Dieren dom? Vergeet het maar! Het zijn vaak leermeesters en bijzonder goede gesprekspartners! Laat je inspireren.

Baby E / 2

Ik heb momenteel weinig tijd voor diergesprekken, dus mijn blog van gisteren is er ook al bij in geschoten, helaas. Om jullie niet nog langer te laten wachten een gesprek dat ik enige jaren geleden met mijn kleindochter had toen ze nog net geen half jaar oud was. 

M: Dag meisje, mag ik weer met je praten?
E: Ja zeker, ik wilde al met je praten toen je enkele dagen geleden bij me was, maar daar was je niet gevoelig voor. Je was alleen maar met mijn fysieke verschijning bezig.
M: Nou dan maar weer op deze manier. Zo hebben we allebei een rustig moment om te praten.
E: Voor jou misschien wel, maar voor mij niet. Ik zit in ons nieuwe huis en jullie oude huis en ik kan niet wachten tot we er eindelijk gaan wonen. Mijn pappa en mamma zijn druk bezig om alles piekfijn in orde te maken, maar dat is weer de fysiek. Ze zouden ook aan de energetische invulling moeten werken. Het is een fijne plek, maar er moet toch veel aandacht gegeven worden aan de energie van de plek. Die is bijzonder genezend, maar moet ontsloten worden door mijn ouders, door allebei en ze kunnen het ook allebei als ze zich daar op richten. Jij hebt het gevoel dat pappa misschien niet zo spiritueel is, maar dat is hij wel. Hij doet heel nuchter en is door zijn opleiding natuurlijk wel wat gedeformeerd in westers denken, maar gelukkig heeft hij veel mee gekregen van zijn reizen naar Azië. Daarom kan hij ook sceptisch, maar toch open staan voor jouw ideeën inzake praten met dieren en nu met mij.
Ja doe maar. Ik merk dat je denkt dat je de foto die je als kenmerk van deze gesprekken hebt overweegt te vervangen door de halo foto. Doe maar, dat is een bijzondere foto.
M: Daar dacht ik inderdaad aan, grappig dat je dat meteen weet.
E: Ja zo werkt dat aan de spirituele kant van het leven. Je hoeft gedachten niet uit te spreken, ze zijn er gewoon. In jouw hoofd en in je hart als je de juiste gedachten hebt. En ook in de ether en daarmee voor iedereen die daar kan vertoeven op te pakken.
M: Sorry dat ik je moet onderbreken, je bent net zo lekker op dreef, maar ik moet broodjes gaan afbakken omdat jij en je ouders er aan komen. Tot binnenkort.
E: Wacht niet te lang.
201218

Ratten aan boord

Al meerdere keren heb ik over de ratten aan boord geschreven. We eindigden bijna twee jaar geleden met een patstelling: ik vond dat ze niet in de binnenruimte hoorden (tussen het dek en het plafond) en zij vonden dat we prima met elkaar konden leven. Er zijn zo enkele generaties aan boord geboren en getogen.

Het laatste jaar worden de ratten steeds luidruchtiger. Ze rennen over een holle balk, onzichtbaar voor ons maar duidelijk hoorbaar. Nooit lopen ze gewoon, het is altijd rennen. Waar ze eerst boven bleven, hoorde ik ze langzaam maar zeker langs de wanden naar beneden komen. Een no go area, dat heb ik ze duidelijk gemaakt. Maar ja, kennelijk is er een nieuwe generatie en hebben opa en oma niet doorgegeven waar de grenzen liggen. De laatste maanden is het zelfs zo dat ze soms in de kamer komen. Ik zie ze nooit, maar de honden horen ze en springen ’s nachts regelmatig uit bed om ze weg te jagen. Soms leg ik ergens twee nootjes neer om te testen wat er gebeurt. Met regelmaat zijn ze weg.

Het is duidelijk dat de ratten en ik niet verder komen met elkaar. Ik vraag mensen die de cursus bij ons gedaan hebben of ze mee willen kijken. Voor zij met de ratten contact gaan maken doe ik dat ook nog eens. Ik krijg door dat ze veel lol hebben, dat het een uitdaging is om beneden te komen en binnen wat te eten te zoeken. Dat er honden zijn maakt het extra leuk voor ze. Zij zijn sneller, hoor ik. Het is net een speeltuin en zolang er ingangen zijn komen ze.

De mede-diercommunicatoren ervaren allemaal ook de lol die de dieren hebben en ze zien ook dat ik niet streng genoeg ben om mijn (leef)grenzen af te bakenen. Ondanks dat ze het plezier van de ratten voelen, komen ze toch voor mij op en gaan in ernstig gesprek met de diertjes. Er wordt uitgelegd hoe het zit met de leefruimte, met elektrische kabels. De dieren leggen uit dat ze knagers zijn en blijven. Iemand spreekt ze streng toe, een ander adviseert met klem om buiten te gaan wonen. Weer een ander ziet dat ze alleen vertrekken als ik stampvoetend mijn punt ga maken, maar iedereen ziet ook de hopeloosheid daarvan in want ik heb grote waardering voor de diertjes en ik moet steeds om hun vindingrijkheid lachen. Een ander krijgt de rattentempel in India door. Ik had er nooit van gehoord, maar het is interessant om dat eens op te zoeken.

Iedereen voelt wel dat de ratten wat indammen. Mijn uiterste daad is dat ik wens dat de ratten een goede plek buiten gaan vinden (als het weer beter wordt; het is nu koud en het water staat hoog).

De volgende twee avonden zit ik op de bank en het is opvallend stil boven me. Ineens hoor ik er eentje lopen, maar het gaat zonder het uitbundige enthousiasme. Hmmm, zouden ze toch wat begrepen hebben? Het is bijna saai binnen maar ik pas goed op dat ik me niet weer hun volle aanwezigheid wens.

Zondagnacht zijn de honden erg moe. Ze zijn wat ziek geweest en slapen goed. Geen rennen en blaffen deze nacht. Maandagochtend prijs ik de rust en de ratten. Als ik de cavia eten wil geven herinner ik me dat de papegaai de avond ervoor een deel van een mandarijn heeft laten vallen. Die ben ik vergeten op te rapen dus die kan mooi naar de cavia. Ik wil de mandarijn pakken maar zie niks meer. Ik weet zeker dat de honden geen mandarijnen met schil eten. Ik zie ook nergens schilletjes liggen. Hoe hebben ze dit nu weer voor elkaar gekregen?

PS 1. Twee jaar geleden kwam ik op een nacht buiten en zag twee ratjes zitten, precies zoals op deze foto. Genietend van de rustige nacht. Je gunt iedereen toch het leven?

PS 2. Ik sprak iemand van de bestrijdingsdienst en legde de situatie aan boord uit. ‘Hopeloos,’ zei hij, ‘wij zouden er niet aan beginnen. Gegarandeerd geen succes.’

Libelle wil aangesproken worden

Er is een libelle die zich steeds laat zien, hij wil duidelijk aangesproken worden en dat doe ik dus.
De libelle praat niet met me, maar laat me zien hoe je moet vliegen met haar soort vleugels. Ik krijg de vleugels op mijn lijf en kom niet omhoog. Ze laat me zien dat ik de verkeerde houding heb. Ik moet niet staan, maar liggen en dan de vleugels ‘omvoelen’. En ik mag voelen hoe het is om als een libelle door het landschap te vliegen. Vooral het stilstaan in de lucht is mooi, maar ook moeilijk om te doen en ik voel pijn aan mijn schouderbladen van de tegengesteld draaiende vleugels om stil te kunnen blijven staan in de lucht. De sessie eindigt met dit gevoel. Kan dat werken? Tegengesteld draaiende vleugels?
Ik zoek het op internet op:
Bij libellen zijn de vleugels niet met elkaar verbonden, zoals bij veel andere insecten. Hierdoor kunnen de vier vleugels los van elkaar worden aangestuurd en kan de libel opmerkelijke kunsten uithalen, zoals stilstaan in de lucht, verticaal opstijgen en zelfs achteruit vliegen. De vleugelslag is met twintig tot veertig slagen per seconde veel langzamer dan bij andere, kleinere insecten. (Sommige muskieten kunnen wel duizend slagen per seconde bereiken.) Door de lage frequentie is de vleugelslag voor mensen niet hoorbaar. Libellen kunnen een snelheid van wel vijftig km per uur halen, wat hen tot de snelst vliegende insecten maakt. De vleugels hebben een netwerk van aderen waarvan de structuur bij de taxonomische indeling van libellen een belangrijke rol speelt. De voorrand van de vleugels is geknikt en fungeert als een soort spoiler. Dit zorgt dat lucht loskomt van het vleugeloppervlak, waardoor lift ontstaat. Aan de voorrand van de vleugels bevindt zich dicht bij de vleugeltop ook een gekleurde vlek, het pterstigma. Deze vleugelvlek helpt de libel mogelijk bij fijnere bijstellingen van de vlucht.
Echt antwoord kan ik niet vinden, helaas.

190831

Het egeltje in het net

Op 1 oktober wilde hond Sjaantje niet komen toen ik haar riep. Ze bleef maar met haar kop tussen voertonnen bij de kippenren staan. We hadden de kippen van mijn dochter verzorgd en ik wilde weg, maar Sjaan gaf geen gehoor aan mijn geroep. Ineens realiseerde ik me dat er dan wat aan de hand moest zijn. En ja hoor, helemaal verstrengeld in een net hing een jong egeltje. Mon Dieu, hoe krijg je zo’n diertje los? En zou hij het overleven? Hij hing er belabberd bij.

Met een schaar kon ik alle draadjes wegknippen. Het diertje voelde heel koud aan, keek met een heel afwezige ‘verre’ blik. Ik besloot hem niet te voeren maar hem op een veilige plek neer te leggen: in een onbewoond egelhuisje. Later op de dag zag de buurvrouw geen egel meer dus we gingen ervan uit dat de reddingspoging geslaagd was.

Vandaag ben ik toch wel benieuwd hoe het het egeltje verder vergaan is dus ik maak contact.

‘Wat kwam je laat!’ hoor ik meteen. Het klinkt niet verwijtend. ‘Ik hing er al een tijd!’ ‘Ja, dat had ik door. Je was behoorlijk koud en leefde nog net. Hoe was het voor je om die hondenkop voor je te zien?’

Het egeltje laat zien dat de hondenkop geen probleem was. Er kwam geen gevaar vanaf, bovendien was de egel verdoofd/versuft. Hij was meer bezig met zichzelf dan met die externe factor. Ook mijn hand en het knippen van de schaar leek hem geen schrik bezorgd te hebben.

Ik vraag de egel in beeld hoe het met hem ging nadat ik hem in het egelhuisje had gelegd. “Het ging allemaal weer stromen en ik kwam weer op temperatuur.” “En wat ben je toen gaan doen?” Het diertje schijnt het een domme vraag te vinden: “Wat ik altijd doe: eten zoeken.”

Wat ik begrijp ligt het diertje nu ergens onder een hoop bladeren. Ik hoop dat hij een goede hoop heeft uitgekozen, een hoop waar niemand komt. Het wordt me ineens heel duidelijk dat je bladeren en ‘rotzooi’ in de tuin onaangeroerd moet laten. Want inderdaad, er kan zomaar een dier in slapen.

Ik vraag het egeltje toch nog even naar de parasieten die ik op zijn vacht zag. Het waren geen zwarte vlooien, maar oranje-gele bolletjes. “We leven met elkaar,” krijg ik als antwoord. En ik denk: ach ja, zo gaat dat, ik leef ook met de ratten op mijn schip. Waarom zouden we daar moeilijk over doen?

De reiger

Zeer regelmatig hoor ik het krijsen van een reiger. Het is zo’n gek geluid dat ik besluit om eens contact te maken met de reiger.

Het eerste wat ik hoor is gemopper over het ijs. Sinds twee dagen ligt er een dun laagje over het water waar ons schip op drijft.

‘Ik weet heus wel wie je bent,’ is het volgende wat ik hoor. ‘En ik weet ook dat je vindt dat ik krijs.’

Nou, beetje kortaf dier, als ik het zo merk. Ik haak bij hem aan en geef hem in beeld de vraag door of het niet beter voor hem is als hij zwijgend en onopvallend wegvliegt in plaats van krijsend. ‘Misschien wil ik wel opvallen,’ antwoordt hij wat verontwaardigd. ‘Ik heb geen vijanden dus ik hoef niet stil weg.’

‘Ben jij nou sikkeneurig of interpreteer ik het verkeerd omdat dat mijn associatie is met dat krijsen van je?’ vraag ik de vogel.

‘Je kunt ook anders leren luisteren naar het geluid. Het niet horen als krijsen.’ Dat vind ik een interessante kijk en mijn gedachten gaan naar verschillende situaties: wat als ik die eens anders leer horen, verstaan en interpreteren? Dan ga ik er vast anders tegenaan kijken. De moeite waard om mee te oefenen!

Ik laat de reiger zien dat het me verbaast dat hij altijd alleen is. ‘Dit is mijn gebied,’ legt hij uit. Kennelijk hoeft hij niet in een groep te leven. In gedachten bekijk ik wat zijn gebied volgens mij is en dan vertel ik hem dat ik hem niet elke dag zie. ‘Je kijkt niet goed.’ Hoppa, weer een vogel die me erop wijst dat ik niet goed om me heen kijk.

‘Hoe is het voor jou om met alle andere dieren te leven hier?’ vraag ik hem. ‘We vissen in dezelfde vijver.’ Dit antwoord verbaast me: het is zowel letterlijk waar als dat het een uitdrukking is.

Ik denk hem klem te zetten: ‘Als ik jou zo bezie, dan heb je geen last van de andere watervogels. Waarom vind je het dan nodig om steeds zo krijsend op te vliegen?’ ‘Ik ben traag en groot. Bij onraad ben ik een makkelijk doelwit. Het is beter om bijtijds te vertrekken.’ ‘Maar eerder in het gesprek zei je dat je geen vijanden hebt!’ ‘De mens, de mens…’

‘Nou,’ leg ik hem uit, ‘in steden wonen reigers anders dicht bij mensen, net als duiven. Dat lijkt toch niet vijandig.’ ‘Die zijn gedegenereerd,’ hoor ik meteen.

‘Ben je gelukkig?’ vraag ik hem. Ik merk meteen dat hij de vraag onzinnig en een beetje irritant vindt. ‘Ik leef. Ik zoek eten, ik eet, ik rust uit, ik zit te soezen. Ik ben.’ Juist ja, niks aan toe te voegen. Ik begrijp hem en zie ook dat mijn vraag een typische mensenvraag is.

Kennelijk gaan mijn gedachten naar het schip en vraag ik me af wat de reiger van het schip vindt want ik hoor: ‘Het schip ken ik al zo lang. Ik heb geen last van je.’

Het contact met de reiger blijft een beetje kortaf, een beetje kordaat. Maar ik ga aankomende tijd bij mezelf checken of het typisch iets van de reiger is of dat mijn interpretatie van zijn krijsen meespeelt. Toch weer interessant hoe zo’n dier je aan het denken kan zetten.

De eend

Op 21 september schreef ik een blog over een eend die bij mij aan boord kwam eten. Ik schreef dat ze een hangende snavel had maar inmiddels weet ik dat haar tong door de ondersnavel gezakt is waardoor haar tong steeds onder haar snavel hangt.

Het diertje komt nog steeds meerdere keren per dag eten. Terwijl ik in mijn praktijkruimte zit maak ik weer contact met haar.

“Waarom kom je niet hier? Dan kun je eten neerleggen,” hoor ik. Er worden snel beelden tussen ons uitgewisseld en vertaald komt het erop neer dat de eend vaak kwaakt en dat ik niet altijd kom. “Dan ben ik niet thuis,” leg ik de eend uit.

Ik heb een vraag aan de eend en dat is de reden dat ik nu weer contact opneem. Het valt me namelijk op dat zij vaak om voer vraagt maar als ik het neerleg komen er andere eenden en dan eten die alles op. Ze laat me zien dat die eenden sterker zijn en dat zij dan wijkt. “Ben jij de under-eend?” vraag ik. “Ik zoek andere wegen. Kan het niet rechtstreeks, dan via een omweg.” Ze lijkt er niet mee te zitten dat ze plaats moet maken en voelt zich niet minder. Ze zoekt dan inderdaad naar andere manieren om toch aan eten te komen. Het kan zijn dat ik stiekem voer neerleg op een speciaal plekje dat zij kent waardoor ze een voorsprong heeft op de andere eenden. Of ze komt als de meeste eenden niet in de buurt zijn. Zo scharrelt ze kennelijk toch voldoende bij elkaar.

Waarschijnlijk maak ik me er druk om dat ze anders is dan de andere eenden want ik hoor: “Ik ben wie ik ben en dat is goed.” “Maar als het nou kouder wordt … die hangende tong wordt misschien wel heel koud … ” “Maak je toch niet zo druk,” laat ze weten. Ik geloof dat ik een vermoeiende gesprekspartner ben als ik al die beren op de weg zie. Voor mij is het weer goed om mee te maken dat dieren van nature relaxed zijn. Ze leven op het moment en zien wel wat er komen gaat. Weer een mooi lesje voor vandaag om vast te houden. Want ik merk dat ik alweer zit te denken wat ik vanmiddag ga doen en dan kan ik daarvoor nog even dit en als ik dan ook nog even tussendoor dat doe dan … poeh, wat word ik eigenlijk moe van mezelf …

Koe over LHBTI

Ik loop op mijn dagelijkse wandelingen met onze hond vaak langs deze koe. Ze staan met z’n tweeën in een grote weide en vandaag spreekt de ene koe me aan.

K: Kunnen we even praten?
M: Ja, leuk, daar geniet ik van.
K: Ik zie je vaak langskomen en je kijkt altijd naar ons en hebt een mooie uitstraling, daarom dacht ik: kunnen we praten.
M: Ja, dat kan. Ben jij eigenlijk mannelijk of vrouwelijk?
K: Doet dat er toe?
M: Nee, helemaal niet, het is nieuwsgierigheid van mij.
K: Ik krijg de indruk dat er in de mensenwereld zo’n intolerantie is naar alles dat anders is. Maar laat ik je vertellen dat bij ons dat echt anders werkt. Wij koeien kunnen houden van elkaar, dat heeft niets met seksualiteit te maken en of je een mannetje of een vrouwtje of wat anders bent. Houden van is houden van, daar wil je mee samen zijn. Voortplanting is iets heel anders, dat doe je omdat dat een drang is, maar het heeft niets met liefde te maken. Daar komt bij dat op de wijze waarop wij koeien gehouden worden door mensen, voortplanting geen keuze is. Maar de liefde voor je baby natuurlijk wel, dat heb je in je zitten.
M: Dank je wel voor deze korte uiteenzetting. Dus al dat gedoe rond LHBTI speelt totaal niet bij dieren?
K: Los van dat ik jouw letters niet snap, maar ik begrijp dat ze met de verschillende vormen van seksualiteit te maken hebben, gaat het over afwijken van de ‘norm’. Dat is nu net het probleem. Er is geen norm, alles kan en mag in de liefde, dus is er ook geen afkeuring nodig, want liefde is iets heel moois, dat kan nooit afkeurenswaardig zijn.

Er is geen norm, alles kan en mag in de liefde, dus is er ook geen afkeuring nodig, want liefde is iets heel moois

M: Voel jij dat zo? En denk je dat mensen te veel normen maken en daardoor ze echte liefde niet kunnen begrijpen als die anders is dan gebruikelijk?
K: Het mooie van liefde is dat het ongrijpbaar is, er is ‘iets’ dat de aantrekking veroorzaakt en die wordt niet tegen gehouden door een norm of wat gebruikelijk is. Mensen laten zich wel tegenhouden door hun eigen opgelegde normen, maar dat zijn ook maar ideeën die je kunt vervangen door andere ideeën of zo je wilt normen.
M: Dank je wel voor deze mooie woorden over vrijheid van liefhebben. Ik zal ze delen. Heb je er nog iets aan toe te voegen?
K: Nu niet. Misschien wel een andere keer.

221024

Verongelukte aap

Ik ben nog in India en ga regelmatig op bezoek bij de dierenkliniek annex asiel voor straatdieren. Daar kwam ik deze schattige aap tegen. Op een gegeven dag mocht ik mee het hok in van de baas en hebben we nader kennis gemaakt. Na enkele dagen heb ik een gesprek met haar gehad. Ik heb haar nadien nog een aantal keren bezocht.

M: Dag aap, ik ben al een aantal keren bij je op bezoek geweest en je hebt zelfs op mijn schouder gezeten. Ik zou graag met je willen praten over je leven, zoals het is. Heb je eigenlijk een naam?
AS: Ja, de baas (ik neem aan dat dat Shravan is) heeft me een naam gegeven, maar dat is niet mijn naam. Mijn familie heeft me wel een naam gegeven, dat is in jouw woorden slingeraar. Wel een beetje cynisch nu ik nog maar één hand heb om mee te slingeren en toch kan ik het nog.
M: Ik heb je zien slingeren aan een touw, je hebt het me heel goed laten zien en ik zag dat je er trots op was.
AS: Ja dat ben ik eigenlijk best wel.
M: Vertel wat is jou overkomen dat je nu nog maar één hand hebt?

Ik ben als baby ergens opgesprongen en heb toen drie van mijn handen ernstig verbrand en werd voor dood achtergelaten op straat

AS: Ik ben als baby ergens opgesprongen en heb toen drie van mijn handen ernstig verbrand en werd voor dood achtergelaten op straat. Ik was er ook erg slecht aan toe en had vreselijke pijn, dat herinner ik me nog wel. Mijn moeder heeft er alles aan gedaan mij mee te nemen, maar ik kon me echt niet meer aan haar vasthouden om mee te gaan. Gelukkig hebben mensen de dierenziekenauto gebeld en ben ik opgehaald. Dat vonden mijn moeder en ik niet leuk, maar het was de juiste keuze moet ik nu toegeven. In het dierenziekenhuis heeft mijn baas zich om mij bekommerd en heeft hij mij verzorging laten geven. Drie van mijn handen zijn toen geamputeerd, dat was afschuwelijk, maar blijkbaar nodig om mij weer beter te maken. En ik ben weer beter geworden, kijk maar naar mij.
M: Ja, je bent een prachtige aap geworden. Toen ik de eerste keer bij je kwam kijken had ik niet eens door dat je maar één hand had. Het is niet direct zichtbaar en je bent zo handig. Knap hoor. En je hebt hier een belangrijke taak hoorde ik.
AS: Ja, ik ben pleegmoeder voor alle kleine aapjes die op straat gevonden worden en hun familie kwijt zijn. En dat zijn er regelmatig best wel een aantal.
M: Ik zag dat je de verzorger bent van vier aapjes.
AS: Ja, ik ben voor een deel oppasser, want ze kunnen wel zelf eten, maar als ze zo klein zijn durven ze alleen maar aan de buik van hun moeder te hangen. Sommige zijn dapperder. Er is hier een kleine, zelf nog een peuter, aap die al moedertje speelt voor de jongste in ons gezelschap. Die klampt zich steeds aan haar vast.

Ik ben pleegmoeder voor alle kleine aapjes die op straat gevonden worden en hun familie kwijt zijn

M: De eerste keer had ik die kleine niet eens gezien. Hoe voelt het voor jou als deze kleintjes groter geworden zijn en ze zelfstandig kunnen leven en als groepje worden uitgezet? Voel je dan weer erg eenzaam en verlaten?
AS: Nee, dat zijn typische mensen emotie. Natuurlijk is het raar als je ineens weer alleen bent, maar dat is een normaal proces. Kleintjes moeten hun eigen gang gaan. In de natuur blijven ze vaak wel langer bij de groep, maar dat kan hier niet. Dus gaan ze een keer allemaal weg, maar meestal ben ik dan niet alleen en zijn er weer nieuwe kleintjes waarvoor ik pleegmoeder moet spelen en dat vind ik wel leuk. Dus eigenlijk ben ik hier nooit eenzaam en ik vervul een belangrijke taak binnen de kliniek.
M: Dank je wel voor dit gesprek, wil je nog iets toevoegen of zeggen?
AS: Waarom wil je de foto van jou en mij niet laten zien?
M: Dat is een goede vraag en een lastige voor mij. Ik schrijf niet onder mijn eigen naam en daarom wil ik er niet mijn foto bij doen, want dan zullen sommige mensen mij herkennen en dat wil ik niet.
AS: Waarom doe je daar zo moeilijk over, we zijn toch schattig samen?
M: Je hebt helemaal gelijk, maar ik ben er nog niet aan toe.
AS: Jammer, maar ik zie je snel weer toch?
M: Ik kom zeker nog eens langs voor ik weer vertrek.

220930

straatkalf in India aangereden

Ik ben momenteel voor mijn werk in India en daar is een dierenkliniek die geheel door vrijwilligers gerund wordt. Enige jaren terug was het een kleine kliniek, nu is het een groot complex geworden en werken er 38 vrijwilligers waarvan drie dierenartsen onder de bezielende leiding van Shravan Krishnan. Ik zag daar een kalf hangen in een soort hangrek en ben met haar in gesprek geraakt.

M: Dag kalf, denk je dat we kunnen praten?
K: Dat hebben we al gedaan, dus ga gerust verder.
M: Ja, ik weet dat ik bij je op bezoek was en zachte woordjes tegen je gesproken heb, maar nu wil ik echt een diepgaand gesprek met je voeren als dat kan.
K: Dat kan, wat wil je weten?
M: Je maakt een erg depressieve indruk, is dat omdat je depri bent of omdat je je schikt in je lot zoals je er nu bij ‘staat’.
K: Ben je altijd zo moeilijk? Ik ben hier opgehangen en kan niets, ze moeten mijn eten om mijn hals binden zodat ik het kan eten en dat geldt voor het drinken ook. Daar wordt toch niemand blij van?
M: Nee, dat begrijp ik wel, ik wilde je niet iets aanpraten, maar je voelt zo moedeloos.
K: Ja, ik ben aangereden door een hele grote massa, dat noemen jullie een bus en ze hebben me gewoon laten liggen. Het deed en doet erg pijn en ik lag langzaam te accepteren dat ik dood zou gaan. Maar toen hebben mensen me opgehaald en hierheen gebracht en hier hebben ze mijn poten weer aan elkaar gezet voelt het, maar ik kan er niet op staan, daarom hang ik anders zou ik moeten liggen en dan is dit de betere oplossing. Maar aangenaam is het niet echt.

Het deed en doet erg pijn en ik lag langzaam te accepteren dat ik dood zou gaan.

M: Was je dan liever dood gegaan?
K: Dat weet ik niet. Misschien kan dit nog wel wat worden, maar zo hangen vind ik geen aangenaam leven.
M: Weet je hoe het verder gaat? Hebben ze je dat verteld?
K: Wie zou dat moeten doen? Jij bent de eerste die met me praat en daar knap ik wel van op, kan ik even vrijkomen van mijn onverschilligheid.
M: Ik verwacht dat je weer beter wordt met je poten, hoewel je misschien wel altijd een beetje mank zult lopen, maar je kunt vast weer gaan lopen en dan mag je weer rondscharrelen als je weer beter bent en heb je je vrijheid weer terug.
K: Vrijheid is wel fijn, zelf bepalen waar ik heen zal gaan en me aansluiten bij enkele andere zwervende koeien, want dit is erg eenzaam. Er liggen wel af en toe kalfjes in de hokken om me heen maar ze zijn toch te ver weg voor mij. Ik kan ze wel ruiken, maar wij maken graag contact door er dicht met de neus tegenaan te staan en misschien ook wat te likken. Zo hangend kan ik dat allemaal niet en is het eenzaam.
M: Maar dat gaat dus wel goed komen verwacht ik. Hoe was jouw leven voor je een ongeluk kreeg? Wil je dat vertellen?
K: ik was met mijn moeder en nog een aantal andere een groep koeien en we wandelden door de straten en kregen hier en daar wat eten of scharrelden dat bij elkaar, niet echt een moeilijk leven, hoewel we soms ook wel honger hadden, maar nooit lang. De drukte om me heen kon ik me best goed voor afsluiten en toen ineens boem en lag ik met veel pijn op de grond en kon ik niet meer opstaan. Ook mijn moeder kon me niet overeind duwen, ik kon alleen maar liggen. De troep is na een tijdje verder getrokken en heeft mij achter gelaten, dat was moeilijk maar onvermijdelijk. Een dier dat niet meer kan lopen kan ook niet meer eten, want het eten moet je opzoeken. Dus moest de troep wel verder en mij achter laten om dood te gaan en dat had ik geaccepteerd. Het liep anders en dat weet je nu. Hier ben ik.

De troep is na een tijdje verder getrokken en heeft mij achter gelaten, dat was moeilijk maar onvermijdelijk. Een dier dat niet meer kan lopen kan ook niet meer eten, want het eten moet je opzoeken.

M: Je vond het dus best wel moeilijk dat de troep verder moest gaan.
K: Ja, dat was moeilijk, maar zoals ik al zei, onvermijdelijk. En ik had het geaccepteerd.
M: Zie je nu wel weer het licht als je denkt dat je uit deze hangmat kunt komen en dat je dan weer kunt lopen en je eigen weg zoeken?
K: Ja, dat zie ik wel zitten.
M: Minder depri nu?
K: Zijn er meer mensen waar je mee kunt praten?
M: Je weet nu hoe het werkt, je geeft beelden door in iemands hoofd en misschien is er iemand die daarop reageert, maar ik weet niet of die bij jou in de buurt zijn. Wil je nog iets zeggen?
K: Wil je alsjeblieft mij nog af en toe bezoeken of met me praten, want dat verdrijft de eenzaamheid wel goed.
M: Ik ben hier niet zo lang maar ik kom nog wel eens langs, het was fijn kennis te maken.

220923

Het is nu twee dagen later en ik ben weer bij het kalf gaan kijken, maar ze is niet meer op de oude plek. Tijd om weer contact te leggen, waar is ze nu?

M: Dag kalf, kunnen we weer praten?
K: Ja dat kan, maar anders. Er is wat gebeurd, ik ben nu vrij en kan alles, maar dat is van beperkte duur.
M: Wat bedoel je? Ik kwam eigenlijk mijn excuses maken dat ik je niet de juiste dingen heb verteld. Ik dacht echt dat je beter zou worden, maar nu blijkt dat je zoveel inwendige wonden had, dat je ingeslapen bent. Dus je bent nu dood.
K: Daar zeg je wat. Het voelt niet zo, maar wel raar. Ik kan weer alles en heb geen pijn, maar ik weet ook dat dit tijdelijk is zo te voelen. Ik moet ergens heen.
M: Kun je er iets over vertellen, ik wil niet te veel invullen.
K: Ja, het ging niet goed met me, toen hebben ze me naar een andere plek, waarschijnlijk een dierenziekenhuis, gebracht en daar ben ik gaan slapen.
M: Ik denk dat de dokter je een spuitje heeft gegeven en dat je daarvan bent gaan slapen en daarna dood bent gegaan.
K: Maar dat was niet zoals het hoort te gaan. Normaal ga je bewust dood en je laat langzaam al je, hoe noem je dat nou, al je levensenergie laat je langzaam wegvloeien dat is het juiste proces. Maar daar was nu geen sprake van. Ik heb daar niets van gemerkt en voel me nog een kalf en niet een dood kalf. Maar ik voel ook dat ik weg moet vloeien, ja vloeien is hier misschien ook het juiste woord. Ik ga ver weg naar mijn groepsziel en daar wordt ik in opgenomen, dat is het lonkende perspectief waar ik naar uitkijk.

Normaal ga je bewust dood en je laat langzaam al je, hoe noem je dat nou, al je levensenergie laat je langzaam wegvloeien dat is het juiste proces.

M: Dat klinkt eigenlijk best wel mooi.
K: Ja dat wel, maar het is niet het normale proces. Het is anders en het voelt vreemd, maar het komt wel goed voel ik nu.
M: Ik ben blij voor je dat het wel goed komt en dat je nu geen pijn meer hoeft te hebben. Ik wens je een gelukkige tijd en wil je nog wat zeggen?
K: Ja, dank je wel dat je er af en toe voor me was, net als die lieve verzorgers die me hebben geholpen. Ik kan ze niet bedanken, maar ze hebben erg hun best gedaan voor mij en dat is bijzonder.

220925

Mocht u meer willen weten van dit bijzondere project of willen doneren, ze kunnen dat heel goed gebruiken, dan is hier de Facebook pagina: https://www.facebook.com/besantmemorialanimaldispensary/ 

“Zo helpen we elkaar.”

Begin september klonk het bekende gekwaak vanaf het dak van de stuurhut: ik wil eten! Verrast kijk ik op, in de verwachting mijn oude vriendin weer te zien nadat ze jonkies had gekregen. Maar nee, dit is een andere eend. Een eend bij wie de ondersnavel er los bijhangt. Uit de verte had ik al opgemerkt dat er met een van de twee overgebleven eendjes wat was, dus ik maak contact met de oude eend.

Ze laat weten dat het broeden dit jaar een hele klus was. Ze had moeite met een broedplaats zoeken en werd een paar keer verstoord. Ik had daar nog niet over nagedacht maar het klopt dat de IJssel heel laag stond dus ik kan me voorstellen dat ze de veiligheid van begroeiing heeft moeten missen.

Ik merk op dat ze andere jaren altijd snel kwam snacken aan boord en de jonge eendjes dan even alleen liet in het water. “Dit is de laatste leg. Ik ben extra zuinig op de eendjes,” laat ze weten. Het verbaast me een beetje dat ze die keus kan maken, maar het zal zo zijn dus ik geloof wat ik hoor.

“Er is hier een eend aan boord met een hangende ondersnavel. Is dat jouw jong?” De eend zegt dat ze niet zo geboren is. Ik krijg het idee dat er een gevecht geweest is. “Hoe kan het dat deze eend aan boord is terwijl ze het niet van jou geleerd heeft? De jonge eend doet of ze hier al jaren komt.” “Ik heb haar gestuurd,” antwoordt de eend. “Ze moet het zelf doen maar ze krijgt het moeilijk met zo’n snavel. Om te overleven is ze nu afhankelijk van jou.” ‘Toe maar,’ denk ik, ‘ik vang al een hond op en ik heb een kip in mijn kantoor zitten waar de haan de pik op had.’

“Hoe communiceer je dat met je jong?” wil ik weten. “Wij leggen informatie in elkaars hoofd.” Dat is interessant. Een slak vertelde me eens dat ze een slakkentamtam hebben: de info gaat naar boven, naar een collectief en daar halen de slakken de info uit op. Deze eend heeft het over informatie in elkaars hoofd leggen.

Hoe dan ook: ik heb weer iemand onder mijn vleugels. “Zo helpen we elkaar,” zegt de jonge eend als ik contact met haar heb. “Hoezo elkaar? Ik help jou toch?” “Nee, ik help jou ook want jij vindt het fijn om te zorgen.” Wat een bijdehandje voor die leeftijd! Ik vertel de eend dat ze zich wel zelf moet komen melden want ik ga niet steeds een bakje voer klaarzetten. Daar komen andere eenden op af en dan heeft ze nog niet genoeg. Want ik zie wel dat het eten erg langzaam gaat.

Terwijl ik met deze blog bezig ben, hoor ik boven op dek weer indringend gekwaak. Ja hoor, de eend is er weer.