zich aan me op en een kakafonie aan energie.

Energie die geen kant op kan. Alles knalt tegen elkaar op.

Bijzonder verwarrend en beknellend.

Ik vraag of er één woordvoerder naar voren kan komen en een mannetje, die zich Jacob noemt, treedt naar voren.

Het is altijd even zoeken waar we het over kunnen gaan hebben en al zoekend komt het beeld naar voren dat de voortplanting haast aanvoelt als een verkrachting. Er is geen partnerkeus. Het hele gebeuren gaat dwars door grenzen heen. De dieren voelen zich gebruikt.

Vervolgens komt het beeld dat de ouderrol niet goed vervuld kan worden. Er kan geen juiste verzorging plaatsvinden en er kan niet naar voedsel gezocht worden, iets wat een heel natuurlijk iets is dat een ouder voor zijn/haar jongen doet.

Ik krijg de indruk dat de jongen vroeg weggaan bij de moeder.

En dat de nieuwe cyclus weer start waardoor de productie van jongen uitgebuit wordt.

De kakafonie aan energie speelt de hele tijd door op de achtergrond. Energieën die te dicht bij elkaar zitten, waar geen uitweg in gevonden kan worden.

“De dood is een zegen,” hoor ik dan.

Het nerts-wezen, schiet het door me heen

Het geheel geeft mij het gevoel dat de nertsen niet de wezens kunnen zijn zoals ze bedoeld zijn. Het maakt me verdrietig en leeg en onbewust stel ik de vraag hoe ze het leven volhouden.

“Diep van binnen zit onze kern. Ons wezen. Die kern blijf onaangetast.”

Het nerts-wezen, schiet het door me heen. Veiliggesteld door de nertsen zelf. Hun eigen innerlijke kracht en eigenheid waar geen opsluiten in kooien en geen misbruik van hun leven aan kan komen.

“Ik heb eens met koeien gesproken,” zeg ik tegen de nerts, “en die gaven aan dat ze het oké vinden om uiteindelijk tot vlees te dienen. Bij jullie zie ik die aanvaarding niet. Kun je me daar wat over vertellen?”

“Het is een heel ander proces,” aldus de nerts. “Wij hebben een heel andere verhouding tot de mens. Mensen zijn afgeschermd, afgestompt voor ons.”

Dan laat hij weer die kern zien, dat nertsenwezen dat ze kennelijk zo mooi afschermen.

Maar door die afscherming is er ook geen verbinding met hun lijf. In feite zitten ze zo dicht op/in hun kern dat hun lichaam ver weg voelt.

Ik begrijp dat het een soort zelfbescherming is. Maar het verbaast me dat ze dan wel eten en drinken en paren en jongen voortbrengen.

“Dat is op instinct,” verduidelijkt de nerts. “Het gaat hier niet om motivatie of levenslust.”

In mij rijst kennelijk de vraag wat ze van het nertsenleven vinden zoals dat nu geleefd wordt.

“Ga zelf in een kooi. Dan weet je het antwoord.”

De kraai wiens tijd het was

“Ik heb wat voor je!”

Ik doe de deur open en er wordt me een kraai in handen geduwd. Het diertje beweegt amper, heeft wel de ogen open, maar protesteert op geen enkele manier. Dan is die ver heen.

Het dier zat op de weg en de automobilist is gestopt en heeft hem meegenomen naar mij toe. We vermoeden dat hij is aangereden, alhoewel hij er niet gewond uitziet.
Ik pak een kooi en leg de kraai op een bedje van hooi. Contact maken lukt niet. Het draait hem steeds in z’n koppie waardoor hij zijn aandacht niet kan focussen op een gesprek.

Ik ben in de kamer wat aan het rommelen en op een gegeven moment hoor ik een geluidje. Het blijkt de laatste adem te zijn.
Nieuwsgierig als ik ben, kijk ik of ik nu wel contact kan krijgen. In mijn beeld zie ik de kraai omhoog vliegen en steeds lichter worden, zowel qua kleur als energie. Ik wil met hem mee en volg hem omhoog. Maar het is duidelijk dat hij naar een gebied gaat waar ik niet heen kan. Ineens lopen de tranen me over de wangen: ik wil mee naar die vredigheid waarin hij zich begeeft!

 “Het is jouw tijd nog niet!”

Dan stopt de kraai, komt terug naar het niveau tot waar ik kon komen en zegt: “Het is jouw tijd nog niet!”

“Maar het is daar zo mooi…” piep ik.

We raken aan de klets. De kraai vertelt dat hij inderdaad is aangereden. Ik vind het niet bij kraaien horen om zich te laten aanrijden.

“De kou maakt onvoorzichtig,” verontschuldigt hij zichzelf.

We kletsen wat door, tot hij op een echte kraaienmanier zegt: “Zeg, ik hoef hier toch niet te blijven omdat jij niet mee kan?!”

Nee, natuurlijk niet, dat is niet de bedoeling. Dus ik bedank hem voor het gesprek en hij vertrekt.

Ik zit aangeslagen op mijn stoel. Dat heeft er even flink ingehakt! Dan gaat de telefoon. Een vriendin belt om te vertellen dat ze er twee weken geleden is uitgepikt bij het bevolkingsonderzoek, er meerdere tumoren zijn ontdekt, alles razendsnel gegaan is en ze over vier dagen een borstamputatie krijgt. Ik vertel haar van de kraai en mijn wens om met hem mee te gaan.

“Dat begrijp ik,” zegt ze, “Ik ben ook niet bang voor de dood. Maar het is mijn tijd nog niet.” Helemaal goed, dan blijven wij allebei nog terwijl de kraai in andere oorden vertoeft.