Verdwaalde zeeschildpad

M: Dag schildpad, kunnen wij met elkaar praten?
S: Hé, jij zit in mijn schild, wie ben je en wat wil je?
M: Voelt dat zo, dat ik in je schild zit? Grappig, ik hoop dat ik je niet stoor daarmee. Maar feitelijk zit ik in je bewustzijn. En ik ben Eddy, een mens en ik wil graag met jou praten om te begrijpen wat er met jou gebeurd is.
S: Dat weet ik zelf ook niet precies. Ik snap er niets van waarom ik hier in een beperkte ruimte zit met helder en vreemd water.
M: Misschien kan ik jou een beetje helpen als jij mij daarna helpt met je verhalen.
S: Lijkt me een deal.
M: Jij bent aangespoeld op het strand in ons land, een land wat voor jou een beetje te veel noordelijk ligt en daardoor waarschijnlijk te koud was om te kunnen overleven.
S: Ja, ik weet dat ik ben aangespoeld op het strand. Ik moest een beetje uitrusten, maar normaal doe ik dat ik het water, nu kon ik niet in het water blijven, ik had moeite met zwemmen.
M: Dat begrijp ik, want je was in een koude omgeving en je was zwaar geworden door de mosselen die op je zaten. Dan wordt zwemmen heel lastig.
S: Ja, nu begrijp ik dat. Doordat het water kouder was, word ik langzamer en heb ik meer tijd nodig voor mijn bewegingen en gaat alles trager. Dan is het ook lastiger om voedsel te vinden, want ik ben niet altijd snel genoeg. En met te weinig voedsel en te langzaam, gaat het niet goed.
M: Ja, dat is er gebeurd. Je bent gevonden en opgevangen in een dierentuin, een plek waar ze je kunnen verzorgen tot je weer voldoende op sterkte bent en dan brengen ze je waarschijnlijk terug naar waar je vandaan komt.
S: Dat klinkt mooi.
M: Kun je me nu iets vertellen over jezelf? Waar ben je geboren, waar leef je en wat eet je, enz.
S: Ik ben geboren op het strand van wat jullie Florida noemen. Daar kwam ik uit het ei en ik heb de race naar het water overleefd en ook in het water heb ik het overleefd. Dat is best wel een wonder, want schuivend over het strand zijn er erg veel roofdieren die ons proberen op te eten. Maar zelfs als we de zee bereiken en dat doen niet veel van ons, zijn we nog niet veilig. Daar wachten weer allerlei roofvissen en grotere dieren om ons op te eten. Het is echt geluk hebben als je dat allemaal overleeft en je daarna dieper de zee in kunt gaan. Daarmee bedoel ik niet dieper het water in, maar verder weg van de kust. Daar is het veiliger en kunnen we ons ook wat gemakkelijker verstoppen onder de golven en af en toe wat dieper in het water. Hoewel we eigenlijk van ondieper water houden, daar is eenvoudiger voedsel voor ons te vinden.
M: Dat begrijp ik. En nadat je je eerste jaren als klein schildpadje hebt overleeft, wat doe je daarna?
S: Toen ik ouder werd, hoewel ik nog steeds jong ben, ben ik meer de zee op gegaan met waterstromen mee. Dat is goed te doen, er zijn op zee minder roofdieren en ik kan onderweg goed kwallen eten, die vind je bijna overal. Het is een wat eenzijdig voedsel maar als je reist is dat prima.
M: Was jij al eens de Atlantische Oceaan overgestoken?
S: Ja, dat heb ik nu gedaan, maar ik ben blijkbaar verkeerd uitgekomen, te ver naar het noorden en te koud. Dus of dat een goed idee was, weet ik niet.
M: Leef jij alleen of leven jullie in groepen?
S: Nee, wij leven eigenlijk alleen, hoewel we elkaar wel regelmatig kunnen tegenkomen, zeker in de kustwateren. En daar komen we dan weer in de buurt van onze geboorte stranden want daar paren we ook.
M: Wil je nu zeggen dat je de oceaan oversteekt en een tijdje later weer teruggaat? Dus dat je twee keer of meer heen en weer gaat?
S: Ja, dat is precies wat ik bedoel. Dat is niet zo vreemd, we zijn goede zwemmers en we gaan eigenlijk altijd met een stroming mee en dan is dat prima te doen.
M: Indrukwekkend. Hoe doen jullie dat met slaap?
S: We kunnen prima onderweg slapen, meestal proberen we in de stroom te blijven en worden we vanzelf meegevoerd in de slaap.
M: Maar moeten jullie niet om de zoveel minuten naar boven om adem te halen?
S: Ja, dat moeten we als we wakker zijn, maar als we slapen kunnen we de gehele slaap onder water blijven. We kunnen ons metabolisme verlagen zodat we nauwelijks zuurstof gebruiken en we gewoon drijven in het water. Daarmee kunnen we goed slapen en toch behoorlijke afstanden afleggen.
M: Nou, ik vind het allemaal best indrukwekkend wat je allemaal vertelt. Dank je wel hiervoor.
S: Graag gedaan. Zullen we nog een keertje praten? Ik vond het wel leuk.

 

Ratjes aan boord

Wij wonen op een schip en waar water is zijn ratten. 38 jaar geleden zagen we door de raampjes al een rat rennen met de kat erachteraan. Dus we zijn bekend met ratten aan boord. Maar de laatste jaren hebben ze toegang gevonden in het schip. Er zijn altijd wel gaatjes te vinden waar ze door kunnen. De geluiden begonnen tussen het plafond en het dek en zakten in de loop der jaren langs de muren richting vloer. Met het sterven van de laatste kat hebben de ratjes hun kans gezien om in de binnenruimte van het schip op onderzoek uit te gaan. Aanvankelijk had ik het niet zo door. Ik vond wel eens een leeg zaadhulsje van het papegaaienvoer op een gekke plek en in mijn onschuld glimlachte ik omdat ik dacht dat er muisjes waren. Na een tijdje begon ik toch andere vermoedens te krijgen, ook over de frequentie van de bezoekers, en heb ik een camera aangeschaft.

Nou, wat een feest is het aan boord! Ik ben werkelijk verbaasd over wat er zich in de nachten allemaal afspeelt… Elke dag ben ik de beelden aan het bekijken om erachter te komen wat hun gedrag is en waar ze vandaan komen. Op mijn speurtocht heb ik verschillende gaatjes gevonden en dicht gestopt.

Tot nu toe leverde onze communicatie niet meer op dan dat de ratjes (het zijn inderdaad kleine ratjes) me zeiden dat we geen last hebben van elkaar. En daar moet ik ze gelijk in geven, want feitelijk hebben we geen last van elkaar. Toch ben ik vandaag maar weer es het gesprek aangegaan.

Ik probeer contact te maken maar tref schuwe dieren. Ze laten meteen weten dat ze in ‘de onderwereld’ leven en dat mensen hen niet willen zien. “Jij hebt ook kwaad in de zin,” hoor ik. Nou, ergens klopt dat ook wel. We weten niet anders dan dat ons is gezegd dat ratten vies en onhygiënisch zijn, dat ze weg moeten. Opgelegd, aangepraat, nagepraat inderdaad. En ja, mensen reageren met afschuw op ratten. Alle alarmbellen gaan meteen af. Ze hebben bijna een vluchtelingenbestaan als ik ze goed begrijp. Nergens veilig, nergens echt welkom.

Maar goed, terug naar het schip. De ratten laten zien dat ze een binnen en buiten hebben. En hun binnen (aanvankelijk allemaal gangen en holletjes in het isolatiemateriaal) hebben ze nu uitgebreid met in de menselijke woonruimten te komen. “Als het kan, waarom zouden we het dan niet doen?” is hun redenatie. En vanuit hun standpunt begrijp ik dat.

Ik ben het stadium allang voorbij dat ik ontzet of boos of verontwaardigd of beschaamd ben dat zij er ook zijn. We zijn al veel fases verder en er is een soort acceptatie bij me. Dankzij de camera weet ik dat ze heel oplettend zijn: ze kijken aanvankelijk altijd recht in de lens, blijven voorzichtig snuffelend staan tot ze weten dat de camera geen gevaar is. Ik weet hun route langs een kast naar de zaadjes van het geknoeide papegaaienvoer en bedenk me dat ik de kast kan verplaatsen om verwarring te veroorzaken. “Dat kunnen jullie me toch niet kwalijk nemen?” zeg ik ze. “Wij kunnen ons aanpassen,” is het antwoord en ik ben ervan overtuigd dat ze dat inderdaad gaan doen. Dan ga ik via de camera weer kijken hoe ze in de nieuwe situatie reageren.

We komen overeen dat ik wat andere maatregelen ga nemen om ons fort te bewaken en het kan zijn dat daar een kat bij hoort. De hond doet namelijk erg haar best wanneer ze geluid hoort, maar het nadeel is dat ze er luid blaffend op af gaat. De ratjes laten weten dat ik in feite nog steeds geen last van ze heb. En het klopt: ik heb er maar één keer eentje zien wegrennen en er liggen nergens uitwerpselen. Heimelijk heb ik lol want ik denk dat er veel meer dierlijke bewegingen rondom ons zijn dan dat we doorhebben.

 

PS Ik heb een keer iemand aan boord gehad die ook aan ‘ongediertebestrijding’ deed en hij zei meteen dat ze hier niet aan begonnen. In een schip met zoveel kieren en gangen zou het met hun methodes nooit lukken.

Kaila geniet mee van de publiciteit

M: Halo Kaila, je ligt weer als vanouds gezellig naast me terwijl ik aan het werk ben. Ik wilde graag even met je spreken. Hoe voelt het voor jou dat het boek nu gereed is en er publiciteit voor komt en wat merk jij daarvan?
K: Daar merk ik nog weinig van. Wel merk ik dat je wat vaker weg bent en dat je interviews geeft en veel over je boek spreekt. Maar het heeft (nog) geen invloed op mij.
M: Dat gaat dan veranderen, want vanmiddag komt er een fotograaf die wil een foto van ons samen maken en dan kom je in de krant.
K: Dat lijkt me leuk samen met jou in de krant. Dat wacht ik met plezier af.
M: Wat vind jij daar leuk aan?
K: Dat weet ik niet, ik denk samen met jou op de foto. Zo van wij knus samen op de foto. Dat wordt vast mijn lievelingsfoto. Ga je die dan ook gebruiken als Kerstkaart?
M: Geen idee. Ik weet niet of wij die foto krijgen en op die manier mogen gebruiken.
K: Dan moet je dat vooraf even met de fotograaf regelen, dat vindt hij dan vast wel goed.
M: Dat is een goede tip. Wat vind je verder van het boek?
K: Het ziet er mooi uit, maar je hebt geen gesprek met mij erin opgenomen? Waarom heb je dat niet gedaan?
M: Goede vraag. Dat heeft te maken met hoe het boek is ontstaan. Oorspronkelijk was het een boek met alleen maar gesprekken met Hyronimus erin. Maar dat was een beetje saai met allemaal gesprekken met deze wijze vogel achter elkaar aan. Dus heb ik er wat voorbeelden bij gedaan van gesprekken die via Hyronimus hebben plaatsgevonden en daarna nog wat extra andere gesprekken om te laten zien wat er allemaal mogelijk is. Daardoor zijn er weer veel gesprekken met Hyronimus weggelaten. Ik heb er nooit aan gedacht om een gesprek met jou op te nemen, onze gesprekken zijn erg vanzelfsprekend. We zien elkaar altijd en zijn heel dicht bij elkaar.
K: Daar heb jij wel weer een punt. Een volgende keer dan maar.
M: We hebben wel veel gesprekken waarvan een deel als blog gepubliceerd zijn, dit wordt ook een blog vandaag.
K: Oh dat lijkt me leuk. Eerst een fotograaf langs en dan nog een blog gepubliceerd. Ik vind aandacht best wel leuk. Denk je dat mensen mij gaan herkennen?
M: Dat weet ik niet. Zo veel boeken zijn er nu ook weer niet verkocht dat je een beroemde hond gaat worden.
K: Dan moeten de mensen het boek gewoon kopen, zodat je een nieuwe druk kunt maken en we samen wel bekend gaan worden.
M: Zou jij dat leuk vinden?
K: Misschien wel. Als je het me zo direct vraagt weet ik het eigenlijk niet. Wil ik bekend worden? Wat is dat eigenlijk, bekend worden? Dat mensen je op de hei of in het bos tegenkomen en zeggen: kijk dat is Kaila? Ik geloof niet dat ik dat belangrijk vind. Ik wil dat mensen me lief vinden en dat ze me aanhalen en aaien. Dat vind ik leuk. Maar meer hoeft niet.
Ik vind het belangrijk dat die kattenliefhebber die honden haat, nu mijn grootste vriend is, zoals hij zegt. En zijn hele familie zegt: pa, wat is er met jou aan de hand, je houdt niet van honden? En pa dan zegt maar wel van dat gekke beest van de buren! Daar geniet ik van.
M: En daar heb je volkomen gelijk in. Dank je wel voor het gesprek. Wil jij nog wat kwijt?
K: Ik ben benieuwd naar de fotograaf vanmiddag. Of die me ook aardig vindt.

 

Zeven hanen in harmonie

Zeven jonge hanen die vreedzaam met elkaar wonen. Het kan. Ik zie ze regelmatig als ik bij hen op bezoek kom. Tijd voor een gesprekje.

Ik maak contact met de groep en eentje treedt naar voren en stelt zich formeel op als meneer Haan. Oké, ik doe aan het spelletje mee.

Ik geef hem het beeld dat ik het altijd leuk vind om bij de twee huisjes aan te komen waar vrienden wonen. Als hond Sjaan en ik aankomen scharrelen de hanen vreedzaam rond. Ze kijken even op maar gaan dan weer hun gangetje.

“Wij tolereren iedereen hier,” hoor ik meneer Haan met een beetje aangedikte trots zeggen.

“Nou… ik heb gehoord dat er één haan is die wel es een beetje gepest wordt…”, zeg ik hem.

Meneer Haan doet het een beetje lacherig af: “In elke groep is een mindere geest. We bedoelen het niet kwaad, we zetten hem gewoon even op zijn plek.”

Ik denk hoe wij mensen dat doen. Zijn wij eigenlijk niet precies hetzelfde?

Het terrein waar deze hanen rondscharrelen en hun slaaphok hebben sluit aan bij een boerderij waar een groep kippen en een haan rondscharrelen. Er zitten een aantal struiken tussen hen in. De groepen hebben elkaar nog niet ontmoet. Ik vraag de haan of hij weet heeft van de anderen.

Als een generaal zegt hij: “Er zijn andere troepen maar we hebben er geen last van.”

Deze hanen presenteren zich als heren en meesters van het grondgebied waarop ze rondscharrelen. Ik moet inwendig lachen om de jeugdige bravoure en overmoed die ze uitstralen.

“Weten jullie je jeugd nog?” vraag ik. Ik weet dat ze met z’n allen gevonden zijn in een bos. Meneer Haan laat een beetje ongemakkelijk gevoel zien. Iets van weggezet zijn, het alleen moeten zien op te lossen, een beetje aan hun lot overgelaten zijn. Hij lijkt het met een schudden van zijn kop weg te wuiven en laat hun huidige plaats zien: de plek waar ze als een stel jonkheren in hun eigen gecreëerde wereld leven.

Ik gniffel en ben blij dat deze prachtige dieren hier zo vreedzaam kunnen wonen met elkaar. En iets in mij zegt: Zie je wel, het kan wel!

Hyronimus 22: Uitbundige begroeting bij thuiskomst

Ik ben weer enkele weken in India geweest voor mijn vrijwilligerswerk en heb daar aan het concept van mijn boek gewerkt. Inmiddels is dat boek al uitgekomen en is het te bestellen en hebben er zelfs al reviews van plaatsgevonden. Dit gesprek is dus nog van daarvoor toen ik aan het boek werkte.

M: Dag Hyronimus, zullen we weer met elkaar praten? Wat was het bijzonder dat jij de dag dat ik weer thuis kwam vanuit India, me meteen begroette hoog in de lucht op een plek waar ik je niet verwachtte. Dat was heel mooi, dank je wel.
H: Fijn dat je het opgemerkt hebt. We hebben elkaar al lang niet meer gesproken. Hoe staat het met je boek of moet ik zeggen ‘mijn boek’?
M: Nou, daar heb ik best goed aan kunnen werken in India in mijn stille avonden. Ik heb een concept boek gemaakt waarin er meer dieren gesprekken zijn opgenomen dan alleen jouw verhalen en verweven met stukjes uit mijn leven. Dat is best wel aardig geworden voor mijn gevoel, hoewel er nog veel aan moet gebeuren.
H: Goed om te horen dat het wel opschiet.
M: En hoe is het jou vergaan tijdens mijn afwezigheid?
H: Dat is niet zo ter zake doend. Ik wil graag van jou horen dat je je best doet op je boek, want er hangt veel van af. En het is goed dat je er een wat algemener boek van maakt dan alleen maar onze gesprekken achter elkaar plakken. Dat is leuk voor de dierentolk adepten, maar niet echt voor het grotere publiek en die willen we bereiken.
Je was trouwens leuk op weg met je boeken die je aan het lezen bent om in de buurt te komen van een natuurwet waar ik je dan meer over kan vertellen. Maar die studie ben je weer gestopt, jammer.
M: Dat vind ik zelf ook jammer, maar ik had geen ruimte om én mijn vrijwilligerswerk te doen, én aan ons boek te schrijven én ook nog te studeren. Dat zal moeten wachten tot het boek als concept gereed is en anderen het gaan corrigeren, redigeren en opmaken en drukken enz. wat er allemaal nodig is om het gereed te krijgen. Ik heb nog maar anderhalve maand om het in de winkel te krijgen en dat is erg kort dag. Dus zal ik er stevig aan moeten werken.
H: Ja dat besef ik. Doe je best. Als je weer verder bent en je gaat weer aan de studie, wil ik heel graag verder met je praten over de ontdekking van de natuurwetten door jou.
M: Dank je wel en tot ziens. Ik doe mijn best op ons boek.
230926

Laat die dieren maar lopen

Ik had gedacht dat de manier waarop Rozette leeft (zie vorige blogs over haar) tot haar dood lekker door zou gaan. Maar nee hoor, het leven had weer wat anders in petto. Half september verscheen er een klagelijk miauwend kitten in de bosjes waar Rozette leeft. Niet te benaderen en zo klein dat hij steeds wegkroop. Rozette was met regelmatig weg als ik eten kwam brengen. Ik praatte op haar in dat het toch gezellig is met zo’n kleintje, dat het voordelen kan hebben etc. Maar ik kreeg alleen maar terug: “Ik ben geen babysitter en als jij dat zo leuk vindt, doe het dan maar zelf.”

Op een gegeven moment zag ik haar onder bomen en struiken zo’n twintig meter van haar eigen plek vandaan, op een omheind stuk grond waar niks mee gedaan wordt. Gelukkig zat er een gat in het hek en hop!, daar ging ik met een nieuw huisje voor Rozette. Nu had ik twee katten eten te geven: Rozetje die helemaal in haar sas leek en een mauwend kitten dat ik amper zag maar wel altijd hoorde.

Inmiddels zijn we twee maanden verder. Het kitten mauwt niet meer en laat zich bijna altijd zien vanaf anderhalve meter afstand. En Rozette tref ik op verschillende plekken: op de dijk, bij haar nieuwe huis of bij haar oude huis. Het is inmiddels zo dat beide katten binnen een meter afstand van elkaar eten. Tijd voor een gesprekje.

“Geef me maar wat extra stro in m’n huisje,” is het eerste wat Rozette laat weten. Ze laat weten dat ze wel wijs is met haar nieuwe plek: het is rustig, afgesloten en veilig. Op de andere plek moest ze meer op haar qui-vive zijn, was het drukker qua mensen en kwamen er regelmatig honden.

Ik zeg dat het me verbaast dat ze regelmatig bij haar oude plek is en het kitten goed verdraagt. “Die kleine redt zichzelf nu. Ik ben geen babysitter, zoals ik toen ook al zei, ik gedoog hem nu. Ik ben de baas, ik ben de oudste. Maar ik vind de nieuwe plek okee om voor mezelf te hebben.” Nogmaals laat ze weten dat zij de baas is en dat het kitten erbij mag. Ze laat ook weten dat ze het best bijzonder vindt van zichzelf dat ze de kat verdraagt.

Ik vertel haar dat het eten neerzetten niet meer regelmatig gaat. Doordat ik ook onregelmatige diensten in de zorg werk en de plekken verdeeld zijn is het ritme eruit. “Zit toch niet te zeuren, het gaat toch goed zo?” reageert Rozette. “Dat eten van jou is extra, wij redden ons prima.”

Ik ga even naar de kleine poes. “Jij dacht dat ik het niet zou redden maar door het miauwen redde ik het juist wel,” hoor ik. Het klopt dat ik tegen mensen had gezegd dat het kitten het niet zou redden. De dierenbescherming wilde hem ook niet ophalen omdat het dier zich op openbaar terrein begeeft. “Ja, dat miauwen deed wat bij mij,” antwoord ik hem. “Er zijn meer jonge katten hier maar geen enkele zat zo te miauwen als jij.” Slim dier, hij deed een appel op mijn zorgbehoefte.

Ik vraag me af waarom hij zich zo honkvast aan deze plek verbonden heeft. Een antwoord krijg ik er nog niet op, alleen een vasthoudend en optimistisch gevoel.

Ik geef het dier het beeld dat hij laatst op de dijk naar ons toe kwam lopen en waarschuw hem dat hij wel altijd weg moet kunnen als er gevaar dreigt. “Ik ben een jager!” antwoordt hij met jeugdige overmoed. “Ja, hoho, soms wordt er ook op katten gejaagd,” zeg ik hem en ik geef hem het beeld van honden. Net als aan Rozette vertel ik hem dat hij altijd welkom is om aan boord te komen wonen als hij het zat is buiten. “Ik ben bang om mijn onafhankelijkheid kwijt te raken,” zegt de kleine wijsneus.

Beide katten zien er ontzettend goed uit. Ze hebben het goed voor elkaar zo. Laat die dieren maar lopen.

NB: Wat ik zo leuk vind: Uiteraard heb ik geprobeerd via de diercommunicatie de dieren te beïnvloeden maar ze stonden daar beiden niet open voor. Ze zochten hun eigen weggetje, zonder mijn menselijke bemoeienis, naar hun eigen inzicht en wijsheid en pas nu laten ze communicatie toe. 

De fietsenmaker vertelde vandaag dat beide katten uit één bakje eten voor zijn deur en dat de kleine kat zich bijna laat aaien.

Wolf is wel erg dichtbij actief

Op 200 meter afstand van de plek waar we gewoond hebben en nu onze dochter woont, is een weiland waar schapen en pony’s staan. Nu is er twee nachten achter elkaar een schaap doodgebeten met verwondingen zoals de wolf dat doet. Uiteraard wordt daar onderzoek naar gedaan, maar dat duurt altijd een paar maanden voor je zekerheid hebt dat het de wolf is geweest en welke wolf. Maar het leek me toch tijd om eens met de wolf contact op te nemen nu  hij door een bewoond gebied loopt en daar ook zijn slachtoffers maakt.

M: Dag wolf, we hadden vanochtend even contact en nu zou ik graag een wat diepgaander gesprek met je willen voeren. Fijn dat je er voor openstaat.
W: Ja, ik was verrast je te ontvangen en ben benieuwd wat je van me wilt.
M: Eigenlijk wil ik met je praten om je te begrijpen. Kun je iets over jezelf vertellen?
W: Dat kan. Ik ben een mannetje en heb de groep verlaten om op avontuur te gaan. Daarbij ben ik blijkbaar in jouw gebied terecht gekomen en daar verblijf ik nu al een tijdje. Het is een mooi gebied met ruim voldoende voedsel voor mij , maar ook voor een potentiële familie. Lastig vind ik wel dat het een druk gebied is.
M: Dat snap ik dat je dat zegt. Je bent in een behoorlijk bevolkt gebied, weliswaar met heel veel groen, maar toch ook veel woningen en wegen die er door het groen heen gaan. Dus lijkt het voor mij voor jou niet zo’n aantrekkelijk rustig gebied.
W: Probeer je me nu al te verjagen?
M: Nee, dat was beslist niet mijn intentie. Alleen begrijp ik het niet zo goed dat je dit gebied kiest waar al zoveel mensen wonen en veel van het gebied al verdeeld is in kleine stukjes waar mensen allerlei activiteiten op uitoefenen. Ik bedoel eigenlijk te zeggen: heb je niet liever een rustiger gebied?
W: Nou mensen storen me niet echt. Ik zoek ze niet op, maar als ik ze zie dan loop ik er niet voor weg. De meeste mensen zijn blijkbaar bang voor mij, want ze houden gelukkig afstand en daar hoef ik me dus niet zoveel van aan te trekken.
M: Heb je wel genoeg gelegenheid waar je je wel terug kunt trekken en waar je in alle rust kunt slapen?
W: Ja, die heb ik gelukkig ook gevonden. Er is best behoorlijk wat vrije ruimte waar jullie niet zitten.
M: Dat stelt me gerust. De verwachting was eigenlijk van de experts dat jij dit gebied niet rustig genoeg zou vinden en dat je weer verder zou trekken.
W: Dat hebben ze dan mis. Ik zie het gebied als geschikt voor mijn doelen, namelijk er leven en jagen.
M: Ik heb een vraagje over het jagen van jou. Je hebt nu twee nachten achter elkaar een schaap doodgebeten, maar er eigenlijk nauwelijks van gegeten. Dood jij niet voor het eten?
W: Dat ligt wat ingewikkelder. Ik ben een wolf en een wolf is een natuurbeheerder. Wij doden dus om overtollige dieren op te ruimen en laten de kadavers liggen voor andere dieren om op te eten. Daarmee komen er weer meer aaseters naar mijn gebied. En dat is weer goed voor de natuur. Dus minder dieren waarvan er te veel zijn en voedsel voor grotere aaseters als gieren, haviken en buizerds. Als ik nog even door mag gaan. Er zijn veel te veel schapen in jullie gebied, dus daar moeten er minder van komen, die dood ik dus, een bewuste keuze.

Ik ben een wolf en een wolf is een natuurbeheerder. Wij doden dus om overtollige dieren op te ruimen en laten de kadavers liggen voor andere dieren om op te eten.

M: Dood je niet alleen voor jezelf om te eten?
W: Dat doe ik ook, maar dat is voor mijn eten. Dit andere doe ik als natuurbeheerder, dat zit in mijn genen en dat doe ik dus vanuit een drang. Dus als ik moet ruimen, omdat er te veel van een soort zijn, dan moet ik die dieren doden. En ik dood in principe alleen de zwakke dieren, die niet voor me weglopen of het maar kort volhouden. En schapen doen raar. Ze lopen even te rennen en zodra ik er één gegrepen heb, gaan ze met z’n alle staan kijken, in plaats van weglopen. Ja, dan is het natuurlijk niet moeilijk om ook de rest van de kudde dan maar aan te pakken.
M: Maar enkele honderden meters van mijn dochters huis, heb je de keuze gemaakt om nu twee nachten achter elkaar steeds één schaap te doden. Waarom?
W: Omdat ze raar doen deze schapen. Blijkbaar weten ze niet dat ze bang voor me moeten zijn. Ze rennen alleen omdat ik ook ren om er een te pakken. Daarna gaan ze gewoon staan te staan. Er is geen lol aan om die te doden, maar ik moet het wel doen. Dat komt de komende dagen wel.
M: En ga je de pony’s ook aanvallen?
W: Dat denk ik niet. Ze gaan meteen om elkaar heen staan en kunnen best hard trappen, dus blijf ik liever een beetje uit hun buurt. Maar als ik de kans krijg, dan zijn ze ook aan de beurt, want ook daar zijn er veel te veel van in deze streek.
M: Heb je dan toch niet het gevoel dat je in het verkeerde gebied terecht bent gekomen?
W: Waarom?
M: Juist omdat er hier veel paarden en pony’s zijn en dat ook wel zo zal blijven.
W: Het gebied is groot genoeg.
M: Maar niet als jij meent dat je te veel moet opruimen.
W: Hier zullen we wel over van mening blijven verschillen. Mensen doen altijd zo moeilijk over het doden van dieren in de wei en kijken nergens naar als het varkens of koeien zijn. Dat is superhypocriet. Meten met twee maten.

Mensen doen altijd zo moeilijk over het doden van dieren in de wei en kijken nergens naar als het varkens of koeien zijn. Dat is superhypocriet. Meten met twee maten.

M: Daar moet ik je helaas gelijk in geven. Nou ik wens je nog een goed leven toe. Wil je nog iets toevoegen?
W: Eigenlijk wel. Waarom houden jullie zoveel dieren op zo’n klein oppervlak? Dat is toch niet goed, daar hebben jullie mij dan toch voor nodig om dat in evenwicht te brengen?
M: Dank je wel voor het gesprek?
W: Heb ik iets verkeerd gezegd?
M: Nee, helemaal niet. Ik respecteer jouw mening dat jij de natuurbeheerder bent en dat wij mensen dat niet moeten doen.
231020 – foto van natuurfotograaf Sjaak Hoogendoorn

Wegsluimeren

Mensen schakelen mij in als dierentolk als ze antwoorden willen van hun dier. Maar wat als een dier het niet meer allemaal weet? Als z’n koppie watterig wordt, als er gaten vallen, als ze de weg in zichzelf een beetje kwijt zijn? Als dierentolk krijg ik geen heldere antwoorden meer uit zulke dieren en dein ik mee in hun verdwazing.

Hoe leg ik dat uit als ik de mensen aan de lijn heb? Het gevoel wanneer je nét iets teveel hebt gedronken en een aantal dingen vervagen waarvan je dacht dat het heel belangrijk was? Het lekker meedeinen op niks? Ik liet laatst het woord slumby vallen maar volgens mij was dat geen woord. Toch wel: slumber betekent sluimeren.

Misschien is het helemaal niet zo’n gekke afsluiting van een leven… lekker wegsluimeren en dan ineens verdwijnen…

Tirza moet naar de dierenarts en wil niet praten

M: Dag Tirza, kunnen we nu praten?
T: Ja, ik ben beschikbaar.
M: Waarom wilde jij niet praten voordat we naar de dierenarts zouden gaan? Ik had je willen vragen wat er aan de hand is met je.
T: Dat wilde ik juist niet. Je weet hoe ik ben, ik wil alles zelf oplossen en onafhankelijk zijn. Daarbij past het niet dat je mij vraagt of er iets aan de hand is. Dat moet je zelf maar concluderen.
M: Dat hebben we gemerkt en daarom hebben we de afspraak gemaakt met de dierenarts. En dat heb ik je laten weten, zodat je voorbereid was. Jammer vond ik dat je op het moment dat we weg moesten, je je verstopt had.
T: Die vond ik juist wel leuk. Je had moeite me te vinden.
M: Dat klopt, wie verwacht er nu dat je je in de kattenbak had verstopt? Maar waarom had je je verstopt?
T: Ik was bang, ik voelde me niet goed en ik zag bij jullie de gedachte dat ik al 18 jaar oud ben en dat het nu minder met me gaat en of dat niet het einde van mijn leven zou moeten zijn?
M: Dat is heel naar, maar dat waren niet mijn gedachten. Ik wilde je laten nakijken en we wilden weten wat er aan de hand was en waarom je duidelijk minder goed en blij was.
T: Ik was helaas bang voor iets anders, maar gelukkig hebben jullie doorgezet en heeft de dierenarts mij geholpen, hoewel dat niet echt aangenaam was, het deed pijn. Aan de andere kant concludeerde de dierenarts wel dat het heel goed met me ging. Ik kan volgens haar nog wel een paar jaar mee.
M: Daar ben ik helemaal niet bezorgd over. Natuurlijk kun je nog een hele tijd mee en bij ons blijven. En het is goed te zien dat je jezelf nu weer goed verzorgd en dat je weer veel bent gaan eten. Jammer vind ik echter dat je daarmee ook weer een aantal irritante eigenschappen terug hebt en dat is bijvoorbeeld dat je ons ’s nachts weer wakker maakt omdat je naar buiten wilt en dat is niet de bedoeling dat je ons wakker maakt midden in de nacht.
T: Maar ik heb ook mij behoeftes en dan wil ik naar buiten om regenwater te drinken. Dat kraanwater binnen vind ik eigenlijk niet lekker.
M: Maar als we een beetje gezellig met elkaar willen samen leven, moeten we niet elkaar tijdens de slaap lastigvallen.
T: Dat deed ik niet bewust, ik had dorst en het regende buiten en dan wil ik eruit om te drinken.
M: Toch is het wel fijn als je meer rekening houdt met anderen buiten jezelf.
T: Je weet dat zoiets niet de kracht van een poes is.
M: Ik ben gewoon blij dat het je weer goed gaat en dat je meer eet, jezelf weer goed verzorgt en ook veel minder haren verliest. Een goed teken.
T: Nou goed hoor, tot een volgende keer weer.
231020

De kunst van niets doen

Interessant wat dieren kunnen doorgeven…

Afgelopen week waren er twee verschillende katten die hun mensen complimenteerden met het feit dat ze niets gedaan hadden. De mensen waren niet meegegaan in drama, ze hadden de katten gevolgd zonder in te grijpen en één kat noemde het letterlijk: De kunst van niets doen.

Ik zocht deze term op internet op, maar stuitte alleen op De kunst van het niets doen. En dat was niet wat de katten bedoelden.

Als mensen staan we meteen op scherp als onze huisdieren iets mankeert. We weten niet hoe snel we voor ze moeten zorgen, hoe snel we ergens een probleem van moeten maken. Hoe snel we ook de verantwoordelijkheid bij de dieren wegnemen. Waarom niet een stapje terug doen, vertrouwen in het dier zelf hebben en kijken of we niets kunnen doen?

Voor wie niet begrijpt wat ik bedoel: De ene kat was blij dat de mensen hem gewoon oud lieten worden en de andere kat was blij dat de mensen zijn keus respecteerden om buitenshuis te gaan wonen.