Hyronimus 3: Hyronimus wil weer praten

De buizerd laat me de hele dag weten dat hij er is en wil praten. Gisteren heb ik de buizerd zien vechten met een andere buizerd op het grasveld. Ik heb het niet goed gezien, de andere vloog onmiddellijk weg nadat hij mij achter de ramen zag. Dus het is maar een flits geweest van een gevecht. Maar ik ben er erg van geschrokken en heb het gevoel overgehouden dat hem wat mankeert.

B: Waarom heb je zolang gewacht, je begreep toch dat ik wilde praten?
M: Ja dat begreep ik, maar ik was druk aan het werk, maar nu zit ik klaar.
B: Ik zag dat je gisteren gezien hebt dat ik ruzie had, ben je erg geschrokken?
M: Ja, we schrokken erg en maakten ons zorgen.
B: Had je eerder moeten praten, er was niets aan de hand. De kinderen zijn al een tijdje uitgevlogen en we wennen ze nu dat ze zelf moeten jagen en eten, dat gaat ze niet altijd gemakkelijk af en dan komen ze weer bij mij dat ze eten willen en deze was heftig, maar ik heb hem mijn rug toegekeerd, zodat hij begreep dat hij niets meer zou krijgen en daar was hij boos over.
M: Dat heb ik totaal niet begrepen. Ik maakte me zorgen dat je gewond was en dat je op de grond in de struiken moest overnachten. Ik ben zelfs in de tuin naar je op zoek gegaan.
B: Je had het me gewoon kunnen vragen.
M: Maar ik ben onzeker over onze gesprekken en weet niet of het echt is en daarom durf ik niet zomaar te praten en wil ik eerst de juiste rust om me heen maken, zoals nu. (Ik ben weer speciaal in mijn werkkamer gaan zitten voor dit gesprek)
B: Dat is mooi maar volgens mij kunnen wij op ieder moment van de dag praten, ook als je druk bent, je moet alleen even alles loslaten.
M: Mijn vrouw vraagt of je een naam wilt krijgen, zodat we weten met wie we praten.
B: Je praat toch alleen met mij, dus dat is niet moeilijk; maar als je me graag een naam geeft doe dan maar.
M: Mat vind jij een leuke naam?
B: Hyronimus
M: Dat klinkt ouderwets en ook wel deftig.
B: Vind je hem niet mooi?
M: Moet er wel even aan wennen, maar hij is zeker mooi.
M: Heb je nog wat te vertellen?
B: Je mag best eerder reageren, ik heb vandaag lang op je gewacht, tot ziens.

Ik heb opgezocht wat Hieronimus of Hyronimus betekent: Hieronymus is een Latijnse jongensnaam. Het betekent `heilige naam`.

Hyronimus 2: Elkaar leren begrijpen

De buizerd ligt weer op ons achter grasveld in de koelte van het gras. Hij wil praten, maar ik heb eigenlijk geen tijd. We hebben vandaag onze oppasdag, iedere donderdag, maar we hebben onze kleindochter mee naar ons eigen huis, ze is 17 maanden oud en een echt handenbindertje.

M: Sorry dat ik weinig aandacht voor je heb, maar we zijn druk.
B: Dat zie ik, heb je een pup in huis? (Ik merk dat hij niet altijd de juiste woordkeuze heeft of dat mijn vertaling niet altijd correct is, want dat met die gastvrijheid van het vorige gesprek was volgens mij ook niet een goed woord, hoewel hij het daarna goed uitlegde)
M: Ja, we passen op ons kleinkind op donderdag en vandaag zijn we in ons huis.
M: Mijn vrouw wil ook graag contact met je en ze vraagt of we een kleine waterbak in de tuin voor je zullen neerzetten.
B: Is zij je vrouwtje? Ze mag zelf wel met me praten, zij kan dat. Die waterbak is lief maar voor mij niet nodig, wel voor kleine vogels. (Hij laat me zien waar hij drinkt en baddert als dat nodig is en dat is aan de rand van het meer enkele honderden meters verderop)
M: Waarom kwam je vandaag weer ‘buurten’?
B: Vond het gisteren leuk en er zijn weinig mensen om mee te praten en als ik een boodschap heb, wil ik wel weten wie ik kan spreken.

Als ik een boodschap heb, wil ik wel weten wie ik kan spreken

M: Dat is goed, je mag me altijd ‘bellen’ en daar bedoel ik mee een seintje geven dat je wilt praten. Ik zal proberen te luisteren naar je seintjes, zodat je niet altijd hoeft langs te komen.
B: Dat is goed, dat moeten we samen oefenen want ik weet niet waar jij op reageert anders dan me zien.
M: Ja dat moeten we oefenen en dat vinden we dan wel uit. Waar wil je me voor kunnen waarschuwen?
B: Voor als er dieren of de natuur in nood komen en wij dieren jullie hulp nodig hebben om iets te doen wat wij niet kunnen.
M: Dat snap ik, waar denk je aan?
B: Voor als er jagers in het bos zijn of wanneer er vuur is of ergens een dier gewond is.
M: Hoe zit het dan als jij op een prooi jaagt?
B: Dat is iets heel anders, de dieren waarop ik jaag zijn er voor ons en we zoeken altijd dieren die weinig kansen van overleven hebben.
M: Dat begrijp ik, ik denk dat we het gesprek moeten stoppen, onze kleindochter wil naar buiten en dan word jij gestoord. Wil je nog wat zeggen?
B: Hou haar dan binnen tot we klaar zijn.
M: Dat lukt niet, tot spoedig en laten we oefenen in herkennen.
B: Doen we tot spoedig. Mijn kleintjes doen soms ook niet wat ik wil.

Hyronimus 1: Kennismaking met de buizerd

Vanmiddag ligt er een buizerd op ons achter grasveld in de koelte van het gras. Ik voel me uitgenodigd om een gesprek met hem te beginnen. Maar besef nu nog niet hoe belangrijk deze gesprekken zullen gaan worden. Snel achter mijn bureau in de huiskamer, aarden, aansluiten aan het veld en de buizerd begroeten. Buiten is het 40 graden Celsius, binnen is het ook erg warm.

M: Mag ik met je praten?
B: Ja, jij zit daarbinnen he?
M: Ja, heb jij het zo warm dat je al een uur in het gras ligt?
B: Het is heel warm en het gras is koel, maar ik let wel goed op, maak je geen zorgen. (Ik maakte me zorgen of onze poes Tirza niet te veel belangstelling zou hebben)
M: Hoe is het leven als buizerd?
B: Mooi, ik geniet erg van het hoog zweven op de bewegingen in de lucht (hij laat mij zien hoe dat gaat)
M: Zou ik dat door jou kunnen voelen?
B: Ja, als ik jou vertrouw en ik ken je al jaren als bewoners van dat huis, dus mag je even met me mee vliegen.
M: Terwijl je gewoon op het grasveld ligt?
B: Ja dat kan, kom je mee?

Als ik jou vertrouw dan mag je even met me mee vliegen

M: ik krijg het gevoel alsof ik Niels Holgersson ben op de rug van de buizerd en we zweven heel hoog, ik dacht even het eng te vinden zo hoog en zo weinig houvast, maar de buizerd geeft me een heel veilig gevoel en het is geweldig!
M: Dank je voor dit gevoel, maar waarom zweef jij niet daar in de lucht?
B: Vandaag is de lucht heet (het all-time hitte record is vandaag gebroken), normaal is het boven lekker fris met wind, maar vandaag dus niet.
M: Ik heb eigenlijk geen vragen meer, heb jij nog wat te zeggen?
B: Ik hoop dat de nieuwe mensen over een tijd ook zo gastvrij zijn.
M: Wat bedoel je met gastvrij, waarom niet gewoon aardig?
B: Gastvrij betekent dat jullie deel uitmaken van het grotere geheel en je niet afscheiden en je niet ergeren aan de kleintjes (de jonge buizerds) die schreeuwend door de tuin vliegen, voor jullie is dat normaal, het hoort er gewoon bij, zoals jullie er ook gewoon bij horen.
M: Bijzonder om dat te horen, dank je wel, lag je soms in de tuin om het gesprek wat eenvoudiger te beginnen?
B: Ja, je had het in je gedachten al de hele week aangekondigd, moest er maar eens van komen.
M: Nou, heel erg dank je wel.
B: Tot de volgende keer, wacht niet te lang.

Kaila 5: Kaila heeft wat bijsturing nodig

Het gaat steeds beter met Kaila, maar bepaalde aspecten gaan nog helemaal niet goed. Daar spreek ik haar op aan en de antwoorden verbazen me steeds opnieuw. Het is een zelfstandige persoonlijkheid. Daarnaast zijn we haar aan het socialiseren en gaan daarom met haar naar een hondenspeelweide.

M: Dag Kaila, kunnen we weer even samen praten?
K: Ja leuk, ben je tevreden met me?
M: Ik vind dat je grote vorderingen maakt sinds ons laatste gesprek. Je laat Tirza nu veel beter met rust en bent zelf ook een stuk rustiger in huis. Dus dat doe je goed.
K: Ik hoor een maar … (Kaila was aan het spelen en gaat nu rustig aan mijn voeten liggen)
M: Er zijn nog veel dingen die je moet leren, maar we doen echt niet alles tegelijk. Geniet je van je wandelingen op de hondenweide?
K: Ja, dat vind ik geweldig. Heel veel speelvriendjes, de meeste zijn leuk, sommige vind ik eng, die rennen zo hard dat ze me ondersteboven rennen, vind ik niet altijd leuk. En de mensen vinden me weer allemaal prachtig en willen me aaien.
M: Daar hebben we een leerdingetje. Zoals je weet wil ik niet dat je tegen de mensen opspringt. De meeste mensen vinden dat helemaal niet leuk omdat dan hun kleren vies worden. Daar houden mensen niet van.
K: Maar iedereen vindt me zo lief en wil me aaien en wordt blij van me! (Daar heeft ze helaas gelijk in)
M: Ik denk wel dat de meeste mensen je heel lief en leuk vinden en dat blijft ook zo als je niet springt. Je kunt gewoon naast ze staan of zitten en ze aankijken met die prachtige ogen van je en als je je koppie een beetje scheef houdt smelt iedereen, daar hoef je dus niet voor te springen. Dan kunnen ze je aanhalen zonder dat ze zorgen over hun kleren hoeven te hebben. Kun je dat begrijpen en accepteren?
K: Ik ben nog niet overtuigd.
M: Maar je zult toch moeten stoppen met tegen mensen opspringen, anders kan ik je nooit los laten lopen en dan kunnen we niet naar de speelweide.
K: Dat zou wel heel erg zijn.
M: Dan zul je dit soort dingen snel moeten leren. Zullen we daar de komende tijd aan werken?
K: OK, als jullie helpen leer ik het wel, met Tirza is het ook gelukt.
M: Precies en dank je wel voor het gesprek.

Tirza 3: Tirza krijgt complimenten

De verhoudingen tussen Kaila en Tirza zijn wat minder gespannen, er lijkt zich een compromis aan te dienen waar ze allebei mee kunnen leven.

M: Hoi Tirza, mag ik even met je praten en je complimenteren met hoe goed je het doet met Kaila?
T: Dat mag, ik heb begrepen dat Kaila niet zo’n monster is als ze eruitziet. Ik kan haar goed de baas met mijn lichaamstaal en ze mag best af en toe aan me ruiken of een likje geven. Ik kan nog wel van haar schrikken als ze ineens op me afspringt.
M: Dat begrijp ik allemaal, maar je doet het zo goed! Je mag ook best weleens in de slaapkamer op bed komen liggen terwijl Kaila in de bench slaapt.
T: Doe ik misschien wel weer eens, dat lijkt me nu nog wat eng.
M: Dat snap ik, maar we zullen je altijd beschermen en Kaila doet geen kwaad, maar vindt jou wel heel spannend.
T: Dat vind ik ook nog wel een beetje.
M: Dat begrijp ik, maar ik kan je alleen maar complimenteren, je doet het geweldig. Slaap lekker verder.
(Diezelfde nacht komt Tirza bij ons op bed slapen!)

Een gesprek met een kraai in India

Ik heb dit gesprek met een kraai die voor mijn neus in een boom zit. Hij spreekt over een trauma, blijkbaar hebben dieren ook trauma’s uit ervaringen die ze opdoen. Hij spreekt hier over de zware tropische cycloon Vardah (in India worden orkanen cyclonen genoemd), die de stad en omgeving van Chennai trof.

M: Beste kraai, je zit alsmaar mijn aandacht te vragen, zullen we praten?
K: (kraai vertrekt)
M: Sorry, ik zal me eerst fatsoenlijk voorstellen, ik ben …, kunnen we nu praten?
K: (kraai is weer terug, zit nu op de grond voor mij). Wat ben jij vreemd om met me te praten. (Kraai begint opgewonden te krassen)
M: Zou je het niet leuk vinden met elkaar te praten? Wat wil je vertellen over hoe je leven is?
K: Meestal wel goed, maar die hevige storm/cycloon enige jaren terug heeft wel veel vrienden het leven gekost en zo ben ik mijn vrouwtje kwijtgeraakt.

Die hevige storm/cycloon enige jaren terug heeft wel veel vrienden het leven gekost en zo ben ik mijn vrouwtje kwijtgeraakt

M: Wat erg voor jou en jullie gemeenschap. Hoe hebben jullie het overleefd?
K: We voelden aankomen dat er een zware storm kwam en dus hebben we beschutting gezocht in een grote slaapboom. Maar veel bomen zijn omgewaaid en dan kun je je niet meer vasthouden en dan ben je speelbal van de wind. Die kraaien hebben we niet meer teruggezien. Ik/wij zaten in een boom die heel erg zwiepte, de ene keer vooruit, dan weer achteruit of op zij. Je moest je vleugels gebruiken om in evenwicht te blijven, maar als je dat deed, kreeg de storm vat op je en vloog je zo uit de boom. Zo is mijn vrouwtje verdwenen. Mijn poten zaten om de tak verkrampt en zo heb ik geluk gehad en het overleefd.
M: Wat een heftig verhaal zeg. En gaat het nu wel goed met je?
K: Jawel, ik ben een oudere eenzame kraai, maar kan me goed redden. Ik heb snel door waar eten te vinden is en wanneer, want je moet er snel bij zijn anders eten anderen het op.
M: Dus jij red je goed hier. Vond je de papaja lekker vanochtend?
K: Jazeker, dat was lekker. Waarom ben jij er zo weinig, want ik heb je vroeger vaker gezien, maar nu zie ik je nauwelijks.
M: Ja dat klopt. Het werk dat ik hier doe wordt steeds beter gedaan door de mensen hier, dus hoef ik minder te komen en ik word ook wat ouder.
K: Dat begrijp ik allemaal. Wat doe je voor de vogels hier?
M: Een goede vraag waar ik nog geen antwoord op heb, daar moet ik over nadenken. Mag ik dat later beantwoorden?
K: Dat is goed, kom weer veilig terug.
M: Dank je wel voor het gesprek, wil je nog wat zeggen?
K: Dit was wel grappig dit gesprek.

Kaila 4: : Een gesprek op afstand

Ik ben voor mijn werk een maand in India en probeer op afstand contact te krijgen met Kaila.

M: Hé Kaila, kunnen we even praten?
K: (een en al bedrijvigheid) Waar ben je gebleven, ik mis je, hoewel het heel gezellig is met het vrouwtje.
M: Gaat het goed met je?
K: Zeker, ik groei als kool en iedere dag is een avontuur; het vrouwtje neemt me geregeld mee uit, dan zie ik veel. Dat vind ik leuk. Alleen wil ik ook weleens praten en spelen met andere mensen en honden en vogels.
M: Komen we meteen op een probleem, je rent nog steeds op van alles af, zoals Tirza, mensen in het bos, enz.
K: Heb je hem weer, hebben we even een gezellig gesprekje en je begint meteen te zeuren.
M: Nee, ik zeur niet, dat is opvoeden en hoort bij het groot worden. Tirza is een huisgenoot van ons, zoals het vrouwtje en ik dat ook zijn. Tirza kan heel vredig met je samenleven als jij niet steeds naar haar toe rent. Blijf gewoon zitten als je ziet dat ze komt, ga haar niet begroeten, maar wacht. Je mag naar haar kijken en als ze rustig ligt, mag je wel een keertje rustig quasi nonchalant langs lopen. Meer niet. Later als zij het vertrouwen heeft dat je niets doet, kunnen jullie ruiken aan elkaar. Maar dat duurt nog wel even. Kun je dat geduld opbrengen?
K: Dat klinkt redelijk, maar ik ben een erg enthousiaste hond, ik weet niet of het altijd lukt.
M: Iedere keer dat het niet lukt, duurt het weer langer voor er vertrouwen is. Zullen we hier mee beginnen? Uiteindelijk mag je ook niet meer naar vreemden toegaan om ze te begroeten. Maar dat gaan we nog trainen. Over een paar dagen ben ik weer terug en dan gaan we ook met de hondenschool weer verder. Je moet nog veel leren.
K: Ik verheug me op je terugkomst en de school!
M: Fijn, ik ook. Wil je nog wat zeggen?
K: Nee, tot binnenkort.

Kaila 3: Kaila wordt door mij aangesproken op haar gedrag

Kaila is lastig in de omgang, ze springt tegen iedereen op en heeft eigenlijk gedrag dat we niet willen. Natuurlijk gaan we met haar naar de hondenschool, maar ze heeft een heel eigen mening. Luister maar mee.

M: Kaila, wil je praten?
K: Waarom eigenlijk?
M: Om elkaar beter te leren kennen.
K: Nou ik begin jullie te kennen. Jullie zeggen dat ik in de bench moet vanwege de zindelijkheid, maar ondertussen sluiten jullie me gewoon op.
M: Ja, zo is het begonnen, maar we ontdekten dat jij veel te weinig rust kreeg en daarom hebben we 2x anderhalf uur slapen in de bench ingesteld en dat pakt goed uit.
K: Wat bedoel je daarmee?
M: Doordat je meer slaapt, ben je een stuk rustiger geworden en dat is veel fijner voor jou en voor ons.
K: Ja dat klopt wel.
M: Zie je dat je ons kunt vertrouwen in wat goed voor jou is.
K: Nu nog wel, maar blijft dat ook zo?
M: Luister Kaila, we houden heel veel van je en proberen je op te voeden tot een voorbeeldige hond. Zo’n hond die zich weet te gedragen en die we overal mee naar toe kunnen nemen als je groter bent.
K: Kan dat nu nog niet?
M: Nee, je bespringt mensen, soms ook met vieze poten en dat vinden mensen niet leuk. Niet ieder mens accepteert dat en dan gaan ze je wegduwen en denk jij wat een leuk spelletje. Je moet leren het verschil te zien tussen mensen die je kent en aardig kunt vinden en onbekende mensen, die misschien bang voor je zijn.
K: Iedereen vindt mij geweldig en de meeste mensen gaan glimlachen en worden gelukkig als ik tegen ze aan spring.
M: Dat lijkt misschien zo, maar er zijn veel mensen die het heel naar vinden als je zo doet. Kijk naar het bezoek van gisteren.
K: Vonden die mij dan niet geweldig?

Iedereen vindt mij geweldig en de meeste mensen gaan glimlachen en worden gelukkig als ik tegen ze aan spring

M: Op afstand wel, maar niet als je tegen ze op springt en je vieze poten achter laat.
K: Maar ze aaien me toch?
M: Die meneer aaide je niet, die probeerde je weg te duwen, want hij vond je vies en wild.
K: Meen je dat nou?
M: Ja en dat bedoel ik dat je nog veel moet leren en daar moet je ons in vertrouwen dat we je goed willen opvoeden en dat we daarom weten wat goed voor je is.
K: Probeert jouw vrouw mij ook van zich af te duwen?
M: Nee zij is gek op jou en vindt het heerlijk als je op je rug gaat liggen om geaaid te worden en daar geniet jij ook van.
K: Reken maar dat ik geniet. Ben jij daarom soms zo afstandelijk tegen mij?
M: Dat lijkt afstandelijk, maar is niet zo. Ik probeer om je te leren niet tegen me op te springen en daarom houd ik afstand. Als ik je wil begroeten en aaien wil ik dat doen op de tijd dat ik dat bepaal en niet jij. Zo ook met op schoot zitten. Ik bepaal wanneer ik je op schoot wil hebben en niet jij. Dat is de reden dat je niet zonder uitnodiging op de bank mag springen.
K: Dus jij wilt in alles de baas zijn.
M: Dat is juist en als je mij en mijn vrouw als de baas accepteert, wordt het voor ons allemaal prettiger.
K: Nou dat wordt nog even wennen voor mij. Ik heb me zo groot weten te houden tegenover al die broertjes van mij en nu komt er iemand die zegt de baas te willen zijn. Moet je van goeden huize komen! (Kaila komt uit een nest met 7 broertjes en was het enige teefje)
M: Dat kom ik. Dank je wel voor het gesprek en slaap lekker.

De nertsen (2)

Het vorige gesprek met de nertsen was al afgesloten toen ik me bedacht dat ik het juist over de ruimingen wilde hebben.

Eigenlijk was het in het gesprek al duidelijk toen de woordvoerende nerts doorgaf dat de dood een zegen is.

Toch ga ik kijken of er nog meer over te zeggen is.

Het mannetje, Jacob, komt weer naar voren en zegt: “Ik ben een spreekbuis, hè?”

Dat beaam ik en ik laat zien dat ik dat zeer waardeer.

Ik geef hem het beeld van ziekte, in dit geval corona, die de stal treft.

“Wij zijn weerloos. We kunnen niet weg.”

Hij geeft me het idee dat als ze in vrijheid zouden leven en er zou onraad zijn op wat voor manier dan ook, dat ze dan een andere plek kiezen.

In deze kooien in stallen kunnen ze inderdaad niet zelf kiezen of ze willen blijven of niet. Ze moeten blijven.

Wat is welzijn?

Dat roept bij mij de vraag op hoe het met zieke of zwakke dieren op stal gaat. Volgens de woordvoerder worden die afgevoerd. Het beeld komt boven van het beoordelen van fruit waar de beurse of rotte appel wordt weggegooid.

Na het vorige gesprek heb ik me een beetje ingelezen in de nertsenfokkerij wereld. Ik las dat iemand zei dat de dieren het goed hadden bij hem omdat hun vacht er goed uit ziet. Dit leg ik de nerts voor.

“Een goede vacht heeft niks te maken met welzijn,” is zijn reactie.

Hmmm, daar heb je weer zoiets. Wat is welzijn?

“Welzijn is leven naar je aard,” helpt de nerts me.

Hij vervolgt met te zeggen dat hun lijf los staat van henzelf. Ze trekken zich als het ware terug in zichzelf (zie deel 1).

“Maar ik neem toch aan dat jullie wel reageren als er iets gebeurt?” vraag ik. Hij laat zien dat reacties op gebeurtenissen verschillend kunnen zijn: actief of juist passief. Maar beiden zijn niet natuurlijk omdat er niet veel mogelijkheden zijn in zo’n kleine kooi. Ik begrijp dat het wegschieten en het verschuilen niet tot de mogelijkheden behoort, dus ja, dan is de keus van reageren beperkt en onnatuurlijk. Dat begrijp ik.

Ik geef hem het beeld dat mensen kleren dragen van hun vacht

We gaan even terug naar de vacht en de nerts zegt dat ze koopwaar zijn.

“Er wordt alleen gekeken naar de buitenkant.”

Ik geef hem het beeld dat mensen kleren dragen van hun vacht.

“Dat hoeft niet meer,” vindt de nerts. “Vroeger was dat noodzakelijk voor mensen en we waren dienstbaar naar mensen. Dat was de tijd dat het voor de mensen noodzakelijk was zich te kleden in onze vellen. Nu zijn er alternatieven.”

Nu gaan we eindelijk naar de ruimingen toe zoals die op verschillende fokkerijen plaatsvinden.

Net als de geiten in tijden van de Q-koorts laat de nerts zien dat de daadkracht waarmee alles gedaan wordt niet fijn is. Er heerst haast een ‘onverbiddelijke sfeer’.

Ik kan me vanuit mijn menszijn voorstellen dat er bij degene die moet ruimen een ‘klep’ voor gaat: niet nadenken, maar doen. Ik denk dat dat de daadkracht is waarover de dieren het hebben.

“En de dood?” vraag ik.

“Dan mag je van het een naar het ander. Je mag je lijf uit en bent vrij.”

De nertsen (1)

De kunst van het communiceren met dieren is om je eigen oordelen aan de kant te zetten. Soms is dat niet makkelijk want ik vind natuurlijk best wel iets van bepaalde dingen.

Helaas moet ik toegeven dat sommige leefvormen waar dieren in gepropt worden me zo aan het hart gaan dat ik het graag negeer.

Zo vergaat het me ook met de nertsen.

Maar gezien de ‘ruimingen’ vanwege corona vind ik dat ik de dieren toch moet benaderen om hun kant van het verhaal te horen.

Er is geen partnerkeus

Ik stel me in op de nertsen in het algemeen in Nederland en meteen krijg ik een beeld en gevoel van een trechter: de dieren worden vanuit de ruimte die ze eigenlijk nodig hebben, via een trechter bij elkaar geperst.

Een overmatige stank/geur dringt zich aan me op en een kakafonie aan energie.

Energie die geen kant op kan. Alles knalt tegen elkaar op.

Bijzonder verwarrend en beknellend.

Ik vraag of er één woordvoerder naar voren kan komen en een mannetje, die zich Jacob noemt, treedt naar voren.

Het is altijd even zoeken waar we het over kunnen gaan hebben en al zoekend komt het beeld naar voren dat de voortplanting haast aanvoelt als een verkrachting. Er is geen partnerkeus. Het hele gebeuren gaat dwars door grenzen heen. De dieren voelen zich gebruikt.

Vervolgens komt het beeld dat de ouderrol niet goed vervuld kan worden. Er kan geen juiste verzorging plaatsvinden en er kan niet naar voedsel gezocht worden, iets wat een heel natuurlijk iets is dat een ouder voor zijn/haar jongen doet.

Ik krijg de indruk dat de jongen vroeg weggaan bij de moeder.

En dat de nieuwe cyclus weer start waardoor de productie van jongen uitgebuit wordt.

De kakafonie aan energie speelt de hele tijd door op de achtergrond. Energieën die te dicht bij elkaar zitten, waar geen uitweg in gevonden kan worden.

“De dood is een zegen,” hoor ik dan.

Het nerts-wezen, schiet het door me heen

Het geheel geeft mij het gevoel dat de nertsen niet de wezens kunnen zijn zoals ze bedoeld zijn. Het maakt me verdrietig en leeg en onbewust stel ik de vraag hoe ze het leven volhouden.

“Diep van binnen zit onze kern. Ons wezen. Die kern blijf onaangetast.”

Het nerts-wezen, schiet het door me heen. Veiliggesteld door de nertsen zelf. Hun eigen innerlijke kracht en eigenheid waar geen opsluiten in kooien en geen misbruik van hun leven aan kan komen.

“Ik heb eens met koeien gesproken,” zeg ik tegen de nerts, “en die gaven aan dat ze het oké vinden om uiteindelijk tot vlees te dienen. Bij jullie zie ik die aanvaarding niet. Kun je me daar wat over vertellen?”

“Het is een heel ander proces,” aldus de nerts. “Wij hebben een heel andere verhouding tot de mens. Mensen zijn afgeschermd, afgestompt voor ons.”

Dan laat hij weer die kern zien, dat nertsenwezen dat ze kennelijk zo mooi afschermen.

Maar door die afscherming is er ook geen verbinding met hun lijf. In feite zitten ze zo dicht op/in hun kern dat hun lichaam ver weg voelt.

Ik begrijp dat het een soort zelfbescherming is. Maar het verbaast me dat ze dan wel eten en drinken en paren en jongen voortbrengen.

“Dat is op instinct,” verduidelijkt de nerts. “Het gaat hier niet om motivatie of levenslust.”

In mij rijst kennelijk de vraag wat ze van het nertsenleven vinden zoals dat nu geleefd wordt.

“Ga zelf in een kooi. Dan weet je het antwoord.”