Kinderboerderij: jonge geitjes

M: Beste geitjes, kan ik met iemand van jullie praten? Laatst waren we op bezoek en zag het er erg leuk en gezellig uit.
G: Ik heb geen idee wie jij bent, maar praten lijkt me wel leuk, dat kunnen we nooit met mensen, terwijl de kleine mensen wel hier komen om met ons te knuffelen.
M: Hoe is jullie leven op de kinderboerderij? Ik bedoel kun je dat aan met al die hordes kinderen die af en toe achter jullie aan zitten en die jullie willen aaien, enz.
G: Soms is het druk, maar vele dagen is er niets te beleven, komt er af en toe een kleintje in de kinderwagen langs, maar niet in ons hok of weide. Maar er zijn ook hele drukke dagen en dan krijgen we wat minder gelegenheid om onszelf te zijn. Maar eerlijk gezegd geniet ik altijd erg van die knuffels. Komt er zo’n kindje in mijn hok op het stro zitten en kan ik zomaar op schoot stappen of soms wordt ik ook gegrepen om op schoot te komen zitten. Maar als ik eenmaal op die warme schoot zit en die lekkere kinderlijfjes voel, kan ik helemaal indoezelen. Dat vind ik wel genieten.
M: Heb je alleen maar positieve ervaringen?
G: Nee, zeker niet, maar ze zijn wel de belangrijkste ervaringen. Soms worden we opgejaagd door enkele kindjes en dat is niet leuk, maar we hebben voldoende ruimte om daar ook aan te kunnen ontsnappen, dus dat gaat prima.
M: Blijven jullie op de kinderboerderij of als je groter wordt, moet je weer weg?
G: Ik heb daar nog geen ervaring mee en ook geen herinnering aan hoe dat vroeger ging. Ik weet het dus niet. Wat denk jij?
M: Ik weet het ook niet. Wil je nog iets zeggen aan mensen en kinderen?
G: Ja, nu ik de gelegenheid krijg. Ik wil graag dat alle mensen gaan begrijpen dat wij dieren een eigen gevoelsleven hebben en wel degelijk ons bewust zijn van of iets fijn is of niet. We genieten erg van liefdevolle aandacht, maar we houden er niet van als jullie lelijk doen tegen ons of andere dieren.
M: Dat is een mooie boodschap voor zo’n jonge geit als jij bent. Dank je wel.

240716

Als je geen woorden hebt

Niet elk gesprek gaat makkelijk en vanzelf.

Dit keer is het flink zoeken samen met de vrouw van een kat waarom de kat een schilletje om zich heen heeft gecreëerd en waar de bozigheid en irritatie van hem vandaan komen. Ook wil de vrouw graag weten waarom de kat haar een aantal weken geleden heeft gegrepen.

Na veel gepuzzel komen we erachter dat er teveel ballast, teveel meegenomen energie van anderen in het huis en de tuin hangt. Ook rond de vrouw hangt teveel energie van anderen, vindt de kat en hij laat haar zien als een soort Michelin-poppetje. De kat wordt er bijna overspannen van en kan er niks meer bij hebben.

Als ik met hem terugga naar het moment dat hij de vrouw beet, laat hij weten dat hij niet meer gesteld was op de ballast die zij via haar hand onbewust aan hem doorgaf. Ik vraag hem of het nodig was om het zo te doen. Hij wist geen andere manier om het haar duidelijk te maken. Er komen geen excuses, alleen de opmerking dat hij misschien een harde leermeester is.

Maria Magdalena de uil 3

Ik zoek weer contact met een oude bekende, Maria Magdalena de uil, een wijze dame.

M: Hallo mevrouw uil, kunnen we weer een keer praten?
MM: Ik ben nogal druk momenteel.
M: Dat snap ik, maar we kunnen toch gewoon via gedachten overdracht met elkaar communiceren, daar hoef je je drukke werkzaamheden niet voor te onderbreken?
MM: Dat klopt wel, maar ik ben aan het rusten en heb mijn rust heel hard nodig.
M: Des te beter, dan kunnen we gerust even bijkletsen. Hoe is het sinds de laatste keer?
MM: Dat was best lang geleden (ruim drie jaar geleden).
M: Dat klopt, maar je hebt vast wel veel te vertellen.
MM: Ja, er is veel gebeurd. Maar nu ben ik heel druk en moe van het grootbrengen van mijn jongen. We hebben dit jaar vier eieren gekregen, waarvan er drie zijn uitgekomen. En dan snap je dat het heel druk is om die jongen groot te brengen. Steeds maar weer voedsel aanleveren en ze zijn onvermoeibaar. En dan komt het moment dat ze buiten het nest gaan rondscharrelen en dan moet ik niet alleen voor eten zorgen maar ook opletten op andere roofdieren. Gelukkig is de Havik afgelopen jaar gestorven en hebben we nu rust van hem, want dat was een geduchte tegenstander. We hebben het geluk dat we in zo’n groot bosgebied wonen waardoor er geen voedselnijd is tussen de Havik en mij. Maar er zijn nog steeds gevaren waar ik goed op moet letten nu ze niet meer veilig in het nest zitten.
M: Wat is het moeilijkste aan het grootbrengen van je jongen?
MM: Dat eindeloos voor voedsel zorgen. Voor mijzelf is het niet moeilijk om te zorgen, er zijn muizen genoeg en ik heb er maar 2-3 voor mijzelf nodig, maar als ik drie keer zoveel voedsel moet verzorgen als normaal, dan wordt het best zwaar. Dan beperk ik me zeker niet tot muizen. Gelukkig zijn er dan overal jonge dieren te vinden in het bos en op de velden. Dat maakt het wel gemakkelijker.
M: Is er geen meneer uil?
MM: Nee, die is er niet. Die was al verdwenen voor de kleintjes uitkwamen en dat maakte het wel erg moeilijk. Want ik moest broeden en gelijk ook af en toe eten. Dus dan moest ik heel snel en kort het nest verlaten om te eten en zorgen dat ik weer terug was voor de eieren te veel afgekoeld waren. En dat viel niet mee met al die regen. Dat betekent dat ik toen al voedsel te kort kwam voor mijzelf. En ze alleen groot brengen terwijl ze nog klein zijn is ook lastig. Ik moet het werk voor twee doen en ben dan ook totaal uitgeput.
M: Dat begrijp ik, denk je dat je het overleeft?
MM: Ik weet het niet, ik voel me wel erg moe en oud.
M: Voel ik nu dat één van je jongen het niet heeft overleefd?
MM: Ja, dat voel je juist. Die heeft het niet gerede, kreeg te weinig voedsel omdat hij zich onvoldoende meldde voor het eten als ik met iets aankwam. En hij is door de andere jongen opgegeten.
M: Dat klinkt heftig.
MM: Ja, dat klinkt heftig maar kan gebeuren. Daar kan ik me niet echt druk over maken. Het gebeurt soms en ik kan vaak niet constateren wie zich met hun opengesperde snavels laten zien tot het te laat is en dan als hij te zwak is geworden wordt hij opgegeten door de anderen.
M: Wil je nog iets kwijt?
MM: Ik denk dat dit ons laatste gesprek zal zijn. Jammer, je bent best wel OK.
M: Waarom?
MM: Ik voel me zo zwak dat ik vrees dat ik de winter niet zal overleven. En ik ben al best oud met mijn vierde nest kuikens.
240703

Vakantie

Ik heb net heel daadkrachtig en heldhaftig tijd voor mezelf vrij gepland: ik hou een zomerstop tot 1 september voor mijn praktijk in diercommunicatie. Het hoofd is een beetje vol en loopt soms wat over. Ik ben eigenlijk wel heel benieuwd hoe dieren daar tegenaan kijken en ik gooi de communicatielijn maar gewoon open voor wie wat te melden heeft over dit onderwerp.

Eend Emma is de eerst die binnenkomt: “Druk? Druk? Op eieren broeden en jongen grootbrengen, dat is druk.”

Ze wordt bijgevallen door kraaiachtigen die laten zien dat jongen voeden en zelf voedsel zoeken druk is, maar verder is het spel en rusten.

Het paard dat ineens bij ons in de buurt staat, komt ook binnen: “Ik zou wel meer uitdaging willen, wat meer m’n hoofd inzetten. Het is zo rustig en tam. Geen uitdaging.”

De katten die vlakbij het paard leven zijn ervan overtuigd dat je buik vol moet zijn. Dan kun je kiezen: rusten of op avontuur gaan.

Ik vraag aan de hazen of zij zich wel eens opgejaagd voelen. Tenslotte zie ik ze vaak wegrennen op de wandeling met de hond. “Opgejaagd? Welnee, we trekken even een sprintje en gaan ergens anders weer verder.”

Hmmm, allemaal dieren waar ik geen stress bij ervaar. Honden! Die kunnen last van hun bazen hebben. Van al de ballast die de mensen meedragen en als je een beetje pech hebt het projecteren op hun honden.

Ik ben echt een beetje in een zeikbui (excuses voor het woord) en wil graag medestanders onder de dieren.

Ik vraag het de musjes. Die kijken me een beetje vreemd aan. Wat zit ik te zeuren en te miemelen? Zij nemen het leven zoals het zich aandient in al z’n facetten. Okee, geven ze toe, de winter is soms óverleven.

Ik stel me nog steeds open voor reactie en dan komt de bever binnen: “Noeste ijver, daar is niks mis mee.” “Ja maar,” klaag ik, “ik ervaar stress en dat zit me dwars.” “Ach, jij hebt je hoofd zo vol, je ziet me vaak niet eens.” Oeps, alweer een dier dat me hier op wijst. “Ik moet ook veel,” leg ik de bever uit en ik som een lijstje op van allemaal dingen die ik moet of wil doen. De bever haakt af. “Je moet er maar zin in hebben,” bromt hij en hij zwemt uit mijn beeld. Hij laat nog zien dat werken en rusten allebei in gestaag tempo kan.

Al met al geven de dieren me het gevoel mee dat ik met bijzaken in mijn hoofd zit, waar ik dacht dat ik me met hoofdzaken bezighield.

Ontmoeting op de hei

Vanochtend liepen Kaila en ik voor onze ochtendwandeling op de hei. Kaila is een echte ballendief en zodra ze de kans krijgt om een andere hond een bal af te pakken, zal ze dat doen, zodra de bal even onbeheerd is. En dan rent ze weg en van teruggeven is geen sprake. Na verloop van tijd verliest ze echter haar belangstelling in de bal en kan ik hem pakken en eventueel teruggeven. Uiteraard doen zich soms wel eens incidenten voor, zo ook vanochtend.

M: Kaila, wat gebeurde daar nou?
K: Ik had de bal in mijn bek en liep tussen twee Rhodesian Ridgeback’s door en de ene snauwde naar me en dat pik ik niet. Dus blafte ik, maar dat was niet indrukwekkend want ik had de bal nog in mijn bek en dat blaft lastig. Dus liet ik de bal los en heb ik hem van repliek gediend en dat klinkt heftig.
M: Dat klinkt inderdaad altijd heftig, je bent dan zo fel met ontblote tanden en heel veel gescheld.
K: Dat is ook nodig, anders maakt het geen indruk en vallen ze me lastig. En ze liepen netjes door na mijn antwoord op de snauw.
M: Ja, dat viel me ook op, dat ze, hoewel met z’n tweeën, netjes doorliepen en je met rust lieten verder.
K: Zo hoort het ook, de hei is mijn plek en zij waren te gast en moeten zich ook zo gedragen.
M: Waarom zeg je dat de hei jouw plek is, er lopen toch heel veel andere honden ook rond?
K: Dat is ook hun plek, maar deze honden horen hier niet thuis, het waren gasten, ze komen misschien af en toe en ik loop er twee keer per dag, dan is het toch zeker meer van mij dan van hun?
M: Voelt dat zo?
K: Zeker. Zo voelt dat toch ook voor jou als je in het bos loopt waar jij het beheer doet, dan is dat meer jouw bos dan van andere mensen die daar komen.
M: Daar heb je helemaal gelijk in. Maar ik heb me nooit gerealiseerd dat het zo werkt. Ander vraagje, waarom steel je graag ballen van anderen en verlies je daarna de belangstelling in de bal en laat je hem rustig ergens liggen?
K: Als een andere hond met een bal speelt vind ik dat heel leuk en wil ik ook spelen. Daarvoor moet ik de bal zien te veroveren, ik pak hem nooit af, alleen pak ik hem snel als de bal even onbeheerd ergens ligt of valt. En dan is het spelletje voor mij dat jij probeert de bal van mij af te pakken en dat doe je niet slim, ik ben je altijd te snel af. Maar zolang jij probeert de bal van mij af te pakken is het een leuk spelletje. Als je daarmee ophoudt, is voor mij de lol er af en dan heb ik ook geen belangstelling meer voor de bal. Dan laat ik hem ergens liggen en loop ik verder.
M: Duidelijk.

Ik wil nu proberen met de twee Ridgeback’s te praten om hun kant van het verhaal te horen.

M: Wie van jullie wil met me praten?
R: Ik wil dat graag.
M: Vertel waarom snauwde je tegen Kaila in het voorbij lopen?
R: Ze liep zo arrogant tussen ons door met die bal uitdagend in haar bek, dat ik dacht, ik geef even een snauw, kijken wat er gebeurt. Het was een beetje pestgedrag van mijn kant. Maar het was duidelijk, dit is een hond die niet over zich heen laat lopen.
M: Ja, dat maakte ze wel duidelijk. Maar ze vindt ook dat je een te grote mond had voor een gast op de hei, wat vind jij daarvan?
R: Ik weet niet of ik dat met haar eens ben. De hei is een plek waar alle honden mogen loslopen en wij komen er ook graag, maar niet vaak.
M: OK, duidelijk verschillende temperamenten dus.
R: Daar lijkt het wel op.
M: Wil je nog wat kwijt?
R: Wij Ridgeback’s zijn eigenlijk hele lieve en aardige honden en in dat opzicht krijgen we nu weer een slecht imago omdat jij over die snauw begon, dat is jammer.
M: Ik weet het, wij hebben ook heel veel jaren een aantal geweldige Ridgeback’s mogen begeleiden en jullie zijn super lieve honden, maar als je zomaar een snauw geeft, dan ben je wel zelf verantwoordelijk voor je imago.
R: Dat was dus misschien niet zo verstandig? Niet iedereen snapt mijn spelletjes die ik speel blijkbaar.
M: Nou, dank je wel voor dit gesprek.
240609

Hoe kijk je tegen ziekte en dood aan?

In gesprekken komen soms situaties naar voren die ik een mens kan uitleggen aan de hand van eerder opgedane ervaringen. Speciaal voor kat Puk hieronder het verhaal van Banshee, te lezen in het boek In de Stilte hoor je alles.

Het maakt veel uit hoe mensen tegen ziekte en dood aankijken, liet de kat Banshee weten. Deze zestienjarige was erg ziek en kreeg twee keer per week een infuus toegediend. Dit deed de vrouw zelf, thuis. De reden dat de kat dit toeliet, vertelde hij, was omdat hij geen zin had om twee keer per week in de reismand mee te moeten naar de dierenarts.

De vrouw had mij gevraagd te tolken, omdat ze zich realiseerde dat ze er geen idee van had wat de kat nou eigenlijk zelf wilde. Banshee was duidelijk: hij wilde niet dood. Maar hij vertelde erbij dat hij zich niet kon bezighouden met blijven leven als de vrouw de achterdeur naar de dood op een kiertje had staan. Voor de vrouw was het helder dat ze de behandeling moest doorzetten en niet moest denken over hoe het zou moeten als de kat er niet meer zou zijn. Hij koos voor het leven en zij dus ook.

Toch werd ik twee weken later weer gebeld omdat het ineens veel slechter ging met Banshee. Wat wilde hij? We gingen het gesprek weer aan en wat bleek? Banshee had van de dierenarts opgepikt dat die het onmogelijk achtte voor een kat om met zulke bloedwaarden nog te leven! Banshee had zich dit bijzonder aangetrokken. We hebben veel moeite gedaan om hem ervan te overtuigen dat als hij nog wilde leven, hij ook met zulke bloedwaarden mocht blijven leven. Medisch gezien onverklaarbaar, maar Banshee leefde nog twee maanden. Hij is gestorven zoals hij zelf graag wilde: in alle rust, bij de vrouw in bed.

Eddy twijfelt aan zichzelf

M: Dag Hyronimus, kunnen we vandaag weer met elkaar praten?
H: Ja, ik ben bijna altijd beschikbaar als je dat wilt. Ik heb je wel gemist de afgelopen periode.
M: Ja, dat klopt, ik voelde me niet echt zo lekker in mijn lijf en ik ben ineens weer heel onzeker geworden over mijn dierengesprekken. Heb ik wel echte gesprekken met dieren of heb ik toch een zeer uitgebreide fantasie?
H: Helaas moet ik je zeggen dat je een zeer uitgebreide fantasie hebt, grapje, maar jouw fantasie slaat niet op je diergesprekken. Die doe je naar eer en geweten zorgvuldig en voor zover ik kan nagaan, zijn het ook steeds hele echte gesprekken. Maar je bent onzeker geworden door meerdere situaties. Doordat je zelf niet lekker was, heb je weinig gesprekken gevoerd en je bent gaan twijfelen door commentaar dat je kreeg. Dat soort dingen gebeuren, hoewel ik dacht dat je er al overheen was. Normaal gesproken ben je behoorlijk immuun voor de mening van anderen. Dat blijkt dus nu niet zo te zijn. Wat echt helpt is regelmatig blijven praten met dieren, maar je mag dat ook uitbreiden naar andere levende schepselen, als bomen en planten en zelfs mineralen. Dat heb je tot nu toe nooit geprobeerd, maar dat kan ook een interessante bron zijn van informatie. Probeer dat maar eens. Maar voorlopig zou ik je aanraden om weer wat vertrouwen op te bouwen door ‘gewone’ diergesprekken te voeren, zoals je dat altijd al doet. Zoek een situatie of een dier uit en ga er mee in communicatie. Dat zal je weer goed doen.
M: Dank je wel Hyronimus voor dit bemoedigende gesprek. Daarmee is mijn probleem nog niet meteen voorbij, maar ik voel me wel gesterkt om het weer op te pakken en door te gaan. Ik was echt heel erg aan mijzelf aan het twijfelen. En dan helpt het ook niet dat mijn boek niet meer verkoopt, dat is zo jammer.
H: Een boek verkoopt niet zichzelf. Daar moet je aan werken, steeds opnieuw moet je de publiciteit zoeken en dat doe je niet. Je zit gewoon in je luie stoel en wacht af, zo werkt dat helaas voor jou en vele andere auteurs, niet. Ga er mee aan de slag.
M: Dank je voor de tip. Ik zal er over nadenken wat ik kan doen om de verkoop weer aan te zwengelen. En ik weet dat ik mijn diergesprekken weer moet oppakken.
240603

Eend Emma heeft jongen

Eend Emma is dit voorjaar twee jaar oud. Ze is geboren uit een eend die altijd aan boord kwam eten. Emma heeft een gat in haar snavel waardoor haar tong er uit hangt. Dappere Emma heeft bij ons aan boord een vast plekje gevonden op het dak van de vogelkooi en op het dak van de stuurhut. Daar komt ze dagelijks eten en een deel van de dag en de nacht brengt ze aan boord door.

Emma is aangenaam gezelschap, zowel voor de mannelijke eenden die ze altijd om zich heen heeft als voor mij.

In het voorjaar begon Emma eieren te leggen. Ze heeft op drie plekken aan boord geprobeerd de eieren uit te broeden. Iedere keer werden de eieren gepakt door kraaien en ratten en de finishing touch deed de hond die de laatste restjes uitlikte.

Uiteindelijk koos Emma voor een plek aan de overkant. Ze wilde me niet zeggen waar precies. ´Geheime plek.´ Af en toe kwam ze heel snel wat voer halen. Ik kon binnen aan haar snelle korte gesnater altijd precies horen dat zij eraan kwam. Alsof ze bedoelde: ‘Snel, schiet op, ik kan nu even weg van mijn nest.’

Een heel aantal dagen zie ik Emma niet. Alleen haar vriend is aan boord maar hij is veel schrikachtiger en vliegt vaak op als ik langs loop.

En dan op een goede dag zie ik haar zwemmen met wel zeven kleintjes om zich heen! Die Emma, het is gelukt. Vorig jaar was ze in één dag al haar jongen kwijt maar dit ziet er heel stabiel uit.

Ik heb Emma niet weer gezien. Noch met haar jongen, noch aan boord. Tijd om een gesprekje aan te gaan.

Ze laat meteen weten dat ze er even niet is. “Ik ben in veilig gebied, waar ze me niet kennen.” Zal ze die mannetjes bedoelen die haar steeds maar niet met rust lieten?

Ik zeg haar dat ik blij ben voor haar dat ze de eieren heeft kunnen uitbroeden. “Ja, de omstandigheden moeten goed zijn,” geeft ze door.

Ik merk aan haar dat ze gegroeid is door haar moederschap. Het zou mij niet verbazen als ze nog één of twee jongen over heeft. Ik laat haar weten dat ik natuurlijk nieuwsgierig ben maar dat ze zich niet hoeft laten zien aan mij met haar jongen. Veiligheid gaat voor.

Alles aan Emma voelt volwassen en verantwoordelijk. Ze lijkt nu echt bezig met haar oertaak: de jongen groot brengen. Ze voelt als op en top eend. Helemaal gespitst op haar taak. “Zo dadelijk heb ik de veren weer vrij,” merkt ze op. Misschien zei ze dat omdat ik liet doorschemeren dat ik haar wel een beetje mis aan boord.

Ik heb nog één vraag aan haar, namelijk hoe het voor haar was om steeds een stel eieren niet uitgebroed te krijgen. Bij Emma geen lege-nest-syndroom… ze is iedere keer gewoon weer opnieuw begonnen.

Haar vriend zit trouw te wachten op de dakjes van het schip. Regelmatig komen drie andere mannen erbij zitten en een zaadje meepikken van het voer dat ik voor de vogels neerleg. Ik ben benieuwd wanneer Emma’s taak erop zit en ze weer terugkomt.

Wat is het nut van een teek in de kringloop

We zijn weer een weekje op Texel. Het is mooi weer en dus ook tekenweer. Dat maakt mij nieuwsgierig naar het bestaansnut van teken, welke plek hebben zij in het ecosysteem?

M: Dag teek, ik zou heel graag eens met jou willen praten, is dat mogelijk?
T: Ja, dat kan wel. Wat wil je weten?
M: Ik ben eigenlijk benieuwd naar jullie leven.
T: Wij zijn een hele bijzondere spinnensoort. Wij hebben eigenschappen die maar heel weinig dieren hebben en daar ben ik best wel trots op.
M: Vertel.
T: Wij zijn klein en hebben een beperkte levenscyclus. Maar voor onze ontwikkeling zijn wij afhankelijk van bloed van gewervelde dieren. Daar moeten we dus altijd op zien te komen en dat zijn dan onze gastheren of -dames. Want daar zijn we weer niet kieskeurig in. Wij leven bijna altijd op de grond, hoewel er ook soorten zijn die uitsluitend bij hun gastheer verblijven. Zo’n teek ben ik niet.
M: Vertel eens over jouw levenscyclus als je wilt.
T: Dat is goed. Ik ben uit een eitje geboren. Mijn moeder had heel veel eitjes gelegd nadat ze zich vol gezogen had. Ik denk dat ze wel 20.000 eitjes had gelegd. Dat kon ze omdat ze zich voordat ze de eitjes legde helemaal volgezogen had. Wij teken kunnen ons lijf heel erg oprekken als we ons volzuigen. Doordat we erg elastisch zijn kunnen we wel honderden keren ons eigen lichaamsgewicht aan bloed opnemen. En zo kan het dat er ook heel veel eitjes kunnen komen. Niet alle eitjes komen uit en diegene die wel uitkomen zijn een soort larve, we lijken dan al wel op een teek, alleen hebben we dan nog maar zes poten, de laatste twee komen er later bij als we ons ontpoppen tot een klein teekje, die jullie geloof ik nimf noemen. Maar eigenlijk zijn we dan al een teek. In die beide stadia als larve en nimf zijn we afhankelijk van bloed van onze gastheer. En dat is best een probleem. Wij leven in principe op de grond of dichtbij de grond en we zijn geen grote wandelaars. Dus zijn we afhankelijk van onze strategische keuzes en de gastheren die voorbij komen. Muizen en egels zijn onze favorieten, maar ze moeten wel toevallig langs komen. En dat gebeurt niet zo vaak, dus in dit stadium overlijden de meeste teken, van die 20.000 eitjes zijn er slechts enkele honderden die ook echt teek worden. Dan hebben ze al twee keer een gastheer nodig gehad. In de tekenfase hebben we ook weer een gastheer nodig of meerdere als we wat langer leven. Als teek kunnen we wel heel energiezuinig leven, daardoor kunnen we wachten op een langskomende gastheer. Dat kan soms wel jaren duren en toch blijven we in leven al die jaren. Ja, wij kunnen heel energie zuinig zijn. Daar kunnen jullie nog wat van leren.
M: Dat is ook een vraag die ik heb. Wat is jullie plaats in het ecosysteem, hebben jullie een nut in jullie leven?
T: Wat een rare vraag. Natuurlijk hebben wij een nut. Ons leven is ons nut, moet het dan meteen om het grote geheel gaan?
M: Nou ja, veel dieren hebben een plekje in het ecosysteem en zonder die dieren zou een deel van het systeem niet functioneren. Dat zie ik bij jullie niet zo. Jullie zijn geen prooidieren waar de wereld niet zonder kan en ik zie jullie ook geen bestuivingen doen, enz. Zo bedoel ik dat.
T: Dat klopt, dat doen we allemaal niet, maar ons bestaan is ons nut voor de wereld.
M: Maar mensen zijn bang voor jullie want jullie kunnen nare ziektes overbrengen en dus hebben wij jullie liever niet in onze omgeving.
T: Dat begrijp ik, maar is ook kortzichtig. Als jullie ons nu eens goed zouden bestuderen kunnen jullie zien dat we wel degelijk nut hebben. We brengen gevaarlijke ziektes over, dat kan heel nuttig zijn om de mensheid te leren de natuur te respecteren. Daar zijn jullie nog lang niet aan toe, maar bedenk dat het coronavirus ook een waarschuwing van de schepper aan de mensheid was. Die waarschuwing hebben jullie totaal niet begrepen, helaas. Ons andere nut is dat wij enorm energiezuinig kunnen leven, jarenlang zonder enig voedsel, we kunnen dus grotendeels uit de lucht leven. Dat is een interessante gedachte, kijk daar ook eens naar. Als jullie je afschuw over ons bestaan van je af kunt zetten, zijn we eigenlijk best leuke beestjes waar jullie echt van kunnen leren.
M: Dank je wel voor deze afsluiting, nu begrijp ik jullie plek in het ecosysteem die ik nooit begrepen heb. Dank je wel voor dit gesprek.
240508

De ree op de loskade

Een eend liet me al eens weten dat ik zo weinig zie van wat er om me heen gebeurt. Gelukkig heb ik de hond die op een dag luid blaffend aan dek stond. Een beetje geïrriteerd keek ik op en zag een ree.

De ree stond op een zeer buitengewone plek: op de loskade van een zand- en grindbedrijf. Hij stond ons rustig aan te kijken en na een aantal minuten liep hij heel bedeesd weg.

Uiteraard maakte ik contact met hem. Hij kwam een beetje verdwaasd over maar niet geschrokken. Meer zoiets van: waar ben ik nu beland?

Ik zei hem dat hij nogal verdwaald was. Dat vond hij een vreemde opmerking. Hij was gewoon aan de wandel en was hier beland. Hoe kwam ik erbij dat hij verdwaald was?

Nou, uit koers geraakt dan? Ook dat vond hij een vreemde gedachte. Hij liet wel weten dat hij al het steen en beton niet apprecieerde.

We raakten een beetje in een soort spraakverwarring. De ree begreep niet waarom ik vond dat hij op een bepaalde plek hoorde te zijn en te blijven. Ik begreep van mezelf dat ik kennelijk vond dat dieren, net als wij, op een vaste plek moeten zijn.

We hadden een beetje een vreemd contact. We begrepen elkaar wel en niet. Hij was er volgens mij niet helemaal met de kop bij. Dat kon ik me wel voorstellen gezien de gekke plek waar hij zich bevond.

Een paar dagen later laat hij weten dat het hem goed gaat en dat ik moet ophouden met me zorgen te maken. Het gebeurt wel vaker dat hij op onverwachte plaatsen is. Daar heeft hij geen moeite mee. Alleen voelt hij zich vaak genoodzaakt om snel te reageren (vluchten) waardoor hij niet goed kan kijken. En ja, dan kom je op onverwachte plekken.

Van de ree begrijp ik dat hij in het moment leeft. Wie dan leeft, wie dan zorgt. Ik heb sterk het idee dat deze ree behoorlijk nieuwsgierig van aard is. En dat kan inderdaad tot verrassende avonturen leiden.

Met excuses voor de slechte foto maar ik vond het leuk om het echte beeld te laten zien.