Opscheppende specht vraagt aandacht

Terwijl ik in ‘meditatie’ ging om met dieren te praten, kwam er een middelste bonte specht langs, waar ik het volgende gesprek mee had.

M: Dag specht, ik hoorde je de aandacht trekken, kunnen we even praten? Ik ben … Wat ben je voor specht?
S: Zo een met een rode kuif en hier en daar gekleurde veren. (Ik maak hieruit op dat het vermoedelijk om een Middelste Bonte Specht gaat, zie foto.)
M: Geniet je van je leven?
S: Ja, nu heel erg, er zit overal leven in en ik heb een overvloed aan eten beschikbaar, dat is genieten.
M: Heb je een gezin?
S: Nee, ik ben alleen en wij zijn niet als gezin bij elkaar. Dat doen we tijdelijk als er eieren en kleintjes komen, dan zijn we even samen.
M: De rest van het jaar niet?
S: Nee, maar je bent nooit alleen want er zijn vele spechten hier in het bos.
M: Wil je nog iets zeggen?
S: Geen idee, wat wil je nog horen?
M: Hoe oud ben je?
S: Dat is niet interessant, misschien ben ik wel meer dan honderd of duizend jaar, maar ik loop tegen het einde van dit leven.
M: Zo oud, dan tel je meerdere levens mee.
S: Ja natuurlijk, doe jij dat niet?
M: Nee, want wij weten onze vroegere levens niet.
S: Wat een armoe, wij nemen die mee.
M: OK, dank je wel voor dit gesprek.

gesprek 190831

Tirza 5: Een ernstig gesprek over muizen

Dit gesprek stamt nog uit mijn begintijd van het oefenen van dierengesprekken. Het is zondagmiddag en tijd voor mijn wekelijkse oefening in dierengesprekken.

M: Tirza, wil je nu wel met me praten? (Tirza heeft de hele week niet met me willen praten)
T: Ja, maar niet over muizen.
M: Waar wil je wel over praten?
T: Jasper, ik mis hem, maar voel hem wel af en toe in de tuin, daar is hij het liefst. (Jasper is onze enige tijd geleden overleden hond)
M: Hoe voelt dat?
T: Tja …, bekend en onbekend, hij is er wel en niet. Hij likt me niet meer als ik mijn staart om zijn neus krul en dat voelt wel als een gemis. Soms gaat hij nu met me mee het bos in en kijkt hij hoe ik muizen vang en dat is leuk.
M: Dat je muizen vangt is OK, je mag ze ook opeten van mij.
T: Wat zeur je dan over muizen?
M: Ik wil je laten weten dat we je niet veroordelen omdat je muizen vangt en opeet.
T: Wat is dan je probleem?
M: Dat je muizen mee naar binnen neemt en ze dan loslaat.
T: Wil je niet af en toe een blijk van waardering?
M: Ja graag, maar het is genoeg als je komt en ons een kopje geeft en op schoot komt liggen.
T: Wat is je probleem met muizen?
M: Dat je ze in huis brengt en daar loslaat dan moet ik muizen gaan vangen en … (Tirza onderbreekt me)
T: Dat doen we dan toch samen en dat is toch leuk?
M: Ik begin te oud te worden om op mijn knieën te liggen en muizen te vangen, dus doe ik het niet meer. En dan gaat die muis in huis dood en stinkt het als hel en dat willen we niet meer. (Ze heeft heel goed door dat ik bedoel dat we dat niet kunnen hebben als er kijkers komen in ons huis)

Ik wil je laten weten dat we je niet veroordelen omdat je muizen vangt en opeet

T: Dan blijven die vreemde mensen toch mooi weg die steeds zo raar naar het huis kijken.
M: Maar het is goed als er mensen naar het huis komen kijken.
T: Ik vind van niet.
M: Tirza, kunnen we een afspraak maken? Je wilt toch zo graag vrij in en uitlopen? Als we het poezenluikje weer open maken, zodat je er zelf in en uit kunt, neem je dan geen muizen meer mee?
T: Ik ben niet zo dol op dat luikje, dat geeft me altijd een klap na.
M: Tirza, kunnen we afspreken dat je geen muizen meer mee neemt naar huis?
T: Als jij dat luikje zodanig maakt dat het mij geen klappen meer geeft, zal ik beloven mijn best te doen.
M: Ik geef je het vertrouwen en laat ook de deuren open staan, maar geen muizen meer in huis!
T: En als ik het een keer vergeet?
M: Dan gaat alles weer dicht.
T: Wat ben jij streng.
M: Dat is nodig want die muizen in huis geven veel overlast.
T: Nou ik zal mijn best doen.
M: Heb je nog wat te zeggen voor we stoppen?
T: Even denken, nee … dag.
M: Zie je dat we toch over muizen konden praten.
T: Ja, maar ik dacht dat ik niet meer op muizen zou mogen jagen sinds je zo streng bent geworden (ze bedoelt veganist na mijn gesprek met Leeuw)

Tirza 4: Mijn eerste gesprek met Tirza

Dit is een gesprek met Tirza van langer terug, mijn eerste gesprek met haar en voor mij een oefening van hoe dit werkt met dierengesprekken. Tirza is wat verward en snapt het systeem van praten met elkaar niet.

M: Lieve Tirza, het is mogelijk op deze wijze met elkaar te praten, vind jij dat goed?
T: aarzelend ja, ja …
M: Wees gerust, je mag gewoon op je stoel blijven liggen, zo kunnen we praten, je hoeft niet naar me toe te komen.
T: Ja, ik mis Jasper ook heel erg, hij is er wel, maar ook weer niet, ik kan hem niet zien en ruiken, maar wel voelen en dat snap ik niet, hoewel ik het wel accepteer. (Jasper is onze onlangs overleden hond, we missen hem allemaal heel erg)
M: Helpt het dat ik je laat zien dat het stoffelijk deel van Jasper dood is gegaan, niet opgegeten, maar door ziekte dood en dat we hem hebben begraven?
T: Sorry dat ik tussendoor kwam met dat opeten, honden gaan dus zo niet dood. (Tirza denkt dat dood gaan gebeurt omdat je wordt opgegeten door een ander dier)
M: Nee, het was verkeerd in zijn hersenen en toen kon hij niet meer lopen en was hij erg angstig en de dood was een bevrijding voor hem. Nu kan hij veel meer doen en makkelijker bij ons zijn, maar hij gaat ook naar zijn eigen plekjes toe, daarom voel je hem soms wel en soms niet.
M: Kunnen we al over de muizen praten?
T: Nee nog niet, ik wil deze ‘dood’ eerst begrijpen, je hebt me voor nu voldoende verteld, ik ga weer slapen.
M: Dank je wel voor het gesprek.
T: Prima tot de volgende keer.

Steun uit onverwachte hoek

Soms komt steun uit onverwachte hoek.
Op een middag zat ik op de schommelbank buiten en ik was ongelooflijk verdrietig en bezorgd.
Twee dagen geleden was onze kleinzoon geboren en er waren forse complicaties.
Hij lag met zijn ouders in het Academisch Ziekenhuis. Zwaar gesedeerd en onder de pijnstilling, continu bewaakt door machines en een verpleegkundige. Er zaten acht slangen in zijn lijfje en zijn ouders mochten hem niet aanraken. Zijn ademhaling was giga snel.
Maar, hadden de doctoren gezegd, hij was nu buiten levensgevaar.
Daar zat ik als oma. Ik kon niks doen. De kersverse ouders moesten alles doorstaan en wij konden helemaal niks.
Het deed zo’n pijn … ik kromp steeds in elkaar terwijl de tranen maar bleven stromen.

Opeens ging er een buizerd tegenover me zitten. Hij zat op een veel te dunne tak en wiebelde gevaarlijk heen en weer.
Ik zag het zonder het echt waar te nemen maar het schoot wel door me heen dat daar nooit een buizerd zit.
Hij bleef maar op die veel te dunne wiebel tak zitten, wat hem duidelijk moeite kostte.
Raar beest, dacht ik.
Tot ik hem es goed ging bekijken en inzag dat het toch wel heel uitzonderlijk was dat hij juist daar zat en bleef zitten.
´Heb je me soms wat te vertellen?’ vroeg ik hem.
Toen hoorde ik luid en duidelijk: ‘Iedereen komt op zijn eigen manier uit z’n ei.’
En vervolgens vloog hij weg.

Zo! Die kwam binnen! Ik realiseerde me dat hij gelijk had. Wie was ik om te bepalen wat wel en niet goed was?
Het gaf zoveel lucht om in te zien dat dit jochie, samen met zijn ouders, zijn eigen weg heeft te gaan in dit leven.
En ja, wij kunnen niks anders dan er voor hen zijn, ze bijstaan waar mogelijk.
De volgende dag zat ik buiten voor mijn praktijk. Een vriend die nooit die route rijdt, reed nu langs en stopte.
‘Ah, aan de sigaar, zie ik. Zo ken ik je: als het moeilijk is, dan steek je een sigaar op.’
We praatten over de situatie en hij vroeg: ‘En? Hebben de dieren je al geholpen?’
‘Natuurlijk,’ antwoordde ik en ik vertelde hem het ene zinnetje.

NB: Het is helemaal goed gekomen met het kind, dat nu op het moment van het schrijven van dit blog bijna 10 maanden oud is.

Wendy 1

Een vriendin van mijn dochter heeft al heel lang een paard, Wendy, die al jaren in een paarden rusthuis wordt verzorgd. Maar ze is de afgelopen tijd vermagerd en heeft nu een oogontsteking die niet over wil gaan. De vraag is of het nu tijd is om haar te laten inslapen. Het is augustus en mooi weer.

M: Dag Wendy, ken je me nog? Ik ben ….
Je verzorger wil graag wat dingen van je weten, mag ik je deze vragen stellen?
W: Dat is goed.
M: Hoe voel jij je nu?
W: Heel moe, mijn lijf doet op sommige plaatsen pijn, maar ik ben J. heel erg dankbaar dat ik hier mijn oude dag mag doorbrengen.
M: Heb je nog wel zin om te leven?
W: Soms wel, soms niet, de dagen verschillen.
M: Heb je erge last van je oog?
W: Ja, dat is heel lastig en het kriebelt steeds, daar moet ik veel aan denken en dan terug kriebelen.
M: Denk je dat je eraan toe bent om naar de grote grazige weide te gaan?
W: Bedoel je dood?
M: Ja, maar na de dood ga je toch naar de grote grazige weide?
W: Dat weet ik wel en dat lijkt me ook wel mooi.
M: Ik hoor een maar …
W: Ik weet niet of ik nu al dood wil, het is soms wel zwaar, maar dan zijn er weer mooie dagen.
M: Zeg je dat je nu nog niet dood wilt en overgaan, maar tegen de winter misschien wel?
W: Ik kan daarin niet echt kiezen, ik weet het niet. Buiten vind ik het vaak wel leuk, binnen vind ik saai, niets te beleven. Als ik alleen binnen zou moeten blijven, zou ik veel minder vinden. Maar ik zal te allen tijde een beslissing van J. volledig accepteren, ze is zo goed voor me geweest altijd. Wil je dat tegen haar zeggen? En ik laat de keuze aan haar.
M: Ik zal het tegen J. zeggen! Dag lieverd.

Wordt vervolgd.

De muis die het niet redde

Ik verbaas me erover dat de dieren continue om me heen zijn en dat ik er eigenlijk helemaal niet apart voor moet gaan zitten om gesprekken te voeren. Nadeel van dit is dat ik natuurlijk geen aantekeningen kan maken en dat het vluchtige gesprekken zijn, maar het contact maken is eenvoudig. Ik loop in het bos en denk aan de muis die Tirza voor ons op de vensterbank had achtergelaten toen ik haar midden in de nacht binnen liet.

M: Muis vond je het niet erg om te sterven?

m: De kat won, ik had pech.

En zo accepteert de muis dat hij het niet heeft overleefd. Ze vond het best een eerlijke strijd. 

Hyronimus 3: Hyronimus wil weer praten

De buizerd laat me de hele dag weten dat hij er is en wil praten. Gisteren heb ik de buizerd zien vechten met een andere buizerd op het grasveld. Ik heb het niet goed gezien, de andere vloog onmiddellijk weg nadat hij mij achter de ramen zag. Dus het is maar een flits geweest van een gevecht. Maar ik ben er erg van geschrokken en heb het gevoel overgehouden dat hem wat mankeert.

B: Waarom heb je zolang gewacht, je begreep toch dat ik wilde praten?
M: Ja dat begreep ik, maar ik was druk aan het werk, maar nu zit ik klaar.
B: Ik zag dat je gisteren gezien hebt dat ik ruzie had, ben je erg geschrokken?
M: Ja, we schrokken erg en maakten ons zorgen.
B: Had je eerder moeten praten, er was niets aan de hand. De kinderen zijn al een tijdje uitgevlogen en we wennen ze nu dat ze zelf moeten jagen en eten, dat gaat ze niet altijd gemakkelijk af en dan komen ze weer bij mij dat ze eten willen en deze was heftig, maar ik heb hem mijn rug toegekeerd, zodat hij begreep dat hij niets meer zou krijgen en daar was hij boos over.
M: Dat heb ik totaal niet begrepen. Ik maakte me zorgen dat je gewond was en dat je op de grond in de struiken moest overnachten. Ik ben zelfs in de tuin naar je op zoek gegaan.
B: Je had het me gewoon kunnen vragen.
M: Maar ik ben onzeker over onze gesprekken en weet niet of het echt is en daarom durf ik niet zomaar te praten en wil ik eerst de juiste rust om me heen maken, zoals nu. (Ik ben weer speciaal in mijn werkkamer gaan zitten voor dit gesprek)
B: Dat is mooi maar volgens mij kunnen wij op ieder moment van de dag praten, ook als je druk bent, je moet alleen even alles loslaten.
M: Mijn vrouw vraagt of je een naam wilt krijgen, zodat we weten met wie we praten.
B: Je praat toch alleen met mij, dus dat is niet moeilijk; maar als je me graag een naam geeft doe dan maar.
M: Mat vind jij een leuke naam?
B: Hyronimus
M: Dat klinkt ouderwets en ook wel deftig.
B: Vind je hem niet mooi?
M: Moet er wel even aan wennen, maar hij is zeker mooi.
M: Heb je nog wat te vertellen?
B: Je mag best eerder reageren, ik heb vandaag lang op je gewacht, tot ziens.

Ik heb opgezocht wat Hieronimus of Hyronimus betekent: Hieronymus is een Latijnse jongensnaam. Het betekent `heilige naam`.

Hyronimus 2: Elkaar leren begrijpen

De buizerd ligt weer op ons achter grasveld in de koelte van het gras. Hij wil praten, maar ik heb eigenlijk geen tijd. We hebben vandaag onze oppasdag, iedere donderdag, maar we hebben onze kleindochter mee naar ons eigen huis, ze is 17 maanden oud en een echt handenbindertje.

M: Sorry dat ik weinig aandacht voor je heb, maar we zijn druk.
B: Dat zie ik, heb je een pup in huis? (Ik merk dat hij niet altijd de juiste woordkeuze heeft of dat mijn vertaling niet altijd correct is, want dat met die gastvrijheid van het vorige gesprek was volgens mij ook niet een goed woord, hoewel hij het daarna goed uitlegde)
M: Ja, we passen op ons kleinkind op donderdag en vandaag zijn we in ons huis.
M: Mijn vrouw wil ook graag contact met je en ze vraagt of we een kleine waterbak in de tuin voor je zullen neerzetten.
B: Is zij je vrouwtje? Ze mag zelf wel met me praten, zij kan dat. Die waterbak is lief maar voor mij niet nodig, wel voor kleine vogels. (Hij laat me zien waar hij drinkt en baddert als dat nodig is en dat is aan de rand van het meer enkele honderden meters verderop)
M: Waarom kwam je vandaag weer ‘buurten’?
B: Vond het gisteren leuk en er zijn weinig mensen om mee te praten en als ik een boodschap heb, wil ik wel weten wie ik kan spreken.

Als ik een boodschap heb, wil ik wel weten wie ik kan spreken

M: Dat is goed, je mag me altijd ‘bellen’ en daar bedoel ik mee een seintje geven dat je wilt praten. Ik zal proberen te luisteren naar je seintjes, zodat je niet altijd hoeft langs te komen.
B: Dat is goed, dat moeten we samen oefenen want ik weet niet waar jij op reageert anders dan me zien.
M: Ja dat moeten we oefenen en dat vinden we dan wel uit. Waar wil je me voor kunnen waarschuwen?
B: Voor als er dieren of de natuur in nood komen en wij dieren jullie hulp nodig hebben om iets te doen wat wij niet kunnen.
M: Dat snap ik, waar denk je aan?
B: Voor als er jagers in het bos zijn of wanneer er vuur is of ergens een dier gewond is.
M: Hoe zit het dan als jij op een prooi jaagt?
B: Dat is iets heel anders, de dieren waarop ik jaag zijn er voor ons en we zoeken altijd dieren die weinig kansen van overleven hebben.
M: Dat begrijp ik, ik denk dat we het gesprek moeten stoppen, onze kleindochter wil naar buiten en dan word jij gestoord. Wil je nog wat zeggen?
B: Hou haar dan binnen tot we klaar zijn.
M: Dat lukt niet, tot spoedig en laten we oefenen in herkennen.
B: Doen we tot spoedig. Mijn kleintjes doen soms ook niet wat ik wil.

Hyronimus 1: Kennismaking met de buizerd

Vanmiddag ligt er een buizerd op ons achter grasveld in de koelte van het gras. Ik voel me uitgenodigd om een gesprek met hem te beginnen. Maar besef nu nog niet hoe belangrijk deze gesprekken zullen gaan worden. Snel achter mijn bureau in de huiskamer, aarden, aansluiten aan het veld en de buizerd begroeten. Buiten is het 40 graden Celsius, binnen is het ook erg warm.

M: Mag ik met je praten?
B: Ja, jij zit daarbinnen he?
M: Ja, heb jij het zo warm dat je al een uur in het gras ligt?
B: Het is heel warm en het gras is koel, maar ik let wel goed op, maak je geen zorgen. (Ik maakte me zorgen of onze poes Tirza niet te veel belangstelling zou hebben)
M: Hoe is het leven als buizerd?
B: Mooi, ik geniet erg van het hoog zweven op de bewegingen in de lucht (hij laat mij zien hoe dat gaat)
M: Zou ik dat door jou kunnen voelen?
B: Ja, als ik jou vertrouw en ik ken je al jaren als bewoners van dat huis, dus mag je even met me mee vliegen.
M: Terwijl je gewoon op het grasveld ligt?
B: Ja dat kan, kom je mee?

Als ik jou vertrouw dan mag je even met me mee vliegen

M: ik krijg het gevoel alsof ik Niels Holgersson ben op de rug van de buizerd en we zweven heel hoog, ik dacht even het eng te vinden zo hoog en zo weinig houvast, maar de buizerd geeft me een heel veilig gevoel en het is geweldig!
M: Dank je voor dit gevoel, maar waarom zweef jij niet daar in de lucht?
B: Vandaag is de lucht heet (het all-time hitte record is vandaag gebroken), normaal is het boven lekker fris met wind, maar vandaag dus niet.
M: Ik heb eigenlijk geen vragen meer, heb jij nog wat te zeggen?
B: Ik hoop dat de nieuwe mensen over een tijd ook zo gastvrij zijn.
M: Wat bedoel je met gastvrij, waarom niet gewoon aardig?
B: Gastvrij betekent dat jullie deel uitmaken van het grotere geheel en je niet afscheiden en je niet ergeren aan de kleintjes (de jonge buizerds) die schreeuwend door de tuin vliegen, voor jullie is dat normaal, het hoort er gewoon bij, zoals jullie er ook gewoon bij horen.
M: Bijzonder om dat te horen, dank je wel, lag je soms in de tuin om het gesprek wat eenvoudiger te beginnen?
B: Ja, je had het in je gedachten al de hele week aangekondigd, moest er maar eens van komen.
M: Nou, heel erg dank je wel.
B: Tot de volgende keer, wacht niet te lang.

Kaila 5: Kaila heeft wat bijsturing nodig

Het gaat steeds beter met Kaila, maar bepaalde aspecten gaan nog helemaal niet goed. Daar spreek ik haar op aan en de antwoorden verbazen me steeds opnieuw. Het is een zelfstandige persoonlijkheid. Daarnaast zijn we haar aan het socialiseren en gaan daarom met haar naar een hondenspeelweide.

M: Dag Kaila, kunnen we weer even samen praten?
K: Ja leuk, ben je tevreden met me?
M: Ik vind dat je grote vorderingen maakt sinds ons laatste gesprek. Je laat Tirza nu veel beter met rust en bent zelf ook een stuk rustiger in huis. Dus dat doe je goed.
K: Ik hoor een maar … (Kaila was aan het spelen en gaat nu rustig aan mijn voeten liggen)
M: Er zijn nog veel dingen die je moet leren, maar we doen echt niet alles tegelijk. Geniet je van je wandelingen op de hondenweide?
K: Ja, dat vind ik geweldig. Heel veel speelvriendjes, de meeste zijn leuk, sommige vind ik eng, die rennen zo hard dat ze me ondersteboven rennen, vind ik niet altijd leuk. En de mensen vinden me weer allemaal prachtig en willen me aaien.
M: Daar hebben we een leerdingetje. Zoals je weet wil ik niet dat je tegen de mensen opspringt. De meeste mensen vinden dat helemaal niet leuk omdat dan hun kleren vies worden. Daar houden mensen niet van.
K: Maar iedereen vindt me zo lief en wil me aaien en wordt blij van me! (Daar heeft ze helaas gelijk in)
M: Ik denk wel dat de meeste mensen je heel lief en leuk vinden en dat blijft ook zo als je niet springt. Je kunt gewoon naast ze staan of zitten en ze aankijken met die prachtige ogen van je en als je je koppie een beetje scheef houdt smelt iedereen, daar hoef je dus niet voor te springen. Dan kunnen ze je aanhalen zonder dat ze zorgen over hun kleren hoeven te hebben. Kun je dat begrijpen en accepteren?
K: Ik ben nog niet overtuigd.
M: Maar je zult toch moeten stoppen met tegen mensen opspringen, anders kan ik je nooit los laten lopen en dan kunnen we niet naar de speelweide.
K: Dat zou wel heel erg zijn.
M: Dan zul je dit soort dingen snel moeten leren. Zullen we daar de komende tijd aan werken?
K: OK, als jullie helpen leer ik het wel, met Tirza is het ook gelukt.
M: Precies en dank je wel voor het gesprek.