Dieren dom? Vergeet het maar! Het zijn vaak leermeesters en bijzonder goede gesprekspartners! Laat je inspireren.

Het leven van de Blauwvintonijn

Ik ben bezig met een onderzoek naar de vervuiling van de oceanen. Een onderdeel daarvan zijn de zogenaamde dead zones, gebieden waar eigenlijk geen leven meer mogelijk is. Ik wil graag weten wat de zeedieren hier zelf over te vertellen hebben en zoek contact met een Blauwvintonijn.

M: Dag Tonijn, ik zou graag met iemand van jullie willen spreken over jullie leefwijze.
T: Dag Eddy, ik ben beschikbaar voor een gesprek en zoals je ziet heb ik je even gelezen voor ik met je wilde praten. We komen niet veel mensen tegen die we vertrouwen en dat lijkt me wel van belang als we een goed gesprek willen hebben.
M: Dank je wel voor dit blijk van vertrouwen. Ik ben bezig een dossier te maken over vervuiling van de oceanen en welke consequenties dat allemaal heeft voor het leven in de oceanen. Zo ontdekte ik dat de zogenaamde dead zones juist voor jullie als tonijnen moeilijk zijn.
T: Ja, een groot probleem vormen deze vervuilde en bijna zuurstofloze zones wel nadrukkelijk voor ons. Wij als Tonijnen hebben veel zuurstof nodig door onze bouw en leefwijze. Wij zijn formeel wel koudbloedige vissen, maar we kunnen en moeten temperatuur vasthouden om te overleven. Wij hebben twee soorten spierstelsels, de binnenste en de buitenste. En met name onze binnenste spieren hebben veel meer warmte nodig dan de buitenste. Daarom hebben wij een speciale manier om warmte vast te houden. Maar door dit alles hebben we veel zuurstof nodig. Dat halen we uit het water, maar omdat we zoveel zuurstof nodig hebben, moeten we continue blijven zwemmen, er moet steeds water door onze kieuwen gaan om daar zuurstof uit te halen.
M: Dus jullie kunnen nooit slapen en moeten altijd zwemmen?
T: Ja, we moeten wel altijd zwemmen, maar we kunnen ook tijdens het zwemmen wel wat slapen. Er zijn meer beesten die dat kunnen in de oceaan, maar ook vogels in de lucht die nooit ophouden met vliegen.

Ja, we moeten wel altijd zwemmen, maar we kunnen ook tijdens het zwemmen wel wat slapen. Er zijn meer beesten die dat kunnen in de oceaan, maar ook vogels in de lucht die nooit ophouden met vliegen.

M: Terugkomend op de dead zones, daar kunnen jullie dus niet leven omdat er daar te weinig of geen zuurstof in het water zit. Klopt dat?
T: Dat is juist. We kunnen daar niet overleven vanwege dat we dan onvoldoende zuurstof krijgen, maar ook omdat er geen voedsel voor ons te vinden is. Want er leven nauwelijks andere vissen, wel kwallen, maar die eten we niet.
M: Vertel eens iets over jullie leefgewoonten en leefgebieden?
T: We leven vooral in de Atlantische Oceaan, aan beide zijden, dus aan de Europese zijde en aan de Amerikaanse zijde. We zijn niet erg plaatsgebonden en kunnen soms ook aan de andere kant van de oceaan verblijven, daartoe steken we de oceaan over. We leven als oudere vis solitair en als jonge vissen in scholen, zo kunnen we ons beter beschermen tegen roofvissen. We hebben geen vaste partners, maar komen in een bepaalde periode bij elkaar om te paaien. Er zijn twee plekken waar we dat doen, in de Middellandse zee en de ander plek is in de Golf van Mexico, maar die wordt ook steeds vuiler, terwijl de Middellandse zee langzaam schoner wordt, maar daar worden we weer sterk bejaagd. Zo heeft iedere kant van de oceaan wel wat.
M: Jullie kunnen erg snel zwemmen heb ik gehoord, wat is daarvan waar?
T: Ja, wij zijn snelle zwemmers. Op onze topsnelheid zwemmen we eigenlijk alle boten eruit, alleen kunnen we die topsnelheid niet lang volhouden, waardoor we daarna weer kwetsbaar zijn. Maar voor een vis zijn we buitengewoon snel. Dat is ook wel weer handig als er Orka’s in de buurt zijn, want die zijn onze echte vijanden voor de grote volwassen exemplaren van ons. Maar Orka’s jagen dan weer in groepen en dan is het voor ons erg moeilijk om te ontsnappen, ondanks dat we veel sneller zijn.
M: Hoe is het leven op zee voor jullie?
T: We hebben geen slecht leven, hoewel we wel met veel minder zijn dan vroeger. Mensen vinden ons blijkbaar erg lekker en jullie jagen op ons en dat is niet fijn. Het is moeilijk om een echte grote vis te worden omdat jullie al op onze kleintjes jagen en als die niet groot kunnen worden dan hebben we een probleem om te overleven.

Het is moeilijk om een echte grote vis te worden omdat jullie al op onze kleintjes jagen en als die niet groot kunnen worden dan hebben we een probleem om te overleven.

M: Dus jullie zouden blij zijn met beschermde gebieden?
T: Ja, als dat inhoud dat er niet gevist mag worden in die gebieden, dan is dat een heel goed idee. Zo kunnen onze jongen groot worden en zelf jongen krijgen en dan kan onze soort weer goed toenemen in aantal.
M: Dank je wel voor je antwoorden. Wil je nog iets kwijt?
T: Als je wat cijfers over ons wilt weten, moet je er maar even naar zoeken, dan begrijp je dat het wel nodig is dat er iets gebeurt, want zo gaat het niet echt goed met de oceanen.
M: Dank je wel.

Ik heb wat opgezocht, enerzijds om deze antwoorden te verifiëren en anderzijds om wat getallen te vinden. Blauwvintonijnen zijn interessante wezens. Bij Wikipedia vind ik het volgende:
‘De blauwvintonijn staat tegenwoordig te boek als bedreigd op de rode lijst van CITES. Sinds 1970 zijn de aantallen blauwvintonijn met 64% gekrompen. Ondanks de bedreigde status is de soort nog steeds in de handel verkrijgbaar.’
‘De blauwvintonijn zwemt normaal gesproken gemiddeld 13 kilometer per uur, hierbij worden de rode spieren gebruikt (de tonijn noemt dat zijn binnenste spieren/em). De blauwvintonijn moet constant zwemmen om voldoende zuurstof binnen te krijgen. Bij het jagen op prooidieren of het vluchten voor een vijand wordt het witte (buitenste/em) spierweefsel gebruikt en kan een snelheid van meer dan 40 km per uur worden bereikt. De blauwvintonijn is een van de snelste onderwaterdieren; de vis kan een topsnelheid behalen van 72,5 km per uur.’
210524

Bella is boos

Onze dochter is met haar gezin op vakantie gegaan en wij zijn voor een week de oppasser van haar poes Bella. Maar Bella heeft zich alleen de eerste dag laten zien en daarna is ze niet meer thuis geweest, heeft niet meer gegeten en we maken ons zorgen. Leeft ze nog wel? Ze is een oudere poes en dat is langzamerhand wel te merken. We hebben haar al vier dagen niet meer gezien en hebben alle telefoontjes gedaan zoals dierenarts bellen, asiel bellen, dierenambulance, enz. En Bella laat geen contact toe, als ik probeer met haar te praten, is er een grote leegte …
Tijdens een wandeling met onze hond in het bos, lukt het om contact te krijgen.

M: Dag Bella, we zijn ongerust, mijn lieve vrouw heeft er slapeloze nachten van en dat wil je vast niet. Kunnen we een afspraak maken? Als ik zo meteen langskom, wil je dan thuis zijn, dat ik je even kan zien, dat we weten dat je leeft en dat mijn lief weer ’s nachts kan slapen?
B: Ik ben verschrikkelijk boos. Niet op jou, maar op mijn gezin. Ze zijn met hun hele hebben en houden in de auto gestapt en hebben mij hier alleen achter gelaten en dat vind ik niet in orde.
M: Ze hebben je niet in de steek gelaten! Ze zijn twee weken met vakantie en hebben er voor gezorgd dat wij de eerste week op je kunnen passen en mijn broer de tweede week. Dus je bent helemaal niet in de steek gelaten.
B: Nou zo voelt het wel. Er is niemand en misschien staat er wel eten klaar, maar ik kan er niet bij, ik kan niet op het aanrecht springen omdat ik niet meer zo hoog kan springen en daar hebben ze het eten verstopt. Maar dacht ik, ik ben een grote poes, ben eigenlijk een wilde kat en ik kan heel goed voor mijzelf zorgen, dus dat ben ik gaan doen en ik ben niet van plan om voorlopig naar dat huis te komen.
M: Ik wil niet ontkennen dat je prima voor jezelf kunt zorgen, maar het is wel aangenaam als iemand voor jouw eten zorgt. En ze komen weer terug, ze zijn alleen even met vakantie.
B: Waarom heeft niemand mij dat verteld?
M: Tja, misschien zijn ze dat vergeten of zijn ze zich niet bewust geweest dat het belangrijk is voor jou om te weten dat ze maar twee weken weg zijn. Of heb je het niet goed begrepen wat ze gezegd hebben.
B: Dat is wel heel slordig, zo hoort het niet te gaan. Ik moet weten waar ze zijn en wanneer ze weer terug zijn. En ik ben nog steeds boos.
M: Dat begrijp ik, maar ik heb je nu uitgelegd hoe het zit, kun je dan je boosheid loslaten?
B: Nee nog niet, maar ik wil me wel aan jou laten zien als je straks komt. Maar dat mag je alleen aan je vrouw vertellen, zodat zij zich geen zorgen meer hoeft te maken. Maar niet aan mijn vrouwtje.
M: Dat lijkt me niet eerlijk. Ook jouw familie is ongerust en denken dat je misschien dood bent, en als ik jou straks zie, wil ik een foto maken en die deel ik wel met iedereen, want we zijn allemaal blij dat er niets met je aan de hand is en dat je gewoon nog leeft.
B: Nou tot straks dan maar.

En inderdaad, een kwartiertje later kom ik aan en Bella zit binnen voor de voordeur op me te wachten. We knuffelen even, wat afstandelijk want Bella wil alleen op haar kopje geaaid worden en op andere plaatsen niet, dat leidt altijd tot een haal met de nagels, dus daar pas ik wel voor op. Daarna loopt ze meteen naar de koelkast in de verwachting dat ze van mij enkele stukjes kaas krijgt. Maar er zit geen kaas in de koelkast, die is bijna leeg, en ik kan haar dus geen kaas geven. Gelukkig heeft mijn lief wel een blikje zalm poezenvoer meegenomen en daar geef ik haar wat van en dat eet ze gulzig op. Als ik daarna haar brokjes van het aanrecht op de grond zet, eet ze die ook op. Ze is duidelijk weer blij met haar eten. Zou ze toch een beetje te weinig voor haar zelf hebben kunnen zorgen?
’s Middags gaat mijn vrouw kijken en ze is er niet. Ze is teleurgesteld dat Bella zich aan haar niet laat zien.

De volgende dag heb ik weer een gesprek met Bella als ik met onze hond Kaila wandel.

M: Dag Bella, je was er gisterenmiddag niet toen mijn lief langs kwam om je te verzorgen. Wat is er?
B: Ik ben weer op pad, ik geniet wel van het eten dat jullie voor me neerzetten, maar ik geniet ook wel weer van het dagelijks op pad zijn. En ik ben niet weggebleven omdat ik op jullie boos ben. Dus dat moet je loslaten. Straks ben ik er ook niet, ik ben lekker de hort op en zie wel wanneer ik af en toe thuiskom om van mijn maaltijd te genieten.
M: Als je maar goed voor jezelf zorgt lieverd. Wil je nog iets zeggen?
B: Ja, laat je mijn vrouwtje weten dat ik het niet op prijs stel als ze zomaar ineens vertrekken? Ik wil tenminste vooraf weten wat er staat te gebeuren.
M: Dat zal ik doen.
220727/220728

“Jij zou ook tegen de muren opvliegen, hoor!”

“Hee Bell, zin in een praatje?”

“Dat is lang geleden. Ik dacht dat we dit niet meer deden.”

“Nee, klopt, maar ik moet weer een blog maken dus ik dacht aan jou.”

Bella is het katje dat bij ons aan boord woont. Vanaf het eerste moment was het helemaal leuk en goed. Wennen? Waaraan? Ruim een week daarvoor had ik getolkt tussen haar en het mens waarbij ze in huis woonde. Op een ruime bovenwoning maar voor Bella toch te klein. We waren het al snel met elkaar eens: Bella moest naar een boerderij of zo. Ergens waar een groot buitenterrein was. De boerderij werd niet gevonden maar wij hadden weer plaats voor een kat dus ze kon bij ons terecht.

Bella deed dus niet aan wennen: ze ging overal meteen op af met een heel open en nieuwsgierige houding. Ik had het plan haar een tijd binnen te houden maar na 1 dag liep ze al buiten, zelfs van de steiger af het land op. En ze kwam ook weer terug, alsof ze hier al jaren woonde.

“Vertel es, Bell, wat doe je allemaal buiten?”

Ze laat meteen zien hoe ze zowel rustig ontspannen als gefocust in het gras kan kijken als ze een geluidje hoort of iets ziet bewegen. Ze laat zien dat alle energie naar een punt in het midden bij haar gaat (omgeving van de buik/darmen) en dan ineens slaat ze toe en grijpt ze dat wat bewogen had.

“Soms neem je een muis of vogel mee naar huis.” “Ja, jullie mogen het zien. Maar het blijft van mij.” Ik moet grinniken want ze laat de hond er inderdaad volop aan ruiken en onderzoeken maar op een gegeven moment is het genoeg en dan begint ze het diertje op te eten.

“Hoe smaakt het?” wil ik weten en ik leg in mijn vraag ook het beeld hoe het nou is om alles op te eten: ogen, oren, staart. Alles.

“Zo diep denk ik niet. Ik eet het snel op. Dat is nog van vroeger: snel eten, dan is het maar binnen. Daarna uitbuiken.”

In beeld laat ik vogeltjes zien. Ik kan niet eens aan mijn vraag beginnen om de vogels met rust te laten als ik voer neergelegd heb want ze laat meteen enthousiast zien dat vogels vangen een uitdaging is.

“Hoe is het voor jou als wij weg zijn en het eten er niet op de vaste tijd is?” Geen paniek, laat ze weten. Ja, dat klopt wel: Bella is niet snel in paniek.

Twee dagen later ga ik verder met het gesprek. “Je stoort eigenlijk wel,” laat Bella weten. Ze is zich aan het focussen op iets buiten, maar ze wil wel even tijd maken. “Nou, wat heb je dan?” hoor ik. “O, ik wachtte tot jij iets liet zien maar je wacht kennelijk op mij. Ik ben wel heel benieuwd hoe je de andere katten in de buurt vindt. Ik weet niet hoeveel het er zijn, minstens vier en die zijn allemaal niet in een huis geboren en getogen.”

“Andere katten is opletten,” laat Bella weten. “Ik heb geen kwaaie zin maar ik ga de confrontatie ook niet aan. Ik blaas liever de aftocht. Ik heb geen zin in vechten.”

“Ik kan me niet herinneren dat ik jou ooit heb zien vechten of iets wat daar op lijkt. Ja, je hebt een keertje je pootje opgetild toen een hond iets te dichtbij kwam.”

Bella laat me voelen hoe haar basishouding is: uitermate vredelievend en harmonieus. “Dat merken mensen op, daarom vindt iedereen je ook zo leuk,” vertel ik haar.

Voor fietsen op de dijk schiet ze doorgaans weg en ik informeer daar naar. Ook hierin heeft ze geen zin in de confrontatie: beter zelf eerst weg zijn dan iets later in het moment in paniek raken. Slim dier.

We kijken nog even naar het verschil tussen zomer en winter. ’s Winters is ze veel meer binnen en ook daar geniet ze van. Even komt het beeld van de bovenwoning weer naar voren en ik hoor Bella zeggen: “Jij zou ook tegen de muren opvliegen, hoor!”

Lotje: kijken als een koe

M: Hallo Lotje, we hadden al even contact en ik heb je nu opgezocht om even persoonlijk kennis te maken. Leuk. Ik stelde de open vraag welke koe wil mij laten zien hoe het ziet als koe met een oog aan iedere kant van je kop. Hoe ziet zo’n beeld eruit, want ik kan me dat niet voorstellen. Wil jij me door jouw ogen laten kijken?
L: Ja, ik hoorde je vraag in het veld en het leek me leuk me te melden en zodoende kwamen we met elkaar in contact. Toen je er aan kwam liet ik je weten dat ik diegene ben met de witte kop, zodat je me gemakkelijk kon herkennen. En nu ‘praten’ we met elkaar. Ben je er aan toe?
M: Ja, graag. Laat maar zien.
Verrassing, het beeld is niet zo heel veel anders dan wat ik gewend ben. Ik kan gewoon vooruit kijken met beide ogen en zie een gehele wereld. De wereld is breedbeeld, ik zie misschien wel 270 graden bij elkaar en dat allemaal naadloos als een geheel. Als ik nu goed de kop bestudeer, er even naast staand om het van buitenaf te kunnen zien, zie ik dat je jouw ogen ook niet volledig aan de zijkanten hebt, maar dat je ze deels naar voren en naar opzij hebt staan, je ogen zitten in het smalle deel van je kop.

De wereld is breedbeeld, ik zie misschien wel 270 graden bij elkaar en dat allemaal naadloos als een geheel

M: Dank je wel dat ik dit mocht zien door jouw ogen. Wil je verder nog iets vertellen over je leven? Momenteel hoor ik regelmatig de reclame op de televisie van wakker dier en die luidt: ‘We eten en drinken nogal wat zuivel in Nederland. De gemiddelde melkkoe moet daarvoor 35.000 liter melk geven in haar leven. 35.000 liter. En ze wordt maar 6 jaar. Dan is ze leeggezogen. Uitgeput. En wordt ze afgedankt. Zuivel is niet zo zuiver als je denkt.’ Wat vind je daar van?
L: Dat is natuurlijk een heftig spotje, maar in wezen is het juist. De wijze waarop jullie, vooral in ontwikkelde landen, met ons als melkvee bestempelde dieren omgaan, is natuurlijk niet juist. Jullie zien ons nauwelijks als de producent van jullie eten, we zijn een melkfabriek. Als jullie even zouden stil staan bij hoe jullie met ons omgaan, zou dat uiteindelijk tot een belangrijke verandering kunnen leiden in hoe jullie met dieren omgaan. Daarom zou dit spotje misschien bij sommige mensen kunnen leiden tot een bewustwording dat het verkeerd is wat er gebeurt.
M: Wat zou jij willen dat er verandert?

Een koe krijgt een kindje, het kindje wordt meteen weggehaald en dat is het grootste trauma dat je een moeder kunt aandoen

L: Nou dat is nogal een vraag. Je weet hoe het begint. Een koe krijgt een kindje, het kindje wordt meteen weggehaald en dat is het grootste trauma dat je een moeder kunt aandoen. Probeer je in te leven hoe dat zou zijn als jullie kindje direct na de geboorte zou worden afgepakt en je weet niet wat er mee gebeurt. En dan gaat het verder, zoals het spotje beschrijft. Ik wil er niet al te ver op doorgaan, maar je snapt dat het geen ideale omstandigheden zijn waarin we geboren worden als koeien. En het zou veel dierenleed, maar ook menselijk karma en dus veelal ook leed, kunnen voorkomen als jullie hier een goede en vooral dierwaardige manier voor vinden, die recht doet aan de natuurlijke behoefte van dieren en jullie behoefte aan zuivel en vlees.
M: Dank je wel hiervoor en ik zal dit spoedig publiceren als blog, zodat mensen jouw stem kunnen horen hoe jij er over denkt. Wil je nog iets speciaals zeggen?
L: Ik zou het leuk vinden als je nog eens een keer langskomt. Vandaag was ik net op weg naar de stal, waardoor we elkaar maar even gezien hebben.
M: Zal ik om denken en een keer doen. Dank je wel.
220717

De leeuwin en haar natuur in de dierentuin

Als ik contact maak met de leeuwin komt ze in mijn beeld voor me heen en weer lopen, mij ondertussen observerend. Even zien wat voor vlees ze in de kuip heeft. Dat laat ik altijd toe: het is een soort kennismaking met elkaar.
Deze leeuwin zegt als eerste dat het kaal is. Er zijn geen welpen. Ik weet niet of ze het alleen over zichzelf heeft of over de groep maar het lijkt of haar/hun cyclus verstoord is.
Dan laat ze weten graag iets bewegends te grijpen en ik voel meteen dat de verzorgers niet veilig zijn bij haar in de buurt. Ze gaat door met vertellen: ‘Het is niet alleen het eten maar ook het vangen. Er gaat een enorme krachtmeting aan het eten vooraf. Het niet kunnen rennen en vangen is een groot gemis. Na het rennen (en eten) is het goed rusten. Dit is rust zonder inspanning geleverd te hebben.’
Zij laat net als de pelikanen zien dat ze bijzonder weinig van haar capaciteit kan gebruiken.
Ze laat ook zien dat ze de deur in de gaten houdt. Ze weet dat daar de ontsnappingsmogelijkheid ligt. Denkend aan de reactie van een bloglezer over het ontsnappen van dierentuindieren vraag ik waarom deze leeuwin hier op dit moment is, ervan uitgaand dat de dolfijn gelijk heeft en geen enkel mens of dier ergens zonder reden is.
‘Voor mij is dit een les in geduld, in incasseren. Accepteren dat de ruimte zo beperkt is.’
Maar er is duidelijk verveling bij deze leeuwin. ‘Rust is alleen fijn als er inspanning is geweest.’ Nogmaals laat ze weten heel graag te willen jagen.
Ik vraag haar: ‘Kan ik zeggen dat jullie uit je kracht gehaald zijn?’ ‘Wij hebben onze kracht nooit gekend,’ antwoordt ze. Maar ze weet dat ze een groot potentieel in zich heeft.
Ik vraag wat ze gaat doen als ze zou kunnen uitbreken en ik zie voor me dat ze dan een kind grijpt. Daar doet ze niet ingewikkeld over. Dan gaat ze los. Zo is haar natuur.

Te vroeg uitgevlogen kauwtje

Gisteren liep er een jong Kauwtje op de parkeerplaats bij ons huis. Een kat was al aan het jagen en had het Kauwtje al bijna te pakken. Dus snel het huis uitgegaan en geprobeerd het jonge vogeltje te pakken. Dat lukte vrij eenvoudig. Ik heb hem goed bekeken, hij zag er nog goed uit, onbeschadigd en daarna in een schoenendoos gedaan en naar de vogelopvang gebracht. Toen ik hem in mijn hand had heb ik geprobeerd contact te leggen om hem gerust te stellen, maar hij was veel te veel in paniek om dat te kunnen toelaten. Het is nu een dag later en ik probeer het opnieuw, maar nu op afstand.

M: Dag Kauw, hoe gaat het nu met jou?
K: Nog wel wat bibberig, maar verder redelijk.
M: Hoe kwam het dat jij op de grond zat en nog niet echt kon vliegen?
K: Nou ja, ik zat met mijn broertjes en zusjes in het nest en dat werd wat krap. Het werd mijn tijd om over de rand te stappen, dat is een drang van binnenuit waar je aan moet toegeven. En het lukte in één keer. Dat betekent, ik stapte op de rand en viel meteen, maar kon mijn vleugels wel uitslaan, waardoor ik redelijk zacht kon landen. Redelijk omdat ik nog niet zo geoefend ben in het landen.
M: Wat grappig dat je vertelt dat je een innerlijke drang had om het nest uit te gaan. Ik wist niet dat het zo werkte. En wat gebeurde er toen?
K: Toen kwam ik op de grond terecht, aarde grond en daar heb ik een tijdje rondgescharreld, aan van alles pikkend, maar er was niet veel eetbaars bij. Toen werd ik beslopen door een monster (hij laat me een reusachtig monster zien, maar ik weet dat het een kat was). Daar moest ik wel voor wegvluchten, maar ik kan onvoldoende van de grond komen als ik wil vliegen. Ik kom een stukje omhoog, voldoende dat het monster me net niet kan pakken, maar ik kan het niet blijven doen, dus probeer ik me te verstoppen. Dat werkt echter niet bij dat monster, die jaagt echt op mij en wil me opeten. Ik was dus behoorlijk bang en moest telkens weer ergens anders heen. Zo kwam ik op de parkeerplaats en zo zag jij mij worstelen met het monster.
M: Ja, ik zag dat je maar net kon ontsnappen aan de klauwen van de kat. Hij had je bijna te pakken, dus ben ik als een haas het huis uit gerend om je te helpen.
K: Dat wist ik toen nog niet dat jij mij wilde helpen. Jullie dreven me in de hoek en jij pakte me met een snelle greep in de lucht en toen zat ik vast. Ik probeerde wel los te komen maar je had me goed te pakken, letterlijk. En je stopte me in een doos. Dat voelde wel vrijer dan in jouw hand maar was het niet echt. Gelukkig werd ik weer snel uit de doos gehaald en in een andere glazen doos gestopt. Dat vond ik ook heel eng, ik kon nauwelijks bewegen en zag alles om me heen. Dan is een gesloten doos toch rustgevender.
M: Tot zover heb ik het met je meegemaakt. Ik was erbij dat je in de ‘glazen’ doos werd opgesloten. En wat gebeurde er daarna?
K: Ik werd naar andere mensen gebracht die me weer uit de doos haalden en me bekeken en bevoelden en daarna werd ik in een kooi gestopt, waar ik niet veel bewegingsruimte had, maar wel meer. Ook kreeg ik eten. Ik ben nog niet echt handig in zelf eten, maar ze hielpen me door wormen in mijn snavel te stoppen en dat doen ze regelmatig, dus heb ik nu geen honger meer. Ik voel me nog wel behoorlijk bibberig, want dit is niet de plek waar ik wil leven.
M: Maak je daar geen zorgen over. Je bent nu in het vogelasiel en daar helpen ze je om volwassen te worden, in elk geval groot genoeg zodat je daarna zelfstandig kunt overleven. Ze laten je over enkele weken los en dat kun je soortgenoten opzoeken en je daarbij aansluiten en misschien ook wel een vrouwtje zoeken om je leven mee te delen. Weet je dat ik vroeger ook een Kauwtje heb gehad die uit het nest was gevallen en die ik zelf heb gevoed en groot gebracht. Die ging zelfs overdag, als ik naar school was, naar buiten en hij kwam voor de nacht altijd weer binnen als ik hem riep. En hij sliep op een stoelleuning naast mijn bed. ’s Ochtends ging hij weer naar buiten. Op een dag kwam hij niet meer thuis slapen, maar iedere keer als hij overvloog groette hij ons met zijn roep. Dat was een bijzonder contact.
K: Wat een mooi verhaal. En fijn dat je me gerustgesteld hebt over mijn toekomst.
M: Wil je nog wat zeggen?
K: Dank je wel dat je me gered hebt.
M: Graag gedaan, blij dat ik je nog kon redden en wordt een mooie grote wijze vogel.
220605

Hondje Patron

De afgelopen weken verschenen er diverse YouTube filmpjes over het Oekraïense hondje Patron. Ze zou meegegaan zijn met een soldaat naar het front waar ze inmiddels is ingezet als hond die explosieven opspoort die door de Russen zijn achtergelaten. Daarmee zou ze inmiddels al een kleine honderd levens gered hebben. Wat is daar van waar? Dus ben ik op zoek gegaan naar verbinding.

M: Dag Patron, mag ik met je praten?
P: Dat mag.
M: Wat kun je me vertellen over jezelf?
P: Niets, ik ben oorlogsgeheim en ik kan je dus niets vertellen over mijzelf.

Niets, ik ben oorlogsgeheim en ik kan je dus niets vertellen over mijzelf.

M: Houdt ons gesprek dan hier op?
P: Ja.
M: Dat was ene heel kort gesprek dan.
P: Maar we kunnen wel praten als we de oorlog gewonnen hebben. Dan mag je je weer melden.
M: OK.

220508

Patron en ik hebben daarna nog enkele contacten gehad en vandaag probeer ik het weer.
M: Mijn gesprek van vandaag zal niet gepubliceerd worden voor de oorlog met de Russen tenminste tot rust is gekomen. Kunnen we onder die voorwaarden wel al vast met elkaar praten? (Aan het einde van het gesprek liep het toch anders)
P: Dat kan.
M: Je hebt mij de afgelopen dagen laten zien dat er rond jou een mythe is gemaakt en dat de filmpjes die er rondgaan, allemaal fake zijn. Nagemaakt, maar niet echt. Klopt dat?
P: Ja dat klopt, ik wilde je dat eigenlijk niet vertellen, maar het is misschien toch wel belangrijk dat je deze dingen begrijpt. Inderdaad op voorwaarde dat je dit voorlopig niet publiceert.
M: Ik voel me geëerd door je vertrouwen. Ben je niet bang dat ik door jouw bekentenis anders tegen de oorlog aan ga kijken?
P: Nee, dat ben ik niet. Ik denk dat je juist meer bewondering voor ons gaat krijgen over wat wij allemaal kunnen in deze oorlog.
M: Ja, daar heb je zeker een punt. Ik was me niet bewust dat informatie ook oorlog is en dat jullie op alle fronten die informatie slag heel sterk spelen.
P: Ja, dat doen we en het werkt ook. Al die beelden van mij en van andere honden laten zien hoe sterk wij en in dit verband voel ik me ook een Oekraïner, betrokken zijn bij deze oorlog en hoe inventief we met de hele informatie omgaan. Daardoor is ons imago in Europa ook van een onverzettelijk volk. In tegenstelling tot de Russen die hier jongens naar toe hebben gestuurd die liever niet willen schieten. Hoe denk je dat zoiets op het moreel van die arme Russen over komt?
M: Hoor ik je nu zeggen die arme Russen?
P: Ja, dat hoor je goed. Die jongens die hier moeten vechten doen dat niet voor hun plezier, ze zijn gestuurd en zouden ook veel liever thuis zijn.
M: Dat begrijp ik en vind ik toch wel heel groots van je dat je zo over ze kunt denken, zeker na alle beelden die we hebben gezien over gruwelijkheden die zijn begaan. Maar je hebt nog een antwoord van mij tegoed over wat ik denk dat het met het moreel doet? Ja, dat doet zeker iets met het moreel. Dus is dat een slimme manier van oorlog voeren.
P: Dat is wat ik bedoel en daar doe ik dus erg mijn best voor.
M: Dit gesprek wat we nu samen voeren is toch heel mooi om aan de mensen die onze blogs lezen te laten zien? Wil je het echt geheim houden?
P: Ja en nee. Ja, want mijn bazen willen niet dat ik dit vertel. Volgens de mythe die rond mij, en anderen, is gesponnen, zijn wij helden, maar eigenlijk zijn wij hulpjes. En dat doen we graag want ook voor ons dieren geldt dat wij ons land willen en deels ook kunnen verdedigen. En misschien mag je laten zien wat wij dieren daar in kunnen betekenen?

Ook voor ons dieren geldt dat wij ons land willen en deels ook kunnen verdedigen

M: Ik vind het heel mooi wat jullie doen en voel niet dat het onecht is. Jullie zijn op jullie manier ook helden en wat ik echt mooi vind is dat je laat zien dat jullie als dieren ook willen werken voor jullie land en dat je ook nog compassie kunt opbrengen met degene die jullie dit aandoen.
P: Daar is wel een kanttekening bij te maken. Wij hebben compassie met de arme militairen die hier naar toe gestuurd worden om dingen te doen die ze helemaal niet willen doen. Maar ze kunnen niet echt anders. Er zijn echter ook monsters onder die militairen, en daar heb ik geen enkele vorm van medelijden mee. Het zijn beesten van mensen, zo erg zouden beesten nooit kunnen zijn.
M: Daar heb je gelijk in. Maar blijft de vraag, mag ik dit met jouw toestemming publiceren of wil je het geheim houden?
P: (worstelt met zichzelf) Ik geloof dat het misschien toch goed is als je dit laat weten aan de wereld.
M: Zeker weten? Ik wil je absoluut niet onder druk zetten!
P: Ja, het is OK, doe maar.
M: Wil je nog wat zeggen?
P: Nee, dit is het wel voorlopig. Dank je wel.

220511

Relatieopbouw met de eend

Al jaren zitten er eenden bij ons aan boord. Er is ook menig nest uitgebroed en twee keer heb ik gezien dat de jonge eendjes zich vanaf het dek of het dak van de roef in het water stortten om zich te voegen bij hun moeder die ze luid kwakend bij zich in het water riep.

De laatste maanden zijn het vooral twee eenden die zich steeds meer laten zien. Als ik naar het schip loop komen ze uit het water om me tegemoet te vliegen. Of ze staan al klaar op het houthok om te kijken of ik wat voer neerleg. Vandaag maak ik contact met het vrouwtje.

`Eindelijk! Ik kom hier al heel lang!´ laat ze weten. Het lijkt of ze het leuk vindt om es te babbelen met elkaar. Ik vind het een interessante waarneming hoe we communiceren. Het gaat razendsnel.

Ik begrijp dat het schip interessant is omdat hier eten is wat ergens anders niet is. Ze doelt op het vogelzaad dat ik al jaren op het dak van de papegaaienkooi leg. Ze laat zien dat ze het schip al tijden, ik vermoed jaren, goed heeft geobserveerd. Heel voorzichtig heeft ze dingen opgebouwd.

Nu lijkt ze het vooral komisch te vinden wat er aan boord gebeurt. Ik reageer een beetje verbaasd op het begrip ´komisch´ en vraag in beeld of ze mij niet eng vindt. ´Er gebeuren geen onverwachte dingen en er zijn geen onverwachte bewegingen. Ik ken alles wat je doet uit mijn observaties.´ Dat is een pijnlijk puntje want ik vind mezelf vaak heel saai met al die vaste gewoonten en het niet uit mijn bol gaan. ´Nee, dat is steady,´ laat de eend weten. ´Door het ´saaie´ kunnen anderen op je bouwen.´ Nou, dat is een nieuwe kijk die ik maar es mee ga nemen in mijn overwegingen.

Ik vraag wat ze bedoelde met ´komisch´. ´Nou, ik bekijk soms wat je doet: zitten op een stoel, lezen, roken.’ ‘Hoe weet jij dat nou te benoemen?’ vraag ik ineens bijna verontwaardigd. ‘Wat weet jij nou van boeken, sigaren en koffie?’ ‘Rustig aan,’ sust de eend, ‘Je doet het zelf: ik geef jou een beeld door en jij geeft er tekst aan. Daardoor weet ik hoe jij het noemt.’

Vervolgens laat ze zien hoe ik vaak druk met bewegingen en spullen ben. Ze begrijpt niet dat ik me daar zo op focus en me niet met mijn omgeving bezighoudt. ‘Je ziet heel weinig wat er om je heen gebeurt. Je bent zo met je eigen dingen bezig en met je eigen gedachten.’ De eend begrijpt dat onoplettende niet en ik krijg het beeld dat zij gevaar zou lopen als zij zich zo zou gedragen. ‘Hoe doe jij dat dan?’ vraag ik. Want stiekem heb ik wel eens het idee dat eenden ook heerlijk in hun coconnetje kunnen zitten en maar wat zitten te dobberen. ‘Ik ben gecentreerd in mezelf maar tegelijkertijd ook oplettend naar mijn omgeving.’ Dat vind ik knap en ook dit ga ik meenemen in mijn overwegingen.

Het is een vreselijk leuke eend en allebei vinden we dat we op een ander tijdstip nog es verder gaan babbelen.

(klik op de foto om de hele foto te zien)

De jonge koeien in de wei

Op de ochtendwandeling met de hond kom ik zeven jonge koeien tegen. Ze staan naast elkaar in de wei bij het hek en ik ga er rustig bij staan.
‘Ik zou met jullie kunnen communiceren, als jullie dat zouden willen,’ zend ik.
Verbazing bij de koeien. Ik krijg meteen de indruk dat de boer geen prater is. Niet met de koeien, maar ook niet tegen de koeien. ‘Wat doen we hier?’ vragen de dieren. Er is een bedrukt gevoel bij ze.
‘Tja, wat jullie hier doen? Ik ben de boer niet, dus ik weet niet waarom hij jullie hier heeft neergezet, maar ik vermoed dat hij jullie hier heeft gebracht omdat de weilanden bij zijn boerderij vol zijn.’
De koeien geven het gevoel uit de kudde gerukt te zijn. ‘Ik kan me voorstellen dat dat zo voelt,’ zeg ik. ‘De oudere koeien zijn nog daar. Die geven melk en moeten dus dichtbij huis staan. Ik denk dat jullie hier staan om gezond en stevig op te groeien. In alle vrijheid. Moet je zien hoeveel wei jullie hier hebben in de uiterwaarden.’
Maar de jonge koeien lijken niet blij met de grote ruimte. De stal bood regelmaat, structuur, op vaste tijden hooi of kuilvoer en regelmatig aanwezigheid van mensen. Nu moeten ze zichzelf zien te redden en bijvoeren is er niet bij. Bovendien zijn ze onbeschermd. Er kunnen mensen met honden of vissers de wei in komen en er is geen boer om ze te beschermen. ‘Nee, dat moeten jullie inderdaad zelf doen,’ pep ik ze op.
Ze staan er wat belabberd bij. De een hoest regelmatig, de ander heeft de snotklodders uit haar neus lopen. Wat beter weer zou aangenamer zijn voor deze jonge dieren. Eigenlijk is het een beetje een triest groepje zoals ze er nu bij staan en ik denk aan de kranten waar foto’s van blij springende koeien in stonden die voor het eerst weer de wei in mochten dit jaar. Alle koeien zijn dus niet over één kam te scheren. De journalistiek rond dieren zou wel es wat genuanceerder mogen, glimlach ik.
Voor ik wegga, geef ik de koeien mee dat ze samen sterk staan en ik hoop dat ze hun vrije ruimte gaan waarderen. De lichting koeien die vorig jaar in de wei kwam, had diezelfde verwarring in het begin. Maar in de loop der weken en maanden waren ze uitgegroeid tot grote dieren die het naar mijn idee heel goed naar hun zin hadden. Met deze koeien gaat het vast ook wel goed komen.
Als ik tien minuten later met het fototoestel kom, staan ze gezusterlijk bij elkaar naar iets te kijken. Samen sterk!

Een kijkje in de keuken

Iedereen die frequent met dieren communiceert, hetzij beroepsmatig, hetzij ´voor de lol´, ontwikkelt een eigen stijl. Daar kun je niet omheen maar dat maakt het ook juist leuk. Want wil iemand gebruik maken van een dierentolk, dan is er keuze. Net zoals dat met psychologen, artsen, docenten, therapeuten etc. het geval is.

Wat typeert mij nou, dacht ik laatst, en ik ben er eens op gaan letten. Vandaar een kijkje in mijn keuken. Wat voor 98% mijn werkwijze is is, is dat ik een telefonische afspraak maak met mensen en pas op dat moment maak ik contact met het dier, zodat ik letterlijk de tolk kan zijn.

Voor mij staan de dieren altijd voorop en ik volg de dieren. Dat begint al met het contact maken: het ene dier is kordaat en wil meteen to the point komen, het andere dier heeft meer tijd nodig en wil eerst rustig kennismaken. Weer een ander dier is verbaasd dat ik ertussen kom, want die vindt dat de mens zelf prima kan communiceren. En het komt ook voor dat er niet veel voor nodig is om meteen goed contact te krijgen.

Na het contact maken mag een dier altijd eerst wat van zichzelf laten zien. En daar blijken vaak al heel typerende dingen uit te komen die mij niet veel zeggen. Maar ik schrijf kernwoorden op en bijna altijd komt het er in de loop van het gesprek of op het eind op neer dat het kringetje aan informatie rond is: dat waar we op uit komen, liet zich op een bepaalde manier in het begin meteen al zien.

Voor mij is het altijd leuk om te merken hoe een dier communiceert. Het ene dier doet dat vooral in beelden, een ander laat duidelijke of minder duidelijke gevoelens zien, sommige dieren zijn vreemd genoeg heel talig (waardoor ik soms woorden doorkrijg die ik zelf zelden of nooit gebruik) en anderen maken er een mix van. In gesprekken hoor ik mezelf heel vaak zeggen: ‘Even kijken bij het dier, hoor…’. Kennelijk bekijk ik ‘de film’, de beelden die het dier laat zien en daar moet ik een goede vertaling in woorden voor vinden.

En juist die vertaling in woorden is heel belangrijk en dat maakt ook dat ik mezelf tolk noem. Het is als eerste dus belangrijk om de informatie op te pikken en vervolgens is het belangrijk dat die informatie zo juist mogelijk doorgegeven wordt. En ja, die informatie is gekleurd want het gaat via mij. Daarom begon ik ermee dat het zo goed is dat er keuze is voor ‘de klant’. En daarom is het ook zo leuk dat Eddy en ik deze site samen doen. We hebben allebei onze eigen stijl ontwikkeld.

 

Mocht je zelf willen leren communiceren met dieren: we hebben een cursus ontwikkeld die je in eerste instantie in je eigen tempo online kunt doen. Daarnaast kun je gekoppeld worden aan een andere cursist en zijn er terugkomdagen waarop we elkaar ontmoeten en volop kunnen uitwisselen. Voor meer informatie: Dierencommunicatie (happyviewschool.online)