straatkalf in India aangereden

Ik ben momenteel voor mijn werk in India en daar is een dierenkliniek die geheel door vrijwilligers gerund wordt. Enige jaren terug was het een kleine kliniek, nu is het een groot complex geworden en werken er 38 vrijwilligers waarvan drie dierenartsen onder de bezielende leiding van Shravan Krishnan. Ik zag daar een kalf hangen in een soort hangrek en ben met haar in gesprek geraakt.

M: Dag kalf, denk je dat we kunnen praten?
K: Dat hebben we al gedaan, dus ga gerust verder.
M: Ja, ik weet dat ik bij je op bezoek was en zachte woordjes tegen je gesproken heb, maar nu wil ik echt een diepgaand gesprek met je voeren als dat kan.
K: Dat kan, wat wil je weten?
M: Je maakt een erg depressieve indruk, is dat omdat je depri bent of omdat je je schikt in je lot zoals je er nu bij ‘staat’.
K: Ben je altijd zo moeilijk? Ik ben hier opgehangen en kan niets, ze moeten mijn eten om mijn hals binden zodat ik het kan eten en dat geldt voor het drinken ook. Daar wordt toch niemand blij van?
M: Nee, dat begrijp ik wel, ik wilde je niet iets aanpraten, maar je voelt zo moedeloos.
K: Ja, ik ben aangereden door een hele grote massa, dat noemen jullie een bus en ze hebben me gewoon laten liggen. Het deed en doet erg pijn en ik lag langzaam te accepteren dat ik dood zou gaan. Maar toen hebben mensen me opgehaald en hierheen gebracht en hier hebben ze mijn poten weer aan elkaar gezet voelt het, maar ik kan er niet op staan, daarom hang ik anders zou ik moeten liggen en dan is dit de betere oplossing. Maar aangenaam is het niet echt.

Het deed en doet erg pijn en ik lag langzaam te accepteren dat ik dood zou gaan.

M: Was je dan liever dood gegaan?
K: Dat weet ik niet. Misschien kan dit nog wel wat worden, maar zo hangen vind ik geen aangenaam leven.
M: Weet je hoe het verder gaat? Hebben ze je dat verteld?
K: Wie zou dat moeten doen? Jij bent de eerste die met me praat en daar knap ik wel van op, kan ik even vrijkomen van mijn onverschilligheid.
M: Ik verwacht dat je weer beter wordt met je poten, hoewel je misschien wel altijd een beetje mank zult lopen, maar je kunt vast weer gaan lopen en dan mag je weer rondscharrelen als je weer beter bent en heb je je vrijheid weer terug.
K: Vrijheid is wel fijn, zelf bepalen waar ik heen zal gaan en me aansluiten bij enkele andere zwervende koeien, want dit is erg eenzaam. Er liggen wel af en toe kalfjes in de hokken om me heen maar ze zijn toch te ver weg voor mij. Ik kan ze wel ruiken, maar wij maken graag contact door er dicht met de neus tegenaan te staan en misschien ook wat te likken. Zo hangend kan ik dat allemaal niet en is het eenzaam.
M: Maar dat gaat dus wel goed komen verwacht ik. Hoe was jouw leven voor je een ongeluk kreeg? Wil je dat vertellen?
K: ik was met mijn moeder en nog een aantal andere een groep koeien en we wandelden door de straten en kregen hier en daar wat eten of scharrelden dat bij elkaar, niet echt een moeilijk leven, hoewel we soms ook wel honger hadden, maar nooit lang. De drukte om me heen kon ik me best goed voor afsluiten en toen ineens boem en lag ik met veel pijn op de grond en kon ik niet meer opstaan. Ook mijn moeder kon me niet overeind duwen, ik kon alleen maar liggen. De troep is na een tijdje verder getrokken en heeft mij achter gelaten, dat was moeilijk maar onvermijdelijk. Een dier dat niet meer kan lopen kan ook niet meer eten, want het eten moet je opzoeken. Dus moest de troep wel verder en mij achter laten om dood te gaan en dat had ik geaccepteerd. Het liep anders en dat weet je nu. Hier ben ik.

De troep is na een tijdje verder getrokken en heeft mij achter gelaten, dat was moeilijk maar onvermijdelijk. Een dier dat niet meer kan lopen kan ook niet meer eten, want het eten moet je opzoeken.

M: Je vond het dus best wel moeilijk dat de troep verder moest gaan.
K: Ja, dat was moeilijk, maar zoals ik al zei, onvermijdelijk. En ik had het geaccepteerd.
M: Zie je nu wel weer het licht als je denkt dat je uit deze hangmat kunt komen en dat je dan weer kunt lopen en je eigen weg zoeken?
K: Ja, dat zie ik wel zitten.
M: Minder depri nu?
K: Zijn er meer mensen waar je mee kunt praten?
M: Je weet nu hoe het werkt, je geeft beelden door in iemands hoofd en misschien is er iemand die daarop reageert, maar ik weet niet of die bij jou in de buurt zijn. Wil je nog iets zeggen?
K: Wil je alsjeblieft mij nog af en toe bezoeken of met me praten, want dat verdrijft de eenzaamheid wel goed.
M: Ik ben hier niet zo lang maar ik kom nog wel eens langs, het was fijn kennis te maken.

220923

Het is nu twee dagen later en ik ben weer bij het kalf gaan kijken, maar ze is niet meer op de oude plek. Tijd om weer contact te leggen, waar is ze nu?

M: Dag kalf, kunnen we weer praten?
K: Ja dat kan, maar anders. Er is wat gebeurd, ik ben nu vrij en kan alles, maar dat is van beperkte duur.
M: Wat bedoel je? Ik kwam eigenlijk mijn excuses maken dat ik je niet de juiste dingen heb verteld. Ik dacht echt dat je beter zou worden, maar nu blijkt dat je zoveel inwendige wonden had, dat je ingeslapen bent. Dus je bent nu dood.
K: Daar zeg je wat. Het voelt niet zo, maar wel raar. Ik kan weer alles en heb geen pijn, maar ik weet ook dat dit tijdelijk is zo te voelen. Ik moet ergens heen.
M: Kun je er iets over vertellen, ik wil niet te veel invullen.
K: Ja, het ging niet goed met me, toen hebben ze me naar een andere plek, waarschijnlijk een dierenziekenhuis, gebracht en daar ben ik gaan slapen.
M: Ik denk dat de dokter je een spuitje heeft gegeven en dat je daarvan bent gaan slapen en daarna dood bent gegaan.
K: Maar dat was niet zoals het hoort te gaan. Normaal ga je bewust dood en je laat langzaam al je, hoe noem je dat nou, al je levensenergie laat je langzaam wegvloeien dat is het juiste proces. Maar daar was nu geen sprake van. Ik heb daar niets van gemerkt en voel me nog een kalf en niet een dood kalf. Maar ik voel ook dat ik weg moet vloeien, ja vloeien is hier misschien ook het juiste woord. Ik ga ver weg naar mijn groepsziel en daar wordt ik in opgenomen, dat is het lonkende perspectief waar ik naar uitkijk.

Normaal ga je bewust dood en je laat langzaam al je, hoe noem je dat nou, al je levensenergie laat je langzaam wegvloeien dat is het juiste proces.

M: Dat klinkt eigenlijk best wel mooi.
K: Ja dat wel, maar het is niet het normale proces. Het is anders en het voelt vreemd, maar het komt wel goed voel ik nu.
M: Ik ben blij voor je dat het wel goed komt en dat je nu geen pijn meer hoeft te hebben. Ik wens je een gelukkige tijd en wil je nog wat zeggen?
K: Ja, dank je wel dat je er af en toe voor me was, net als die lieve verzorgers die me hebben geholpen. Ik kan ze niet bedanken, maar ze hebben erg hun best gedaan voor mij en dat is bijzonder.

220925

Mocht u meer willen weten van dit bijzondere project of willen doneren, ze kunnen dat heel goed gebruiken, dan is hier de Facebook pagina: https://www.facebook.com/besantmemorialanimaldispensary/

“Zo helpen we elkaar.”

Begin september klonk het bekende gekwaak vanaf het dak van de stuurhut: ik wil eten! Verrast kijk ik op, in de verwachting mijn oude vriendin weer te zien nadat ze jonkies had gekregen. Maar nee, dit is een andere eend. Een eend bij wie de ondersnavel er los bijhangt. Uit de verte had ik al opgemerkt dat er met een van de twee overgebleven eendjes wat was, dus ik maak contact met de oude eend.

Ze laat weten dat het broeden dit jaar een hele klus was. Ze had moeite met een broedplaats zoeken en werd een paar keer verstoord. Ik had daar nog niet over nagedacht maar het klopt dat de IJssel heel laag stond dus ik kan me voorstellen dat ze de veiligheid van begroeiing heeft moeten missen.

Ik merk op dat ze andere jaren altijd snel kwam snacken aan boord en de jonge eendjes dan even alleen liet in het water. “Dit is de laatste leg. Ik ben extra zuinig op de eendjes,” laat ze weten. Het verbaast me een beetje dat ze die keus kan maken, maar het zal zo zijn dus ik geloof wat ik hoor.

“Er is hier een eend aan boord met een hangende ondersnavel. Is dat jouw jong?” De eend zegt dat ze niet zo geboren is. Ik krijg het idee dat er een gevecht geweest is. “Hoe kan het dat deze eend aan boord is terwijl ze het niet van jou geleerd heeft? De jonge eend doet of ze hier al jaren komt.” “Ik heb haar gestuurd,” antwoordt de eend. “Ze moet het zelf doen maar ze krijgt het moeilijk met zo’n snavel. Om te overleven is ze nu afhankelijk van jou.” ‘Toe maar,’ denk ik, ‘ik vang al een hond op en ik heb een kip in mijn kantoor zitten waar de haan de pik op had.’

“Hoe communiceer je dat met je jong?” wil ik weten. “Wij leggen informatie in elkaars hoofd.” Dat is interessant. Een slak vertelde me eens dat ze een slakkentamtam hebben: de info gaat naar boven, naar een collectief en daar halen de slakken de info uit op. Deze eend heeft het over informatie in elkaars hoofd leggen.

Hoe dan ook: ik heb weer iemand onder mijn vleugels. “Zo helpen we elkaar,” zegt de jonge eend als ik contact met haar heb. “Hoezo elkaar? Ik help jou toch?” “Nee, ik help jou ook want jij vindt het fijn om te zorgen.” Wat een bijdehandje voor die leeftijd! Ik vertel de eend dat ze zich wel zelf moet komen melden want ik ga niet steeds een bakje voer klaarzetten. Daar komen andere eenden op af en dan heeft ze nog niet genoeg. Want ik zie wel dat het eten erg langzaam gaat.

Terwijl ik met deze blog bezig ben, hoor ik boven op dek weer indringend gekwaak. Ja hoor, de eend is er weer.

Kaila is stoned

M: Dag Kaila. Ik wilde graag weer eens met je praten. Je ligt lief naast me terwijl ik zit te werken en nu met je ga communiceren. Is dat OK?
K: Dat is zeker OK, ik verheug me altijd op onze gesprekken. Vroeger minder want dan had je klachten over mijn gedrag, maar nu speelt dat denk ik niet meer.
M: Dat klopt, je bent een schattige hond geworden en je gedraagt je steeds beter, dus alle lof voor je.
K: Dat doet me goed om te horen.
M: Ik wilde graag iets weten van je. Enige weken geleden zijn we op een nacht met je in de auto naar de dierenkliniek in Utrecht gegaan omdat het heel slecht met je ging. Herinner je dat nog?
K: Ja, dat weet ik nog, vond ik best spannend en ik voelde me heel raar toen.
M: Daar wilde ik het juist over hebben. Je hebt daarvoor iets in het bos of op straat gegeten en dat moet iets geweest zijn van wiet of zo.
K: Ik heb geen idee waar je het over hebt.
M: Wel je hebt iets vreemds gegeten waar je stoned van bent geworden en daarna was je helemaal weg, je had rode ogen en reageerde nergens meer op en we vreesden dat je dood zou gaan.
K: Oh, wat naar. Ik herinner me dat nog wel, maar ik heb niet meegekregen dat jullie bang waren dat ik dood zou gaan.

Ik heb niet meegekregen dat jullie bang waren dat ik dood zou gaan

M: Ja, het was heel heftig, maar gelukkig ben je weer helemaal opgeknapt. Weet jij nog wat je daarvoor gegeten had van straat of uit het bos?
K: Nee, geen idee, ik raap wel vaker iets stiekem van straat op en soms zie jij het en dan moet ik het weer uitspugen, maar je bent er zeker niet altijd bij als ik iets gevonden heb en op eet.
M: Laat ik je helpen, het is iets geweest wat je van de grond hebt opgeraapt en hebt opgegeten en daar werd je heel erg ziek van. Eerst had je geen controle meer over de plassen en daarna was je totaal apathisch.
K: Wat is apathisch?
M: Ik zal proberen het uit te leggen. Iemand die apathisch is, is minder geïnteresseerd in de wereld om hem heen en heeft vaak geen zin om iets te ondernemen. Je ligt maar op de grond en reageert nergens meer op, ook niet als we je aaien of aanhalen. We schrokken er heel erg van. Zo erg dat we de dierendokter midden in de nacht hebben gebeld en daarom zijn we daar naar toe gegaan om half één ’s nachts.
Toen we er aankwamen bleek je al behoorlijk opgeknapt, je liep bijna gewoon, verloor nog wel plas, maar je reageerde op alles wat de dierendokter met je deed. De dokter stelde de diagnose dat je stoned geweest bent, dat wil zeggen dat je wiet of zoiets gegeten moet hebben.
K: Ik weet echt niet wat ik gegeten kan hebben, maar dat ik af en toe dingen opraap en opeet, dat klopt.
M: Misschien is dat dan toch gevaarlijk als je alles maar opeet.
K: Ja, misschien wel, maar het is maar één keer gebeurt en ik eet best vaak iets van de grond op. Dus ik maak me geen zorgen.
M: Misschien zou je dat wel moeten doen. Maar ja, ik wilde ook nog iets anders bespreken. Over enkele dagen ga ik voor een tijdje op reis en dan ben ik er niet om met je te wandelen en je eten te geven en voor je te zorgen, maar ook kan ik niet met je knuffelen en kun je niet tegen me aan slapen.
K: Hoe moet dat dan? Wie zorgt er voor me?
M: Dat is het vrouwtje. Zij kan dat ook heel goed, kan met je wandelen, in het bos of op de hei, maar je zult met haar niet los kunnen lopen maar alleen aan de lijn. En dat kun je heel goed, dus dat is geen probleem voor jou.
K: Nee, dat is geen probleem, ik kan dat. Maar ik zal het ballen en stokken gooien wel missen tijdens de wandeling.
M: Dat snap ik, maar dat kan het vrouwtje ook wel een beetje met je doen.
K: En wie geeft me dan te eten?
M: Natuurlijk doet ook zij dat.
K: Dat snap ik, en ze kan ook heel goed knuffelen en slaap ook heel graag tegen haar aan. Ze is soms wel een beetje warm, maar ze is wel heel lief. Dat gaat best goed. Maak je maar geen zorgen over mij.

Ze kan ook heel goed knuffelen en slaap ook heel graag tegen haar aan

M: Ik maak me eigenlijk geen zorgen over jou en ik verwacht dat jij een beetje voor haar zorgt.
K: Ik zal haar goed in de gaten houden. Stelt dat jou gerust?
M: Ja, dat stelt mij gerust. Ze zal misschien ook op andere tijden met jou wandelen, maar dat kun je heel goed aan toch?
K: Ja, geen probleem, dat kan ik aan. En blijf je niet te lang weg? Want ik ga je wel missen.
M: Ik kom na drie weken weer terug. Dat zal misschien geen begrip voor je zijn, maar ik kom zeker weer terug.
K: Drie weken zeg je? Dat is niks.
M: Weet je hoe lang drie weken is dan?
K: Geen idee, maar vast niet heel lang, want je zou je vrouwtje nooit lang alleen laten en mij ook niet.
M: Daar heb je volkomen gelijk in. Dank je wel voor dit gesprek. Wil jij nog wat zeggen?
K: Praten we nog een keer als jij weg bent, zodat ik je toch dichtbij kan voelen?
M: Als jij dat wilt doen we dat. Dank je wel voor dit gesprek.
K: Graag gedaan en tot de volgende keer.

220914

“Praat niet over mijn dood, maar over het leven.”

“Jullie denken zo beperkt. Voor jullie moet het leven lang zijn in jaren, dat vinden jullie normaal, maar kort leven is ook goed.”

Ja, ja, Bella… Bella met wie ik 27 juli nog leuk aan de babbel was en die daarna aftakelde zonder dat ik het doorhad. Ik heb wel dingen opgemerkt maar ze niet goed geïnterpreteerd. Ze kwam minder vaak thuis rond de maaltijden; ik beschouwde het als nog even goed genieten van de nazomer. Ze at niet alles op; ik ging ervan uit dat ze buiten genoeg at. Ze werd dunner; dat waren al onze buitenkatten in de zomer, ’s winters trok het altijd weer bij. ’s Nachts was ze nog zelden binnen maar dat was al maanden zo; ik kon me zo voorstellen dat de nachten er voor de dieren zijn. Bella plaste en poepte buiten; de kattenbak stond sinds haar komst nutteloos gevuld met grit achter een gordijn dus ik had geen zicht op haar ontlasting en urine.

Ineens vond ik haar ergens langs de IJssel, helemaal slap. Ik ben nog naar de dierenarts gegaan met haar maar het was te laat om nog iets aan haar op te lappen. Op advies van de dierenarts heeft ze een spuitje gekregen. Ik vermoed dat als ik daar niet heen was gegaan, ze binnen een paar uur zelf overleden was. “Ik was al bezig me los te koppelen,” zei ze.

Ik probeerde te communiceren met haar na haar overlijden maar ze liet weten dat dat niet kon als ik me schuldig voelde. Dus eerst moest ik daar zelf van los komen (ga er maar aan staan!). Op een later moment liet ze weten dat de laatste maand fysiek wel zwaar geweest was. Maar ze was geen katje om een medisch circuit in te gaan dus ging ze ermee om zoals ze ermee omgegaan is. Toen ik toch nog een stukje schuldgevoel liet zien, hoorde ik: “Alsjeblieft, zeg!!” en ze zou afhaken als ik mezelf niet herpakte.

Bella zwermt niet meer rondom mij, ze is ergens waar ze lekker luchtig verkennend op avontuur is, precies zoals ze in het fysieke leven gedaan heeft. “Wat kan ik hier van leren?” vroeg ik haar. “Geniet van het moment, van wat er is. En praat niet over mijn dood, maar over het leven.”

Damherten lopen door Velzen

M: Dag herten, kan ik met iemand van jullie spreken over jullie leven en jullie gewoontes?
H: Ja, dat kan, ik ben beschikbaar voor een gesprek. Ik hoop dat het niet al te ernstig wordt, want we willen wel graag vrolijk blijven.
M: Dank je wel dat je met me wilt praten. Ik ben benieuwd naar hoe jullie momenteel leven. Hebben jullie last van de droogte of van andere beperkingen en zijn jullie gelukkig.
H: Nou niet zoveel vragen tegelijk. Om op je laatste vraag terug te komen, geluk is voor ons niet iets waar we naar streven. We zijn meer op weg naar een tevreden leven, waarbij je moet denken aan dat we ons gangetje kunnen gaan, we te eten en te drinken hebben en we niet teveel worden lastig gevallen.

Geluk is voor ons niet iets waar we naar streven, we zijn meer op weg naar een tevreden leven

M: Als je het over ‘we’ hebt, wie bedoel je dan?
H: We leven in een vrij grote kolonie, die weer uit verschillende groepen bestaat. De kolonie woont in de duinen en omgeving. De groepen lopen daar min of meer vrij rond, hoewel er op allerlei plaatsen hekken staan. Soms is een hek een belemmering voor ons en moeten we langs de hekken lopen om ergens anders naar toe te gaan, maar soms ook kunnen we er overheen of erdoor heen gaan. Dan geeft dat wat meer bewegingsvrijheid, want wij herten houden wel van een beetje lopen. Het is natuurlijk aangenaam als je gemakkelijk aan voedsel kunt komen en dat kunnen we vaak, maar niet altijd. Momenteel hebben we vooral last van de droogte, doordat het zo droog is, is een deel van ons voedsel niet of onvoldoende beschikbaar. Dat betekent dat we wat verder moeten lopen om aan voedsel te komen.
M: Kan het dan gebeuren dat jullie uit de duinen komen en zelfs in woonwijken waar mensen wonen naar voedsel gaan zoeken?
H: Ja dat kan heel goed. We kennen verschillende plekken waar we zo vanuit de duinen naar de mensen kunnen lopen en dan doen we dat als het wat lastiger wordt om aan voedsel te komen.

We kennen verschillende plekken waar we zo vanuit de duinen naar de mensen kunnen lopen en dan doen we dat als het wat lastiger wordt om aan voedsel te komen

M: Denk je dat er onvoldoende voedsel voor jullie is dat je daarom naar de mensen toegaat?
H: Wat noem je onvoldoende voedsel? Dat is altijd locatie gebonden. Is er op de ene plek minder, dan gaan we naar een andere plek en dat kan betekenen dat we ook dichter bij de mensen komen. En daar is voldoende voedsel momenteel, dus nee, ik denk niet dat we voedsel te kort hebben.
M: Maar als jullie in de duinen zouden blijven en niet naar de mensen toe komen, zou je dan nog voldoende voedsel hebben?
H: Ik begrijp je vraag niet. We kunnen toch naar de mensen komen en hebben dan toch voldoende voedsel, wat wil je me laten weten?
M: Het is zo dat de mensen die er wonen en jullie door hun wijk zien lopen, dat niet willen. Ze zien enkele problemen. Een probleem is dat het gevaarlijk is als jullie zomaar over straat lopen terwijl daar ook verkeer rijdt en soms best wel hard en dat kan tot botsingen leiden.
H: Tja dan moeten die auto’s beter uitkijken, wij lopen daar soms om ons te verplaatsen van de ene kant naar de andere plek.
M: Maar mensen vinden dat een probleem en ze willen niet dat jullie door de straten lopen en ze willen ook niet dat jullie van hun tuinen en parken eten.
H: Wij zien dat niet als een probleem.
M: Daar ligt het probleem juist. Jullie vinden het gewoon om door de straten te lopen en daar te eten en de mensen willen jullie daar niet hebben. Ze zeggen dat jullie dingen vernielen en dat jullie een gevaar vormen voor het verkeer.
H: Nogmaals wij zien dat niet als een probleem.
M: Laat mij het dan omdraaien. De mensen zien jullie als een probleem als jullie dit gedrag blijven vertonen, ze willen jullie niet in de straten hebben en willen ook niet dat jullie uit de tuinen en parken eten. En omdat ze dat niet willen, gaan ze denken aan manieren om jullie daar van te weerhouden.
H: Hoe dan? Dit is toch een wereld waarin we rond kunnen lopen?
M: Daar vergis je je in. De mensen bepalen in welk gebied jullie mogen leven en als jullie je daar niet aan houden dan denken ze dat jullie met te veel zijn in het gebeid waarin jullie leven. En als jullie met te veel zijn dan schieten ze een deel van jullie dood tot jullie met veel minder zijn en wel binnen het gebied kunnen blijven.
H: Maar ook als we met minder zijn, dan kunnen we toch nog steeds door de straten lopen?
M: Maar de mensen denken dat daar geen noodzaak meer voor is omdat jullie dan in jullie aangewezen gebied genoeg te eten kunnen vinden.
H: Daar heb je wel een punt, als we met veel minder zijn, hebben we minder behoefte om uit de duinen te komen.
M: Ik wil het graag met je hebben over een manier om met minder herten te zijn. Daar zijn verschillende manieren voor volgens de mensen. Ze kunnen jullie voedsel geven waardoor de vrouwtjes geen kleintjes meer kunnen krijgen, dan worden het er vanzelf op den duur minder herten. Of ze kunnen jullie doodschieten dan worden het er sneller minder. Hoe kijk jij daar tegen aan?
H: Ik heb daar nog niet zo bij stil gestaan. Het lijken me allebei hele wrede methoden. Waarom laten jullie het niet gewoon aan ons over. Als ons gebied beperkt is en we kunnen er niet uit, dan weten we als we met te veel zijn en dan worden er minder kleintjes geboren, daardoor neemt de kolonie vanzelf af. Een andere methode is om een natuurlijke vijand hier te hebben, zoals een leeuw, een tijger of een wolf. Die jagen op ons op een natuurlijke manier en we hebben kansen om te ontsnappen, het is een meer eerlijke strijd. En we zullen oplettender worden, waardoor de jagers dieren het moeilijker zullen gaan krijgen.

Als ons gebied beperkt is en we kunnen er niet uit, dan weten we als we met te veel zijn en dan worden er minder kleintjes geboren

M: Maar we hebben hier niet van die natuurlijke jagers, dan zouden we een wolf moeten uitzetten en veel mensen vinden een wolf wel heel erg eng vanwege alle verhalen over wolven in sprookjes. Wat is voor jullie het verschil tussen gedood worden door een roofdier of door een kogel van de mens?
H: Dat is nogal duidelijk. Als je door een dier bejaagd wordt heb je een eerlijke kans om te ontsnappen en als je toch gepakt wordt dan weet je dat je dood gaat, maar je hebt kunnen strijden en je hebt verloren. Je kunt het accepteren en dan ga je tevreden dood. Als je beschoten wordt door een kogel, ben je ineens dood. Zonder voorbereiding, gewoon bam dood. Dat is de verkeerde manier om dood te gaan, je kunt niet tevreden dood gaan, want daar is geen tijd voor, het is geen eerlijk spel.
M: Dus eigenlijk zeg je dat als jullie beperkingen moeten krijgen dat jullie het liefst een roofdier hebben die op jullie jaagt, zoals een wolf. Ik zal dat zo doorgeven.

Als je beschoten wordt door een kogel, ben je ineens dood. Zonder voorbereiding, gewoon bam dood. Dat is de verkeerde manier om dood te gaan, je kunt niet tevreden dood gaan

Wil je nog iets zeggen?
H: Ja, ik begrijp maar niet waarom wij niet gewoon door de mensenwereld mogen lopen, jullie vinden ons allemaal zo mooi om te zien en dan kun je genieten en dan ben je alleen maar bang voor je bezittingen? Zielig hoor.

Waarom mogen wij niet gewoon door de mensenwereld lopen, jullie vinden ons allemaal zo mooi om te zien en dan kun je genieten en dan ben je alleen maar bang voor je bezittingen? Zielig hoor

M: Nou dat was een stevige draai om onze oren, dat hebben we verdiend. Dank je wel voor dit gesprek.

220829

Uitleg rond overlijden

Een van mijn werkzaamheden als dierentolk is uitleggen. Menselijke dingen uitleggen aan dieren maar ook dierlijke dingen uitleggen aan mensen. Een misverstand kan in een klein hoekje zitten dus mijn uitleg is vaak welkom.

Wat wel eens verrassend is, is dat ik soms ook het overlijden moet uitleggen aan dieren. De meeste dieren, zeker de vrije dieren, zijn hier heel bekend mee en het is voor hen een ‘in en uit gaan’. Maar er zijn dieren die een soort drempelvrees lijken te hebben: wat gaat er gebeuren? Het leuke aan dieren is dat alles heel simpel is uit te leggen. Niet teveel tekst, neutrale gevoelens, eenvoudige beelden. Een beetje zoals je aan kinderen ook dingen uitlegt, heel basic. Al die extra woorden, bijzinnen en ingewikkelde termen is iets wat we ons als volwassenen kennelijk hebben aangeleerd. Heerlijk dat dat bij dieren dus niet hoeft.

Zo legde ik een hond die erg aan het leven gehecht was uit dat hij mocht gaan en we keken samen zeer geïnteresseerd naar wat er dan zou gebeuren: hij zou uit zijn lichaam gaan en achter zijn mens meekijken naar hoe zij met het verlaten lichaam zou omgaan. Ik liet hem zien dat ze verdrietig zou zijn en veel aandacht zou hebben voor het lichaam.

Dit verbaasde hem een beetje: “Maar ik ben toch hier?” en hij liet zichzelf achter de vrouw zien.

“Ja, dat is zo, maar dat is het onzichtbare deel van je. We zijn als mensen erg gewend om alleen te kijken naar de bezielde lichamen. Als een ziel uit het lichaam is zien we het niet meer. Als we mazzel hebben en er open voor staan kan het wel zijn dat we momenten hebben dat we iets voelen of anderszins waarnemen. Maar dat is lastig voor ons.”

Ik liet de hond ook zien dat hij alle tijd mocht gaan nemen om nog rond de vrouw te blijven. Er komt vanzelf een moment dat het tijd is om verder te gaan. En wat is tijd daar? Ik kan niet alles uitleggen… maar wat ik meekrijg en mag zien kan ik doorgeven. En als het anders blijkt te zijn, dan hoop ik dat ik daar voor open sta en mijn beeld kan bijstellen.

Het leven van de Blauwvintonijn

Ik ben bezig met een onderzoek naar de vervuiling van de oceanen. Een onderdeel daarvan zijn de zogenaamde dead zones, gebieden waar eigenlijk geen leven meer mogelijk is. Ik wil graag weten wat de zeedieren hier zelf over te vertellen hebben en zoek contact met een Blauwvintonijn.

M: Dag Tonijn, ik zou graag met iemand van jullie willen spreken over jullie leefwijze.
T: Dag Eddy, ik ben beschikbaar voor een gesprek en zoals je ziet heb ik je even gelezen voor ik met je wilde praten. We komen niet veel mensen tegen die we vertrouwen en dat lijkt me wel van belang als we een goed gesprek willen hebben.
M: Dank je wel voor dit blijk van vertrouwen. Ik ben bezig een dossier te maken over vervuiling van de oceanen en welke consequenties dat allemaal heeft voor het leven in de oceanen. Zo ontdekte ik dat de zogenaamde dead zones juist voor jullie als tonijnen moeilijk zijn.
T: Ja, een groot probleem vormen deze vervuilde en bijna zuurstofloze zones wel nadrukkelijk voor ons. Wij als Tonijnen hebben veel zuurstof nodig door onze bouw en leefwijze. Wij zijn formeel wel koudbloedige vissen, maar we kunnen en moeten temperatuur vasthouden om te overleven. Wij hebben twee soorten spierstelsels, de binnenste en de buitenste. En met name onze binnenste spieren hebben veel meer warmte nodig dan de buitenste. Daarom hebben wij een speciale manier om warmte vast te houden. Maar door dit alles hebben we veel zuurstof nodig. Dat halen we uit het water, maar omdat we zoveel zuurstof nodig hebben, moeten we continue blijven zwemmen, er moet steeds water door onze kieuwen gaan om daar zuurstof uit te halen.
M: Dus jullie kunnen nooit slapen en moeten altijd zwemmen?
T: Ja, we moeten wel altijd zwemmen, maar we kunnen ook tijdens het zwemmen wel wat slapen. Er zijn meer beesten die dat kunnen in de oceaan, maar ook vogels in de lucht die nooit ophouden met vliegen.

Ja, we moeten wel altijd zwemmen, maar we kunnen ook tijdens het zwemmen wel wat slapen. Er zijn meer beesten die dat kunnen in de oceaan, maar ook vogels in de lucht die nooit ophouden met vliegen.

M: Terugkomend op de dead zones, daar kunnen jullie dus niet leven omdat er daar te weinig of geen zuurstof in het water zit. Klopt dat?
T: Dat is juist. We kunnen daar niet overleven vanwege dat we dan onvoldoende zuurstof krijgen, maar ook omdat er geen voedsel voor ons te vinden is. Want er leven nauwelijks andere vissen, wel kwallen, maar die eten we niet.
M: Vertel eens iets over jullie leefgewoonten en leefgebieden?
T: We leven vooral in de Atlantische Oceaan, aan beide zijden, dus aan de Europese zijde en aan de Amerikaanse zijde. We zijn niet erg plaatsgebonden en kunnen soms ook aan de andere kant van de oceaan verblijven, daartoe steken we de oceaan over. We leven als oudere vis solitair en als jonge vissen in scholen, zo kunnen we ons beter beschermen tegen roofvissen. We hebben geen vaste partners, maar komen in een bepaalde periode bij elkaar om te paaien. Er zijn twee plekken waar we dat doen, in de Middellandse zee en de ander plek is in de Golf van Mexico, maar die wordt ook steeds vuiler, terwijl de Middellandse zee langzaam schoner wordt, maar daar worden we weer sterk bejaagd. Zo heeft iedere kant van de oceaan wel wat.
M: Jullie kunnen erg snel zwemmen heb ik gehoord, wat is daarvan waar?
T: Ja, wij zijn snelle zwemmers. Op onze topsnelheid zwemmen we eigenlijk alle boten eruit, alleen kunnen we die topsnelheid niet lang volhouden, waardoor we daarna weer kwetsbaar zijn. Maar voor een vis zijn we buitengewoon snel. Dat is ook wel weer handig als er Orka’s in de buurt zijn, want die zijn onze echte vijanden voor de grote volwassen exemplaren van ons. Maar Orka’s jagen dan weer in groepen en dan is het voor ons erg moeilijk om te ontsnappen, ondanks dat we veel sneller zijn.
M: Hoe is het leven op zee voor jullie?
T: We hebben geen slecht leven, hoewel we wel met veel minder zijn dan vroeger. Mensen vinden ons blijkbaar erg lekker en jullie jagen op ons en dat is niet fijn. Het is moeilijk om een echte grote vis te worden omdat jullie al op onze kleintjes jagen en als die niet groot kunnen worden dan hebben we een probleem om te overleven.

Het is moeilijk om een echte grote vis te worden omdat jullie al op onze kleintjes jagen en als die niet groot kunnen worden dan hebben we een probleem om te overleven.

M: Dus jullie zouden blij zijn met beschermde gebieden?
T: Ja, als dat inhoud dat er niet gevist mag worden in die gebieden, dan is dat een heel goed idee. Zo kunnen onze jongen groot worden en zelf jongen krijgen en dan kan onze soort weer goed toenemen in aantal.
M: Dank je wel voor je antwoorden. Wil je nog iets kwijt?
T: Als je wat cijfers over ons wilt weten, moet je er maar even naar zoeken, dan begrijp je dat het wel nodig is dat er iets gebeurt, want zo gaat het niet echt goed met de oceanen.
M: Dank je wel.

Ik heb wat opgezocht, enerzijds om deze antwoorden te verifiëren en anderzijds om wat getallen te vinden. Blauwvintonijnen zijn interessante wezens. Bij Wikipedia vind ik het volgende:
‘De blauwvintonijn staat tegenwoordig te boek als bedreigd op de rode lijst van CITES. Sinds 1970 zijn de aantallen blauwvintonijn met 64% gekrompen. Ondanks de bedreigde status is de soort nog steeds in de handel verkrijgbaar.’
‘De blauwvintonijn zwemt normaal gesproken gemiddeld 13 kilometer per uur, hierbij worden de rode spieren gebruikt (de tonijn noemt dat zijn binnenste spieren/em). De blauwvintonijn moet constant zwemmen om voldoende zuurstof binnen te krijgen. Bij het jagen op prooidieren of het vluchten voor een vijand wordt het witte (buitenste/em) spierweefsel gebruikt en kan een snelheid van meer dan 40 km per uur worden bereikt. De blauwvintonijn is een van de snelste onderwaterdieren; de vis kan een topsnelheid behalen van 72,5 km per uur.’
210524

Wespen

De wespen zijn er vroeg bij dit jaar. Vermoedelijk komt het door hun hoeveelheid dat ze zich eerder binnen de menselijke ruimte begeven. En dat wordt niet altijd gewaardeerd. Ook ik heb aan boord van mijn schip te dealen met wespen. Ik vergeet nooit dat jaren geleden mijn zoon gierend van de lach binnenkwam. Zijn nieuwe vriendin zag buiten een schoteltje met ranja en wespen staan en het schoot er spontaan uit: “Is ze nou g…*#&%!?^…me! ook al de wéspen aan het voeren?!”

Ik moet eerlijk zeggen dat wespen en ik niet helemaal goed samengaan. Fysiek niet doordat ik heftig reageer op een steek en communicatief niet omdat we een andere grondhouding lijken te hebben. Maar dat neemt niet weg dat ik de wespen erg waardeer en ze graag in leven houdt. Maar ik waardeer het ook om buiten aan dek te zitten dus we hebben een modus gevonden: als ik buiten wil zitten zet ik altijd een schoteltje met ranja voor ze neer. Binnen een minuut zijn er wespen en mieren die volop komen bijtanken om later weer voldaan te vertrekken. Allemaal ons eigen territorium en iedereen happy.

Als ik met ze aan de babbel ga lijkt het of er eentje het woord neemt, wat wel vaker gebeurt met groepen dieren. Of het er inderdaad eentje is of dat ze zich gezamenlijk door één stem laten horen, weet ik niet.

“Tevreden zo?” vraag ik ze. “Ja, dit is makkelijk snacken.” Ik knik inwendig instemmend, trots op mijn kleine bijdrage aan het ecosysteem en de wereldvrede.

“Jullie lijken alle tijd te hebben,” observeer ik. “Ja, maar we hebben toch haast, we moeten de jongen voeden.” “Ik ben wel tevreden met mijn werkwijze. Zo kan ik rustig zitten.” “Goed plan. Want als je het niet had klaargezet waren we toch wel gaan zoeken bij je.” Precies, denk ik, vandaar de gecreëerde afstand.

“Zeg, ik zie dat jullie soms vechten met elkaar in de siroop…” “Dat is ander volk,” hoor ik brommend. Onverdraagzame dieren…

“Enne… als jullie steken… dan gaan jullie toch dood?” “Ja, maar we twijfelen niet om het wel te doen.” Ik herken uit vorige gesprekken met wespen de directheid, het wat haastige en knorrige en ik constateer weer dat ze anders gehumeurd zijn dan bijen. Die zijn veel gemoedelijker, waar wespen een veel korter lontje hebben. “We hoeven de mensen niet, maar de producten zijn welkom,” haken ze in op mijn gedachten.

Ik ben al wel weer een beetje uitgepraat met ze. Ik waardeer echt enorm wat ze allemaal doen in de natuur maar ik constateer dat ik niet met iedereen goede vrienden hoef te zijn. Leven en laten leven is ook hier het beste motto.

PS Als je op de foto klikt zie je het hele tafereeltje (ieder z’n humor… )

Bella is boos

Onze dochter is met haar gezin op vakantie gegaan en wij zijn voor een week de oppasser van haar poes Bella. Maar Bella heeft zich alleen de eerste dag laten zien en daarna is ze niet meer thuis geweest, heeft niet meer gegeten en we maken ons zorgen. Leeft ze nog wel? Ze is een oudere poes en dat is langzamerhand wel te merken. We hebben haar al vier dagen niet meer gezien en hebben alle telefoontjes gedaan zoals dierenarts bellen, asiel bellen, dierenambulance, enz. En Bella laat geen contact toe, als ik probeer met haar te praten, is er een grote leegte …
Tijdens een wandeling met onze hond in het bos, lukt het om contact te krijgen.

M: Dag Bella, we zijn ongerust, mijn lieve vrouw heeft er slapeloze nachten van en dat wil je vast niet. Kunnen we een afspraak maken? Als ik zo meteen langskom, wil je dan thuis zijn, dat ik je even kan zien, dat we weten dat je leeft en dat mijn lief weer ’s nachts kan slapen?
B: Ik ben verschrikkelijk boos. Niet op jou, maar op mijn gezin. Ze zijn met hun hele hebben en houden in de auto gestapt en hebben mij hier alleen achter gelaten en dat vind ik niet in orde.
M: Ze hebben je niet in de steek gelaten! Ze zijn twee weken met vakantie en hebben er voor gezorgd dat wij de eerste week op je kunnen passen en mijn broer de tweede week. Dus je bent helemaal niet in de steek gelaten.
B: Nou zo voelt het wel. Er is niemand en misschien staat er wel eten klaar, maar ik kan er niet bij, ik kan niet op het aanrecht springen omdat ik niet meer zo hoog kan springen en daar hebben ze het eten verstopt. Maar dacht ik, ik ben een grote poes, ben eigenlijk een wilde kat en ik kan heel goed voor mijzelf zorgen, dus dat ben ik gaan doen en ik ben niet van plan om voorlopig naar dat huis te komen.
M: Ik wil niet ontkennen dat je prima voor jezelf kunt zorgen, maar het is wel aangenaam als iemand voor jouw eten zorgt. En ze komen weer terug, ze zijn alleen even met vakantie.
B: Waarom heeft niemand mij dat verteld?
M: Tja, misschien zijn ze dat vergeten of zijn ze zich niet bewust geweest dat het belangrijk is voor jou om te weten dat ze maar twee weken weg zijn. Of heb je het niet goed begrepen wat ze gezegd hebben.
B: Dat is wel heel slordig, zo hoort het niet te gaan. Ik moet weten waar ze zijn en wanneer ze weer terug zijn. En ik ben nog steeds boos.
M: Dat begrijp ik, maar ik heb je nu uitgelegd hoe het zit, kun je dan je boosheid loslaten?
B: Nee nog niet, maar ik wil me wel aan jou laten zien als je straks komt. Maar dat mag je alleen aan je vrouw vertellen, zodat zij zich geen zorgen meer hoeft te maken. Maar niet aan mijn vrouwtje.
M: Dat lijkt me niet eerlijk. Ook jouw familie is ongerust en denken dat je misschien dood bent, en als ik jou straks zie, wil ik een foto maken en die deel ik wel met iedereen, want we zijn allemaal blij dat er niets met je aan de hand is en dat je gewoon nog leeft.
B: Nou tot straks dan maar.

En inderdaad, een kwartiertje later kom ik aan en Bella zit binnen voor de voordeur op me te wachten. We knuffelen even, wat afstandelijk want Bella wil alleen op haar kopje geaaid worden en op andere plaatsen niet, dat leidt altijd tot een haal met de nagels, dus daar pas ik wel voor op. Daarna loopt ze meteen naar de koelkast in de verwachting dat ze van mij enkele stukjes kaas krijgt. Maar er zit geen kaas in de koelkast, die is bijna leeg, en ik kan haar dus geen kaas geven. Gelukkig heeft mijn lief wel een blikje zalm poezenvoer meegenomen en daar geef ik haar wat van en dat eet ze gulzig op. Als ik daarna haar brokjes van het aanrecht op de grond zet, eet ze die ook op. Ze is duidelijk weer blij met haar eten. Zou ze toch een beetje te weinig voor haar zelf hebben kunnen zorgen?
’s Middags gaat mijn vrouw kijken en ze is er niet. Ze is teleurgesteld dat Bella zich aan haar niet laat zien.

De volgende dag heb ik weer een gesprek met Bella als ik met onze hond Kaila wandel.

M: Dag Bella, je was er gisterenmiddag niet toen mijn lief langs kwam om je te verzorgen. Wat is er?
B: Ik ben weer op pad, ik geniet wel van het eten dat jullie voor me neerzetten, maar ik geniet ook wel weer van het dagelijks op pad zijn. En ik ben niet weggebleven omdat ik op jullie boos ben. Dus dat moet je loslaten. Straks ben ik er ook niet, ik ben lekker de hort op en zie wel wanneer ik af en toe thuiskom om van mijn maaltijd te genieten.
M: Als je maar goed voor jezelf zorgt lieverd. Wil je nog iets zeggen?
B: Ja, laat je mijn vrouwtje weten dat ik het niet op prijs stel als ze zomaar ineens vertrekken? Ik wil tenminste vooraf weten wat er staat te gebeuren.
M: Dat zal ik doen.
220727/220728

“Jij zou ook tegen de muren opvliegen, hoor!”

“Hee Bell, zin in een praatje?”

“Dat is lang geleden. Ik dacht dat we dit niet meer deden.”

“Nee, klopt, maar ik moet weer een blog maken dus ik dacht aan jou.”

Bella is het katje dat bij ons aan boord woont. Vanaf het eerste moment was het helemaal leuk en goed. Wennen? Waaraan? Ruim een week daarvoor had ik getolkt tussen haar en het mens waarbij ze in huis woonde. Op een ruime bovenwoning maar voor Bella toch te klein. We waren het al snel met elkaar eens: Bella moest naar een boerderij of zo. Ergens waar een groot buitenterrein was. De boerderij werd niet gevonden maar wij hadden weer plaats voor een kat dus ze kon bij ons terecht.

Bella deed dus niet aan wennen: ze ging overal meteen op af met een heel open en nieuwsgierige houding. Ik had het plan haar een tijd binnen te houden maar na 1 dag liep ze al buiten, zelfs van de steiger af het land op. En ze kwam ook weer terug, alsof ze hier al jaren woonde.

“Vertel es, Bell, wat doe je allemaal buiten?”

Ze laat meteen zien hoe ze zowel rustig ontspannen als gefocust in het gras kan kijken als ze een geluidje hoort of iets ziet bewegen. Ze laat zien dat alle energie naar een punt in het midden bij haar gaat (omgeving van de buik/darmen) en dan ineens slaat ze toe en grijpt ze dat wat bewogen had.

“Soms neem je een muis of vogel mee naar huis.” “Ja, jullie mogen het zien. Maar het blijft van mij.” Ik moet grinniken want ze laat de hond er inderdaad volop aan ruiken en onderzoeken maar op een gegeven moment is het genoeg en dan begint ze het diertje op te eten.

“Hoe smaakt het?” wil ik weten en ik leg in mijn vraag ook het beeld hoe het nou is om alles op te eten: ogen, oren, staart. Alles.

“Zo diep denk ik niet. Ik eet het snel op. Dat is nog van vroeger: snel eten, dan is het maar binnen. Daarna uitbuiken.”

In beeld laat ik vogeltjes zien. Ik kan niet eens aan mijn vraag beginnen om de vogels met rust te laten als ik voer neergelegd heb want ze laat meteen enthousiast zien dat vogels vangen een uitdaging is.

“Hoe is het voor jou als wij weg zijn en het eten er niet op de vaste tijd is?” Geen paniek, laat ze weten. Ja, dat klopt wel: Bella is niet snel in paniek.

Twee dagen later ga ik verder met het gesprek. “Je stoort eigenlijk wel,” laat Bella weten. Ze is zich aan het focussen op iets buiten, maar ze wil wel even tijd maken. “Nou, wat heb je dan?” hoor ik. “O, ik wachtte tot jij iets liet zien maar je wacht kennelijk op mij. Ik ben wel heel benieuwd hoe je de andere katten in de buurt vindt. Ik weet niet hoeveel het er zijn, minstens vier en die zijn allemaal niet in een huis geboren en getogen.”

“Andere katten is opletten,” laat Bella weten. “Ik heb geen kwaaie zin maar ik ga de confrontatie ook niet aan. Ik blaas liever de aftocht. Ik heb geen zin in vechten.”

“Ik kan me niet herinneren dat ik jou ooit heb zien vechten of iets wat daar op lijkt. Ja, je hebt een keertje je pootje opgetild toen een hond iets te dichtbij kwam.”

Bella laat me voelen hoe haar basishouding is: uitermate vredelievend en harmonieus. “Dat merken mensen op, daarom vindt iedereen je ook zo leuk,” vertel ik haar.

Voor fietsen op de dijk schiet ze doorgaans weg en ik informeer daar naar. Ook hierin heeft ze geen zin in de confrontatie: beter zelf eerst weg zijn dan iets later in het moment in paniek raken. Slim dier.

We kijken nog even naar het verschil tussen zomer en winter. ’s Winters is ze veel meer binnen en ook daar geniet ze van. Even komt het beeld van de bovenwoning weer naar voren en ik hoor Bella zeggen: “Jij zou ook tegen de muren opvliegen, hoor!”