De koe en het eten van vlees

Laatst was ik bij een koemonoloog  ( https://bdvereniging.nl/nieuws/nieuw-project-diermonologen/ ). Vanuit DierenPerspectief ben ik daar bij betrokken maar ik had nog nooit een monoloog op een boerderij meegemaakt. Toen het bij mij in de buurt was kon ik er mooi heen.

Er stonden vier koeien in de wei en met een groep van twintig of dertig mensen liepen we de wei in. Een aantal dagen later maak ik contact met één van de koeien. Kennelijk heb ik niet de leider te pakken want deze koe reageert een beetje bescheiden. Ze vraagt zich af of ik de goede wel aan de lijn heb.

‘Ja, hoor,’ antwoord ik, ‘ik vond jullie zo leuk op deze foto en ik bedoel echt jou.’

Nou, goed, wat ik dan wil weten. ‘Jullie waren zo rustig toen wij de wei in liepen. Hoe was dat voor jullie?’

‘Och, jullie waren met veel maar jullie waren rustig en dan is het goed. Wij waren ook wel nieuwsgierig wat jullie kwamen doen.’

‘Jullie hadden snel door dat er hooi was.’ Een van de zoontjes van de boer had 3 balen stro en 1 baal hooi in de wei gelegd om op te zitten. De koeien gingen al snel naar het hooi toe en ik vroeg me af hoe ze dat zo snel doorhadden omdat de baal hooi helemaal achter de mensen lag. ‘Ja, we zijn niet gek. We vangen de geur op en dan is het gewoon je neus achterna.’

De koe laat zien dat we hen niet verstoord hebben. De monoloog en het gesprek erna ging lekker relaxed.

Ik besluit een voor mij heikel punt aan te snijden, namelijk het slachten en vlees eten.

‘Ja, het eind wordt voor ons bepaald,’ haakt de koe in op mijn gedachten. ‘Wij geven wat terug voor het leven dat we gehad hebben. Het is de circle of life. Het overgangsmoment is niet erg, het moment dat we uit ons lichaam gaan. Wat onrustiger is en wat we niet altijd in de hand hebben, is de aanloop er naar toe. Maar dat hebben jullie ook. Het moment van het lichaam verlaten is niet het punt, maar wel wat ervoor gebeurt.’

Ik begrijp het dier helemaal. Vragen wij ons als mensen ook niet af en toe af hoe het eind zal verlopen? Of we pijn en ongemak zullen hebben voorafgaand aan het overgangsmoment? De koe laat zien dat het het rustigst en het best is als er gewoon thuis geslacht wordt.

Ik vertel de koe dat ik een beetje opzag tegen het moment van dineren, wat volgde op de koemonoloog. Stel dat niet doorgekomen was dat ik geen vlees eet? Ik laat de koe zien dat dat inderdaad het geval was en dat drie mensen de soep en het diner (een stoofpot) niet gegeten hebben.

‘Ach, jullie nemen álles op je, daarmee maak je het voor jezelf zwaar. Maar als je weet hoe een dier geleefd heeft en het was goed, dan kun je wel vlees eten.’

We hebben even een grappige uitwisseling in beeld. De koe laat me zien dat het oké is om vlees te eten maar gelijktijdig laat ze ook zien dat ze zelf geen vlees eet. Het levert een begripvol lachje op tussen ons.

‘Je hóeft het ook niet te eten,’ zegt ze mild, ‘je kunt daar je eigen keuzes in maken. Maar weet wel dat wij er al uit zijn. Je eet een stuk opgebouwd leven. Qua recycling is het wel goed. Stel dat alles weggegooid wordt.’

De koe laat dit allemaal rustig en neutraal zien en bevestigt zichzelf nog eens: ‘Het is allebei goed. Wel en geen vlees eten.’

We gaan het contact afsluiten en de koe nodigt uit om nog eens live langs te komen in de wei. Ze vond het bezoek wel leuk. Ik zeg dat dat er vast niet van komt maar ik ben blij dat ze van de afwisseling genoten heeft.

Paard Hendrik

Hendrik is het paard van iemand die ik al langere tijd ken. Het gaat niet goed met hem en de vraag dient zich aan of ik een gesprekje met hem kan hebben of hij al aan euthanasie toe is of niet. Altijd de moeilijkste beslissing in je relatie met je dier.

M: Dag Hendrik, ik zag je staan hijgen, heb je het zwaar?
H: Ja, ik heb het echt zwaar momenteel, ik ben behoorlijk benauwd en sta maar lucht te pompen om toch lucht te krijgen.
M: Oei, dat klinkt niet goed. Kun je dat wel aan?
H: Dat weet ik niet. Voor mijn gevoel kan ik dit wel even aan, maar het moet beter worden, anders kan ik dit echt niet meer. Ik ben wel heel blij als mijn baasje komt of mijn andere verzorgers en dan kan ik even mijn benauwdheid vergeten, maar het is dan zeker niet weg. Alleen heeft een andere emotie de overhand. Maar dat duurt niet heel erg lang.
M: Met andere woorden, is dit niet lang voor je vol te houden, zeg je.
H: Ja, als je het zo wilt vertalen, dan klopt dat.
M: Verlang je ernaar om dood te gaan?
H: Nee, natuurlijk niet. Het leven heeft me heel veel gebracht, zeker de laatste vele jaren dat ik niet meer hoefde te werken en ik eigenlijk met pensioen was en ik mocht zijn wie ik ben, zonder werk. Daar ben ik heel dankbaar voor dat ik zo heb mogen leven. En met de liefde van mijn baasje en de verzorgers was het goed. En ik ben me er van bewust dat ik over het verleden spreek. Het was goed, maar het is nu niet meer goed. Deze benauwdheid is te zwaar. Dat kan ik echt niet lang meer volhouden.
M: Je krijgt medicijnen hiervoor, heb jij het gevoel dat die werkzaam zijn voor jou?
H: Eigenlijk niet, de benauwdheid gaat zeker niet weg en ik ben nog moeier geworden dan ik al was. Dus ik verlang er zeker niet naar om dood te gaan, maar ik kan dit niet volhouden. Dus als mijn baasje mij kan laten gaan, is dat misschien de beste oplossing.
M: Heb je daarbij nog wensen?
H: Ja zeker. Daar wil ik natuurlijk mijn baasje en liefst ook de andere verzorgers er bij hebben en ook mijn vriendinnetje in de wei, Lalo. Als zoveel liefde om me heen staat, kan ik het aan om afscheid te nemen van iedereen. Dat is voor jullie allemaal zwaar, maar ook voor mij. Ik heb wel een heel bijzondere band opgebouwd met al deze mensen en daar ben ik dankbaar voor. Natuurlijk is mijn baasje de belangrijkste en ik wil heel graag met mijn hoofd op haar schoot liggen als het dan echt gebeuren moet. Denk je dat je dat voor mij kunt regelen?
M: Ik zal mijn best doen.
H: En jij ook dank je wel, voor alle jaren dat ik hier mocht zijn en nu voor dit gesprek, dat maakt het veel gemakkelijker om mijn baasje te laten weten dat ik er nu wel klaar voor ben.
M: Dank je wel voor dit gesprek.
240830

De peuter en het aapje

Ik krijg een foto door van mijn kleinzoon met een doodshoofdaapje in Apenheul. Ik probeer contact te maken met desbetreffend aapje en voel een heel bescheiden wezen.

‘Waarom ik?’ lijkt hij te willen zeggen.

“Nou,” antwoord ik, “je zat bij mijn kleinzoon op zijn kinderwagen.”

‘O, dat wist ik niet,’ klinkt het weer even bescheiden.

“Dat geeft niet. Ik ben alleen heel nieuwsgierig hoe het voor jullie is om zoveel bezoek te hebben.”

‘Normaal gesproken praten mensen niet met me. Ze kijken alleen maar.’

“Ik kan me voorstellen dat het even gek is maar ik zou het leuk vinden iets van je te weten te komen.”

Het aapje laat in reactie op mijn opmerking over het vele bezoek zien dat er rust in het park is als de mensen weg zijn. ‘Dan kunnen we uitrusten. Een beetje mijmeren. Restjes zoeken. We kijken ook naar achtergebleven spullen.’

Het aapje laat zien dat ze de mensen aan zien komen en meteen is hun wezen gevuld met de vraag wat ze bij zich zullen hebben.

‘De mensen komen in ons terrein. Ze komen wat halen (kijken) maar wij komen ook wat halen.’ Een win-win situatie dus. Eigenlijk mogen ze niet gevoerd worden en het aapje laat zien dat hij dat ook weet. ‘Maar,’ merkt hij een beetje ondeugend op, ‘er zijn altijd kruimels. En geuren. En materialen. Soms pakken we wat.’ Wat ik van het diertje begrijp zijn mensen een attractie voor hem.

Ik geef hem het beeld door van een mensenmassa en hij laat zien dat ze altijd weg willen kunnen, dat ze zich niet laten insluiten. ‘Wij verkennen. En verkennen vraagt ruimte.’ Het aapje laat zien dat hij de kleine mensjes het leukst vindt. Ze hebben een open blik, er zitten niet zoveel oordelen en meningen aan vast.

Ik vraag het diertje of hij het moeilijk vindt om met mij te praten. ‘Nee hoor,’ is het antwoord, ‘jij geeft ruimte.’ Hij laat zien dat hij het okee vindt dat de mensen komen. ‘Als we geen zin hebben in ze, dan blijven we wat meer op afstand. Het is okee hier.’

Ik zeg het dier dat ik dit gesprek ga gebruiken voor publicatie. Dat vindt hij een goed idee.

De volgende dag zit er een kort filmpje in mijn app waarop te zien is dat mijn kleinzoon met één trap van z’n 15 maanden oude voetje een aapje wegschopt. Ik vraag het aapje wat hij daarvan vindt. ‘Ach, dat hoort erbij,’ hoor ik heel laconiek. Hij kan zich er niet druk om maken.

Een vrolijke libelle

Vandaag zoek ik een libelle om een gesprek mee te hebben, ik ben gewoon nieuwsgierig naar deze mooie dieren. En er dient zich een prachtexemplaar aan.

M: Dag Libel, mag ik met je praten? Jij lijkt me zo’n vrolijke flierefluiter.
L: Praten je, flierefluiter in het geheel niet. Wat je ziet is een mooi insect dat heel bijzondere vluchten kan uitvoeren, maar dat zijn altijd nuttige vluchten.
M: Bijzonder om te horen, ik dacht dat jullie altijd een beetje lol maakten met jullie prachtige capriolen in de lucht. Ik vind jullie echte kunstenaars in het vliegen.
L: Ja dat lijkt wel zo en ik moet bekennen dat we heel erg beweeglijk zijn en we kunnen alle kanten op vliegen en heel snel wenden en keren. Dat is nuttig omdat wij in het midden van de voedselketen zitten. Wij zelf jagen op muggen en kleine vliegjes, maar vogels jagen weer op ons en dan wil je toch wel snel uit de voeten kunnen.
M: Daar heb je gelijk in. Maar als ik op een warme dag jullie in grote getalen zie vliegen en de raarste capriolen zie uithalen, is dat vast niet alleen om rovers te ontwijken.
L: Dat klopt, we genieten zelf ook wel van alle kunstjes die we met onze vier vleugels kunnen uithalen. Dus in zoverre heb je wel gelijk dat we kunstenaars zijn voor de lol.
M: Maar nu wat serieuzer. Hoe is jullie leven opgebouwd als je bij het begin begint.
L: We ontstaan uit een eitje dat onze moeder in het water legt. Als eitje worden we larve en dan beginnen we al met eten van andere dieren, dus eigenlijk zijn wij rovers. We voeden ons met andere larven en muggen eitjes en larven, maar ook andere waterdiertjes, soms ook kleine visjes.
M: Hoe lang zitten jullie dan in het water en hoe weet je dat je er uit moet kruipen om libelle te worden?
L: Ons larven stadium is heel wisselend van duur. Soms zijn we enkele maanden larve, maar soms ook wel anderhalf jaar. Dat is afhankelijk van temperatuur en voedselaanbod.
M: En hoe weet je dan dat je uit het water moet kruipen om een libelle te worden?
L: Zoals ik al zei, dat weet je vanwege de temperatuur. Want we kunnen alleen ontpoppen tot een libelle als het warm genoeg is. Wij zijn koudbloedig, als de meeste insecten of alle, dat weet ik niet, en we moeten onze vleugels laten drogen voor we kunnen vliegen. Tijdens dat droogproces zijn we erg kwetsbaar en dus moet dat niet te lang duren.
M: Dat begrijp ik. En als je dan opgedroogd bent en jij bent wel erg mooi opgedroogd, hoe gaat dat dan verder?
L: Leuk dat complimentje van jou, maar daar vind ik geen partner mee. Mijn partner selecteer ik op basis van zijn krachtige uitstraling en dat kan ik zien door zijn vliegkunsten te bekijken.
M: Dus al die capriolen die jullie uithalen zijn ook een vorm van paringsdans?
L: Zo zou je dat kunnen noemen, hoewel we ze ook moeten uithalen om ons voedsel te vangen en om aan onze vijanden te ontkomen. Dus wendbaarheid is heel belangrijk voor ons.
M: En als je dat gedaan hebt, hoe lang leef je dan als libelle?
L: Dat is weer afhankelijk van het tijdstip van ontpoppen en de temperatuur. Zijn we vroeg in het voorjaar uitgekomen, dan kunnen we enkele maanden leven, zijn we later uitgekomen of is er een koude periode gevolgd op een warm voorjaar, dan kunnen we slechts kort leven, enkele weken. En in die periode moeten we volwassen worden en een partner vinden en eitjes afzetten of als mannetje zorgen voor nageslacht. Meestal sterven we vrij snel nadat we nageslacht in de vorm van eitjes hebben afgezet in het water.
M: Dat klinkt mooi en heb je dan het gevoel dat je een mooi leven hebt gehad?
L: Ja, wij zijn eigenlijk wel vrolijke insecten en we hebben wel lol in ons leven.
M: Dank je wel voor dit gesprek, wil jij nog wat toevoegen?
L: Ja, leuk als jullie genieten van onze vrolijke kunststukjes die wij uithalen met vliegen en wees je meer bewust van dat jullie ook bij de natuur horen, dat je er deel van uitmaakt, in plaats van dat jullie je erboven voelen staan.

240827

Gesprek met een ‘dode’ boom

Op mijn dagelijkse wandeling met Kaila loop ik door een bos en spreek een prachtige dode beuk aan. Tot mijn verrassing krijg ik antwoord en volgt er een interessant gesprek over een aantal dagen verspreid.

M: Heb jij bewustzijn?
B: Ja, ik heb bewustzijn en ik zit nog in de boom. Het is wel aan het vervagen, het neemt langzaam af en daarmee ga ik weer op in de groep.
M: Hoe werkt dat proces?
B: Dat kun je als volgt beschouwen. Wij bomen zijn onderdeel van het bomenbewustzijn, maar dat bestaat uit heel veel. Om het voor jou wat begrijpbaarder te maken geef ik je een voorbeeld. Jij hebt een rechter wijsvinger, daar bestaat er maar één van, jouw rechter wijsvinger. Want je linker wijsvinger is weer anders. En de wijsvingers van andere mensen zijn anders, daarom heeft ook iedereen een eigen vingerafdruk. Jouw wijsvinger is dus uniek, maar tevens één van de tien vingers aan je handen. Dus is hij uniek en tevens onderdeel van een geheel. Zo is dat met bomen ook. We zijn uniek en toch een onderdeel van het grotere geheel. Als bomen in het bos en het bos is weer onderdeel van een groter geheel en ga zo maar door. Alles is altijd weer een onderdeel van een groter geheel of het kan in kleinere delen verdeeld worden. Tot zover ik als boom. Ik ben afzonderlijk en bijna dood, maar ik ben wel en tevens onderdeel van het bos.
M: Nu liep ik langs een andere dode boom en die liet niet meer merken dat daar bewustzijn in zat. Hoe is dat dan?
B: Die boom is duidelijk helemaal dood. Er zit ook in de wortels geen of nauwelijks leven. Bij mij zit er nog vrij veel leven in de wortels, waardoor ik ook nog vrij veel bewustzijn heb. De dode boom die je aansprak, kan niet meer reageren. Er zit nog wel wat bewustzijn in, maar dat zit zo ver weg, daar kun je niet meer bijkomen en het kan niet meer bij jou komen.

M: Hoe gaat dat dan als een boom gekapt wordt met het bewustzijn?
B: Dat is natuurlijk afschuwelijk. Een boom kappen of omzagen is gelijk aan een wezen doodmaken. Dus dat is geen goed gevoel. Maar er is een andere kant aan. Als ons gevraagd wordt om ons als boom op te offeren om ergens voor te dienen, bouwmateriaal voor een boot of een huis, en dat is duidelijk gecommuniceerd, dan offeren wij ons heel graag op. Want wij zijn er ook om ons op te offeren ten dienste van het geheel. Dat begint al bij planten die zich opofferen om gegeten te worden en dat gaat door naar bomen en ook voor sommige dieren geldt dat zij zich graag opofferen om opgegeten te worden, want zo zit de kringloop van ons ecosysteem in elkaar.
M: We mogen dus, als mensen, bomen kappen om daar hout van te maken en dat doet jullie geen kwaad?
B: Dat is juist. Maar wat daarbij heel belangrijk is dat je dat met bewustzijn doet dat je iets of een wezen vraagt zich op te offeren. Sommige mensen hebben dat goed begrepen en zaaien bijvoorbeeld uitsluitend bij een bepaalde maanstand. Daarmee maak je aan het zaaigoed, zoals jullie dat noemen, voor ons zijn het allemaal kleine individuele zaadjes, duidelijk dat het gezaaid wordt met de bedoeling dat het na een goed en aandachtig leven zich mag opofferen om gegeten te worden als plant of als boom de eervolle plek te mogen krijgen als een houten balk in een huis. Doodgaan is niet erg, belangrijk is dat je een zinvol leven hebt gehad. Dat geldt voor jullie als mensen, maar ook voor planten en bomen.
Maar zomaar een boom kappen, zonder dat deze daarop voorbereid is en door de voorbereiding zijn bewustzijn reeds heeft kunnen terugtrekken, is bijna misdadig. Het doet de boom veel pijn en hij begrijpt het vooral niet, dat veroorzaakt die pijn.

Zomaar een boom kappen, zonder dat deze daarop voorbereid is en door de voorbereiding zijn bewustzijn reeds heeft kunnen terugtrekken, is bijna misdadig.

M: Ik begrijp dat het dus heel belangrijk is om tijdig te communiceren dat er een kapactie aan gaat komen. Maar hoe doe je dat?
B: Dat is niet zo moeilijk. Concentreer je op de betreffende boom en laat duidelijk zien in je gedachte dat de boom gekapt gaat worden en wat er met de restanten gaat gebeuren. Want opofferen met een doel is mooi, maar gekapt worden en dan weggegooid worden is vreselijk. Kun je dat verschil begrijpen? Want dat is belangrijk. Je intentie is bepalend.
M: Dank je wel voor dit uitvoerige gesprek, ik heb veel van je geleerd. Wil je nog wat kwijt?
B: Dit was het voorlopig wel, genoeg voor nu.
230725

Kraai die het heet heeft

Ik loop op de hei, het is totaal uitgestorven, er lopen geen wandelaars, geen honden en zelfs de vogels laten zich niet zien, het is veel te heet buiten. Momenteel is het een van de warmste dagen van deze zomer in Nederland met een buitentemperatuur van 33 graden. Ik probeer vogels te spotten maar ze laten zich niet zien en horen en vraag me af hoe zij dit weer overleven en dan vooral de zwarte vogels, als kraaien. Nu zijn kraaien geweldige goede ‘praat’ vogels, je kunt gemakkelijk contact met ze krijgen, dus probeer ik het.

M: Dag kraai, mag ik met je praten?
K: Altijd leuk om even te kletsen.
M: Hoe overleven jullie deze hitte?
K: Niet zo eenvoudig, wij zijn gevoelig voor de zoninstraling met onze zwarte verenpak en hebben het dus al snel een beetje heet en dan zitten we met de snavel open. Dat komt al voor bij veel lagere temperaturen, dus vandaag is best wel moeilijk.
M: Hebben jullie daar een tactiek voor?
K: Nou, we blijven zo veel mogelijk op een schaduwplek in een boom zitten en bij voorkeur ergens op een plek waar het nog een beetje waait, dat scheelt heel veel. En dan zitten we daar stil zolang het zo heet is. Eten en drinken doen we dan in de koelere uurtjes, als vroeg in de ochtend of later in de middag en de avond. Het is nog lang genoeg licht om wat later te eten. En dan redden we het wel.
Hoe doen jullie mensen dat dan?
M: Wij blijven eigenlijk net als jullie zoveel mogelijk op een stille, wat koelere plek. Dat is vaak thuis, maar het kan ook zijn dat we het bos of de waterkant opzoeken. En veel mensen hebben tegenwoordig verkoeling binnen, zij het door een ventilator of zelfs airco.
K: Kun je me dat even laten zien, want die begreep ik niet. (ik laat een apparaat zien dat herrie maakt buiten en binnen koele lucht uitblaast). Ik snap het. Die apparaten zijn wij niet zo blij mee, ze maken herrie en ze blazen juist warme lucht uit.
M: Ja dat doen ze aan de buitenkant, binnen maken ze het koud.
K: Kijken jullie alleen naar jezelf? Want binnen wordt je wel kouder, maar buiten worden wij allemaal nog warmer, dat is toch een beetje asociaal om te doen?

Kijken jullie alleen naar jezelf? Want binnen wordt je wel kouder, maar buiten worden wij allemaal nog warmer, dat is toch een beetje asociaal om te doen?

M: Je hebt gelijk. Ik kan dat ook niet goedpraten, maar mensen hebben de neiging om alleen naar zichzelf en hun kleine kringetje om hun heen te kijken en ze voelen zich minder verantwoordelijk voor de hele planeet. Gelukkig zijn daar steeds meer uitzonderingen op.
K: Hoe kun je nu alleen naar jezelf kijken en niet naar het geheel, want daar maak je ook deel vanuit. Je bent dus eigenlijk gewoon je eigen nest aan het bevuilen. Dat zouden wij niet zo doen. Voor ons geldt dat we een deel van het geheel zijn en dat we ons daar ook naar gedragen.
M: Dat is het mooie van dieren, jullie voelen je ook nog één met het geheel.
K: Nee, we zijn één met het geheel. En daarom kunnen wij niet anders zijn. Doordat jullie niet meer één zijn met de natuur, kunnen jullie tegen die natuur in gaan en dat heeft al heel veel kapot gemaakt.

Wij zijn één met het geheel. En daarom kunnen wij niet anders zijn. Doordat jullie niet meer één zijn met de natuur, kunnen jullie tegen die natuur in gaan en dat heeft al heel veel kapot gemaakt.

M: Zo die kan ik in mijn zak steken.
K: Wat bedoel je?
M: Dat het een rake opmerking was. Maar natuurlijk kun je niet alle mensen over één kam scheren en dat geldt natuurlijk ook voor jullie kraaien en andere dieren.
K: Daar heb je gelijk in, maar ik denk toch niet dat een dier bewust tegen de natuur in zou kunnen gaan, want daarvoor zijn we te veel verbonden met elkaar.
M: Ik vind dat je dat mooi gezegd hebt. Ik dank je voor dit bijzondere gesprek, waarbij ik eigenlijk alleen wilde weten hoe jullie kraaien deze hitte overleven, maar waarbij jij even fijntjes uitlegde dat wij mensen maar erg egoïstische wezens zijn, los van de natuur. Wil je nog wat toevoegen?
K: Eigenlijk lijkt het me een goed gesprek en heb ik niets toe te voegen. Ik sta open voor volgende gesprekken.
M: Hoe heet je eigenlijk en kan ik je benaderen voor een andere keer?
K: Ik ben naamloos, maar ik heb een klank, daar kun jij niets mee. Maar je kunt je aandacht op me vestigen en dan kunnen we weer praten, net als vandaag.
240814

 

Over spinnende katten, wolven, konikpaarden en de mens

Het is goed om af en toe een glas wijn met een vriendin te drinken. Dan komen er vragen op aan dieren die een gesprekje waard zijn.

De eerste vraag was waarom katten spinnen. Ik vroeg het de kittens Roderick en Boudewijn en ze gaven meteen een ontspannen en tevreden gevoel door. Ze gaven een plek in hun hals door waar de trillingen plaatsvinden en ik kreeg door dat het endorfines vrijgeeft, waardoor spinnen ook bij ongemak z’n nut heeft.

Nou, maar es kijken wat ik er op internet over kan vinden. Ja hoor, het komt overeen. Wat grappig. Er is zoveel onderzoek naar gedaan en de dieren weten het zelf.

De volgende vraag betrof een situatie waarin een man door het bos liep en ineens door een kudde Konikpaarden werd ‘afgesloten’. Dat wil zeggen: de kudde kwam met hun achterste naar de man staan en leek hem af te schermen. Toen de man keek zag hij een wolf langslopen. Vooral de geur van de wolf was heel opvallend en is hem bijgebleven.

Wat was hier aan de hand? Het verhaal gaat dat de man zich beschermd voelde door de paarden.

Ik maak contact met Konikpaarden en vraag of er iemand van hen is die over deze situatie wat wil vertellen. Er komt een statige hengst naar voren die er eigenlijk maar één ding over heeft te zeggen: ‘Sommige werelden moet je niet vermengen.’

Het lijkt mij een duidelijk antwoord dat geen verdere vragen behoeft. Ik vraag hem nog wel of zij als Konikpaarden bang zijn voor de wolf. ‘Nee, wij hebben meer te duchten van mensen,’ is het antwoord.

Ik realiseer me dat ze met hun achterste naar de mens stonden, niet naar de wolf. Weer gebruik ik internet om op te zoeken wat dit betekent. “Achterhand tonen: Een paard gaat met zijn achterhand naar een ander persoon, dier of andere stimulus staan als hij geen contact of geen conflict wil met de ander. De houding van het paard is verder ontspannen.”

Kinderboerderij: hangbuikzwijn

M: Dag mooie varkens, jullie komen wat chagrijnig over, maar kan ik wel met jullie praten?
V: Natuurlijk kan dat en we zijn helemaal niet chagrijnig, hoe kom je daarbij?
M: Jullie maken die indruk met je snoet en je geknor en dat jullie elkaar af en toe even wegjagen.
V: Dat is normale gang van zaken. Nee, als we chagrijnig zijn dan zijn we dat ook echt. En dan wil je niet bij ons in de buurt komen.
M: Is dit dan jullie houding om zo veel mogelijk met rust gelaten te worden?
M: Sorry voor onderbreking. Ik werd gebeld en moest even weg om wat te doen.
V: Dat is nu precies jullie probleem. Je laat je door van alles en nog wat afleiden en alles is belangrijker dan met dieren omgaan.
M: Nu voel ik me schuldig, maar toch ook wel een beetje te hard aangepakt. Natuurlijk zijn deze gesprekken belangrijk, maar ik heb ook andere bezigheden en die zijn ook belangrijk voor mij. En nu ben ik even druk met andere dingen. Toch wil ik het gesprek graag afmaken. We hadden het over jullie knorrige humeur. Is dat standaard of een houding?
V: Dat is min of een standaard houding. We zijn nu eenmaal knorrige dieren en daar genieten we van. Dat knorren kan ook heel tevreden klinken, dus het is de toon die de muziek maakt.
M: Hoe voelen jullie je op de kinderboerderij thuis?
V: Ik moet zeggen best wel goed. Ik moet weliswaar de hele dag met die knorrige oude vent naast me optrekken, maar er is slechter gezelschap. Van de kinderen hebben we niet veel last. De meeste vinden ons maar enge beesten en dat is jammer, want wij varkens zijn eigenlijk wel schatjes. We zijn niet echt knuffelachtig, maar het is toch leuk om naar ons te kijken?
M: Ja, ik vind jullie wel twee schatjes zoals jullie lopen rond te scharrelen en wens jullie nog veel plezier in dat leven en leuk dat je zoveel humor hebt in al je knorrigheid.
V: Ja, dank je wel. We knorren wat af hier en zien je graag weer een keer terug.
240716

Jonge katjes aan boord

Ik had me voorgenomen om geen dieren meer in huis te halen en een uitsterfbeleid te hanteren. Maar ja, ineens heb ik besloten om twee kittens op te nemen in ons huishouden. Ik had natuurlijk een lange lijst aan bezwaren in mijn hoofd maar op een zwak (?) moment heb ik die lijst aan de kant geschoven en heb ja gezegd tegen hun komst. Inmiddels zijn ze er een week en is het tijd voor een gesprekje.

Eerst maar met Sjaan, de hond. “Je had wel verteld dat ze zouden komen maar dat het zo leuk was wist ik niet,” zegt ze meteen. Ik merk op dat ze een andere interesse in de katjes heeft dan in honden. “Ja, het zijn grappige dieren. Die oren…” Het lijkt wel of ze ze vriendelijk uitlacht. “Ik wil wel spelen met ze maar ik weet niet hoe.” Ze laat zien dat de omgang met honden altijd iets van concurrentie heeft. Honden hebben dezelfde interesses. Bij katjes is dat anders en Sjaan is heel tolerant en nieuwsgierig naar ze.

Dan naar Roderick. Ik maak contact met hem en dan noem ik altijd mijn naam. “Ik wist niet dat je Piek heet,” hoor ik meteen. Opmerkelijk. Dat ben ik kennelijk vergeten te zeggen. Roderick laat zien dat ik al had laten weten dat ik ze op kwam halen. Nou, dat heb ik dan wel goed gedaan. Ik loop met hem in beeld door hoe de autorit ging en het aankomen in het schip. Hij voelde zich meteen veilig. Dat verbaast me omdat de omgeving, de geluiden en de geuren toch heel anders zijn dan in de eerste 12 weken van zijn leven. “Ik kan me snel aanpassen,” zegt hij en dat kan ik me ook voorstellen bij hem. Nogmaals laat hij zien dat hij zich veilig voelt en zoals ik het interpreteer heeft dat te maken met een algehele sfeer van er mogen zijn. Dat is fijn om te zien.

Boudewijn wil wat meer afstand en dat laat hij ook zien in het gesprek. Waar Roderick vlakbij me in beeld kwam, zit Boudewijn een eindje verderop. Ook in het fysieke verschuilt Boudewijn zich graag achter Roderick. Niet omdat hij bang is, maar Roderick is iets meer op mensen gericht. Met Boudewijn heb ik het over Sjaantje. “Die wil meer dan ze nu doet,” merkt Boudewijn op. Ik kan me dat voorstellen. Sjaan wil wel spelen maar ze is een hond en beheerst het kattenspel niet. Ik laat Boudewijn zien waar de kattenbakken zijn. Hij gebruikt ze niet maar poept en piest er naast. “Wat ben jij streng,” ketst hij in beeld terug. “Nee, ik ben niet streng maar ik wil niet dat het een zooitje wordt en dat het gaat stinken. Ik zie niet altijd waar je piest en dat vind ik vies.” Ik laat hem nogmaals zien hoe dat gaat op een kattenbak en ik hoop dat hij het gaat oppakken. Er zit een eigengereidheid in deze kat. Hij laat zich niet zomaar iets vertellen.

Dan naar de papegaai. “Heb je ze voor mij in huis gehaald?” vraagt hij. Ik grinnik. Destijds heb ik cavia’s in huis gehaald omdat ik voorzag dat het stil zou worden als de kat er niet meer zou zijn. Maar deze katjes heb ik niet speciaal voor hem gehaald. Pepijn vindt het wel leuk dat ze er zijn. “Al die actie is vermakelijk. En het maakt de atmosfeer minder stilstaand. Ik observeer en ik geniet. Verder ga ik mijn eigen gang.” Omdat het zomer is heeft hij de mazzel dat hij zowel naar binnen als naar buiten kan en zo kan hij inderdaad kiezen waar hij is. Het is grappig dat hij laat zien dat ik geniet van de katjes. “Dat is belangrijk voor jou. Dat jonge spul breekt je open,” zegt hij. En als ik daarover nadenk klopt dat inderdaad. Jonge dieren en jonge kinderen maken iets los in me: de heerlijke onbevangenheid, het zijn in het nu en alles onbevooroordeeld ontdekken met alle zintuigen.

Kinderboerderij: jonge geitjes

M: Beste geitjes, kan ik met iemand van jullie praten? Laatst waren we op bezoek en zag het er erg leuk en gezellig uit.
G: Ik heb geen idee wie jij bent, maar praten lijkt me wel leuk, dat kunnen we nooit met mensen, terwijl de kleine mensen wel hier komen om met ons te knuffelen.
M: Hoe is jullie leven op de kinderboerderij? Ik bedoel kun je dat aan met al die hordes kinderen die af en toe achter jullie aan zitten en die jullie willen aaien, enz.
G: Soms is het druk, maar vele dagen is er niets te beleven, komt er af en toe een kleintje in de kinderwagen langs, maar niet in ons hok of weide. Maar er zijn ook hele drukke dagen en dan krijgen we wat minder gelegenheid om onszelf te zijn. Maar eerlijk gezegd geniet ik altijd erg van die knuffels. Komt er zo’n kindje in mijn hok op het stro zitten en kan ik zomaar op schoot stappen of soms wordt ik ook gegrepen om op schoot te komen zitten. Maar als ik eenmaal op die warme schoot zit en die lekkere kinderlijfjes voel, kan ik helemaal indoezelen. Dat vind ik wel genieten.
M: Heb je alleen maar positieve ervaringen?
G: Nee, zeker niet, maar ze zijn wel de belangrijkste ervaringen. Soms worden we opgejaagd door enkele kindjes en dat is niet leuk, maar we hebben voldoende ruimte om daar ook aan te kunnen ontsnappen, dus dat gaat prima.
M: Blijven jullie op de kinderboerderij of als je groter wordt, moet je weer weg?
G: Ik heb daar nog geen ervaring mee en ook geen herinnering aan hoe dat vroeger ging. Ik weet het dus niet. Wat denk jij?
M: Ik weet het ook niet. Wil je nog iets zeggen aan mensen en kinderen?
G: Ja, nu ik de gelegenheid krijg. Ik wil graag dat alle mensen gaan begrijpen dat wij dieren een eigen gevoelsleven hebben en wel degelijk ons bewust zijn van of iets fijn is of niet. We genieten erg van liefdevolle aandacht, maar we houden er niet van als jullie lelijk doen tegen ons of andere dieren.
M: Dat is een mooie boodschap voor zo’n jonge geit als jij bent. Dank je wel.

240716