Dieren dom? Vergeet het maar! Het zijn vaak leermeesters en bijzonder goede gesprekspartners! Laat je inspireren.

Laat die dieren maar lopen

Ik had gedacht dat de manier waarop Rozette leeft (zie vorige blogs over haar) tot haar dood lekker door zou gaan. Maar nee hoor, het leven had weer wat anders in petto. Half september verscheen er een klagelijk miauwend kitten in de bosjes waar Rozette leeft. Niet te benaderen en zo klein dat hij steeds wegkroop. Rozette was met regelmatig weg als ik eten kwam brengen. Ik praatte op haar in dat het toch gezellig is met zo’n kleintje, dat het voordelen kan hebben etc. Maar ik kreeg alleen maar terug: “Ik ben geen babysitter en als jij dat zo leuk vindt, doe het dan maar zelf.”

Op een gegeven moment zag ik haar onder bomen en struiken zo’n twintig meter van haar eigen plek vandaan, op een omheind stuk grond waar niks mee gedaan wordt. Gelukkig zat er een gat in het hek en hop!, daar ging ik met een nieuw huisje voor Rozette. Nu had ik twee katten eten te geven: Rozetje die helemaal in haar sas leek en een mauwend kitten dat ik amper zag maar wel altijd hoorde.

Inmiddels zijn we twee maanden verder. Het kitten mauwt niet meer en laat zich bijna altijd zien vanaf anderhalve meter afstand. En Rozette tref ik op verschillende plekken: op de dijk, bij haar nieuwe huis of bij haar oude huis. Het is inmiddels zo dat beide katten binnen een meter afstand van elkaar eten. Tijd voor een gesprekje.

“Geef me maar wat extra stro in m’n huisje,” is het eerste wat Rozette laat weten. Ze laat weten dat ze wel wijs is met haar nieuwe plek: het is rustig, afgesloten en veilig. Op de andere plek moest ze meer op haar qui-vive zijn, was het drukker qua mensen en kwamen er regelmatig honden.

Ik zeg dat het me verbaast dat ze regelmatig bij haar oude plek is en het kitten goed verdraagt. “Die kleine redt zichzelf nu. Ik ben geen babysitter, zoals ik toen ook al zei, ik gedoog hem nu. Ik ben de baas, ik ben de oudste. Maar ik vind de nieuwe plek okee om voor mezelf te hebben.” Nogmaals laat ze weten dat zij de baas is en dat het kitten erbij mag. Ze laat ook weten dat ze het best bijzonder vindt van zichzelf dat ze de kat verdraagt.

Ik vertel haar dat het eten neerzetten niet meer regelmatig gaat. Doordat ik ook onregelmatige diensten in de zorg werk en de plekken verdeeld zijn is het ritme eruit. “Zit toch niet te zeuren, het gaat toch goed zo?” reageert Rozette. “Dat eten van jou is extra, wij redden ons prima.”

Ik ga even naar de kleine poes. “Jij dacht dat ik het niet zou redden maar door het miauwen redde ik het juist wel,” hoor ik. Het klopt dat ik tegen mensen had gezegd dat het kitten het niet zou redden. De dierenbescherming wilde hem ook niet ophalen omdat het dier zich op openbaar terrein begeeft. “Ja, dat miauwen deed wat bij mij,” antwoord ik hem. “Er zijn meer jonge katten hier maar geen enkele zat zo te miauwen als jij.” Slim dier, hij deed een appel op mijn zorgbehoefte.

Ik vraag me af waarom hij zich zo honkvast aan deze plek verbonden heeft. Een antwoord krijg ik er nog niet op, alleen een vasthoudend en optimistisch gevoel.

Ik geef het dier het beeld dat hij laatst op de dijk naar ons toe kwam lopen en waarschuw hem dat hij wel altijd weg moet kunnen als er gevaar dreigt. “Ik ben een jager!” antwoordt hij met jeugdige overmoed. “Ja, hoho, soms wordt er ook op katten gejaagd,” zeg ik hem en ik geef hem het beeld van honden. Net als aan Rozette vertel ik hem dat hij altijd welkom is om aan boord te komen wonen als hij het zat is buiten. “Ik ben bang om mijn onafhankelijkheid kwijt te raken,” zegt de kleine wijsneus.

Beide katten zien er ontzettend goed uit. Ze hebben het goed voor elkaar zo. Laat die dieren maar lopen.

NB: Wat ik zo leuk vind: Uiteraard heb ik geprobeerd via de diercommunicatie de dieren te beïnvloeden maar ze stonden daar beiden niet open voor. Ze zochten hun eigen weggetje, zonder mijn menselijke bemoeienis, naar hun eigen inzicht en wijsheid en pas nu laten ze communicatie toe. 

De fietsenmaker vertelde vandaag dat beide katten uit één bakje eten voor zijn deur en dat de kleine kat zich bijna laat aaien.

Tirza moet naar de dierenarts en wil niet praten

M: Dag Tirza, kunnen we nu praten?
T: Ja, ik ben beschikbaar.
M: Waarom wilde jij niet praten voordat we naar de dierenarts zouden gaan? Ik had je willen vragen wat er aan de hand is met je.
T: Dat wilde ik juist niet. Je weet hoe ik ben, ik wil alles zelf oplossen en onafhankelijk zijn. Daarbij past het niet dat je mij vraagt of er iets aan de hand is. Dat moet je zelf maar concluderen.
M: Dat hebben we gemerkt en daarom hebben we de afspraak gemaakt met de dierenarts. En dat heb ik je laten weten, zodat je voorbereid was. Jammer vond ik dat je op het moment dat we weg moesten, je je verstopt had.
T: Die vond ik juist wel leuk. Je had moeite me te vinden.
M: Dat klopt, wie verwacht er nu dat je je in de kattenbak had verstopt? Maar waarom had je je verstopt?
T: Ik was bang, ik voelde me niet goed en ik zag bij jullie de gedachte dat ik al 18 jaar oud ben en dat het nu minder met me gaat en of dat niet het einde van mijn leven zou moeten zijn?
M: Dat is heel naar, maar dat waren niet mijn gedachten. Ik wilde je laten nakijken en we wilden weten wat er aan de hand was en waarom je duidelijk minder goed en blij was.
T: Ik was helaas bang voor iets anders, maar gelukkig hebben jullie doorgezet en heeft de dierenarts mij geholpen, hoewel dat niet echt aangenaam was, het deed pijn. Aan de andere kant concludeerde de dierenarts wel dat het heel goed met me ging. Ik kan volgens haar nog wel een paar jaar mee.
M: Daar ben ik helemaal niet bezorgd over. Natuurlijk kun je nog een hele tijd mee en bij ons blijven. En het is goed te zien dat je jezelf nu weer goed verzorgd en dat je weer veel bent gaan eten. Jammer vind ik echter dat je daarmee ook weer een aantal irritante eigenschappen terug hebt en dat is bijvoorbeeld dat je ons ’s nachts weer wakker maakt omdat je naar buiten wilt en dat is niet de bedoeling dat je ons wakker maakt midden in de nacht.
T: Maar ik heb ook mij behoeftes en dan wil ik naar buiten om regenwater te drinken. Dat kraanwater binnen vind ik eigenlijk niet lekker.
M: Maar als we een beetje gezellig met elkaar willen samen leven, moeten we niet elkaar tijdens de slaap lastigvallen.
T: Dat deed ik niet bewust, ik had dorst en het regende buiten en dan wil ik eruit om te drinken.
M: Toch is het wel fijn als je meer rekening houdt met anderen buiten jezelf.
T: Je weet dat zoiets niet de kracht van een poes is.
M: Ik ben gewoon blij dat het je weer goed gaat en dat je meer eet, jezelf weer goed verzorgt en ook veel minder haren verliest. Een goed teken.
T: Nou goed hoor, tot een volgende keer weer.
231020

De kunst van niets doen

Interessant wat dieren kunnen doorgeven…

Afgelopen week waren er twee verschillende katten die hun mensen complimenteerden met het feit dat ze niets gedaan hadden. De mensen waren niet meegegaan in drama, ze hadden de katten gevolgd zonder in te grijpen en één kat noemde het letterlijk: De kunst van niets doen.

Ik zocht deze term op internet op, maar stuitte alleen op De kunst van het niets doen. En dat was niet wat de katten bedoelden.

Als mensen staan we meteen op scherp als onze huisdieren iets mankeert. We weten niet hoe snel we voor ze moeten zorgen, hoe snel we ergens een probleem van moeten maken. Hoe snel we ook de verantwoordelijkheid bij de dieren wegnemen. Waarom niet een stapje terug doen, vertrouwen in het dier zelf hebben en kijken of we niets kunnen doen?

Voor wie niet begrijpt wat ik bedoel: De ene kat was blij dat de mensen hem gewoon oud lieten worden en de andere kat was blij dat de mensen zijn keus respecteerden om buitenshuis te gaan wonen.

 

Skwarry verliest een vriendin

M: Hallo Skwarry, een vriendin van je vroeg mij om met je te praten. Wil je met me praten? Ik ben Eddy … en probeer me te verplaatsen in dieren en wil graag begrijpen waarom dieren zijn zoals ze zijn. En als jullie mij dat vertellen, schrijf ik er vaak over.
S: Dag Eddy, ik ben wel verrast, maar we kunnen gerust praten. Waar wil je het over hebben? Ik heb wel een vermoeden.
M: Fijn dat je wilt praten en ja, ik wil graag met je praten over hoe jij je voelt bij het overlijden van Viola. Wil je dat wel?
S: Dat vind ik wel moeilijk, maar ik wil er ook graag over praten. Ik heb niemand anders om er over te praten. Dus vraag maar.
M: Vind je het heel erg dat Viola is overleden?
S: Nee, voor Viola vind ik het niet erg, ze had weliswaar veel levenslust om te leven, maar ze is naar een mooie plek gegaan en daar zal ze nog wel even blijven. Het gaat haar daar redelijk goed. Ze is nog wel verdrietig over ons snelle afscheid, maar ze went daar wel.
M: Wat lief van je dat je eerst over Viola praat, maar ik wil ook heel graag weten hoe het met jou gaat?
S: Nou ja, dat is even wat minder. Ik mis Viola wel erg, we waren wel maatjes en stonden altijd samen als dat kon. Maar nu niet meer.
M: Ben je eenzaam?
S: Ja, duidelijk, nu wel. Ik hoop dat dat snel overgaat en dat ik weer gezelschap krijg en dat ik daar vriendjes mee kan worden. Dat lukt niet altijd makkelijk, want paarden kunnen soms wel erg dominant zijn en dan moet je je weer aanpassen en dat is niet mijn sterkste kant. Maar alleen is ook zo droef.
M: Ik begrijp wat je bedoelt. Zijn mensen, jouw verzorgers niet voldoende voor je?
S: Dat is lief gedacht, maar mijn verzorgers zijn er af en toe en staan niet de hele dag naast me in de wei, dus dat is geen vergelijking. Hoewel ze heel erg lief zijn en ook extra aandacht aan mij geven nu, is dat echt geen vervanging van een maatje.
M: Je hebt gelijk, was niet slim van mij om dat zo te zeggen.
S: Veel mensen denken dat paarden best alleen kunnen staan in de wei, maar dat is toch echt eenzaam. Ik ben geen kluizenaar, ik heb levenslust en wil graag gezelschap en daar kijk ik dus naar uit. En liever geen schapen als gezelschap, want die zijn echt heel anders dan wij pony’s. Daar heb je niet zoveel aan als gezelschap.
M: OK, dank je wel. Wil je nog iets zeggen?
S: Nee, het is goed zo. Kom jij me een keer opzoeken?
220107

Krokodil wil aardig gevonden worden

M: Dag Krokodil, is er een mogelijkheid om met jullie te ‘praten’?
Stilte en nog eens stilte.
M: Ik zal me netjes voorstellen, ik ben Eddy en probeer door middel van communicatie met verschillende dieren waar ik dan over publiceer, meer begrip voor jullie dieren te krijgen bij de mensen.
V: Dat is dan vergeefse moeite.
M: Hé, leuk dat je reageert.
V: Mensen zien ons alleen maar als slecht en daarom praten we niet met jullie.
M: Maar dat zou jammer zijn, want ik wil juist proberen begrip te kweken tussen jullie en de mensen.
V: Ja, dat is een mooi ideaal, maar mensen zien ons als gevaarlijke beesten die alles opeten en waar je ver uit de buurt moet blijven en ze jagen enorm op ons. Er is niets beters dan een dode krokodil in hun ogen. En dan kweken ze ons ook nog voor tasjes. Begrijp je dat we een beetje cynisch zijn over mensen.
M: Ik begrijp dat je het moeilijk vindt om je voor te stellen dat mensen ook belangstelling kunnen hebben voor jullie. Maar als dat nu eens zo is, wat zou je er van vinden om iets over jezelf te vertellen?
V: Nou vooruit, we zijn nu toch al in gesprek. Ik ben een krokodil die in de Nijl woont, niet in Egypte maar in Soedan. In mijn rivier waar we met een groot aantal soortgenoten wonen, is het best goed toeven. We komen hier niet te veel mensen tegen, dat is ons geluk. Maar lang niet alle krokodillen hebben dat geluk, en dan worden ze bejaagd tot ze dood zijn. Tenminste dat vertellen ze in de lichtsfeer en daar hebben ze dan nog best moeite mee om dat te vertellen. Vandaar dat jullie geen fijne naam hebben.

We worden bejaagd tot we dood zijn. Tenminste dat vertellen ze in de lichtsfeer en daar hebben ze dan nog best moeite mee om dat te vertellen. Vandaar dat jullie geen fijne naam hebben.

M: Maar jij hebt zelf niet die slechte ervaring?
V: Nee, niet direct. Zoals ik al zei kom ik nauwelijks mensen tegen en als dat een keer gebeurt dan zijn dat de oorspronkelijke bewoners van dit min of meer oerwoudachtige gebied. Die zijn met ons opgegroeid en die weten dat we ook onze goede kanten hebben. We houden de rivier schoon van kadavers, zodat er geen gifstoffen van lijken in de rivier zich kunnen verspreiden. We eten roofvissen, zodat er meer vissen in de rivier zijn en natuurlijk eten we ook af en toe dieren die door het water komen om naar de overkant te gaan. Dat zijn dan veelal de zwakkere dieren die wij opeten om zo de soorten sterk te houden. Maar mensen komen we nauwelijks tegen en daar houden we ook zo veel mogelijk afstand van.
M: Heb je een naam waar ik je mee kan aanspreken als ik weer een keer met je zou willen praten, want ik wil heel graag wat meer weten over jullie leefwijzen en de taak die jullie op Aarde hebben in het geheel.
V: Dat kan en je kunt mij dan aanspreken met Virkrok, zo zie ik mezelf, als een krokodil en als een Vir.
M: Dank je wel voor de informatie en tot ziens.
210415

De kunst van stilte

Van een vriendin kreeg ik een boek: Stilte als antwoord van Sara Maitland.

Zelf schreef ik In de Stilte hoor je alles.

Eckhart Tolle schreef De stilte spreekt.

Even een klein rondje internet leert me dat stilte een veel onderzocht onderwerp is.

Nu ben ik geen uitgebreide onderzoeker maar ik heb wel mijn eigen niche waar ik me prettig bij voel en waar ik informatie van krijg: de dieren.

Tijd voor een mini-onderzoekje bij mijn vrienden.

De leeuw die met de titel van mijn boek kwam reageert kortaf op mijn vraag wat stilte precies is: “Naar binnen gaan, naar je stilteplek, daar kun je info ophalen. Dat weet je toch.” Hij vond het maar een overbodige vraag en wilde er verder niet meer tijd aan besteden.

De ratten vertellen dat stilte ‘geen gedachten hebben’ is. Dat begrijp ik maar meteen denk ik aan de kwetsbaarheid als je daar bent waar geen gedachten zijn. Hoe hou je je omgeving in de gaten voor het geval er gevaar dreigt? “Dat is een kwestie van stille, goede plekken zoeken. Ook om te slapen.”

De prooidieren laten me zien dat zij best goed zijn in stilte. Stilte is voor hen een overlevingsmechanisme: ik ben er niet. Ik kan me heel goed voorstellen dat prooidieren hun signalen, hun gedachten, uit zetten zodat ze zo onopvallend mogelijk zijn.

De jagers onder de dieren laten zien dat ze juist alle kanalen open zetten om zoveel mogelijk informatie (zoveel mogelijk ‘herrie’) via de zintuigen binnen te krijgen om zo in hun voedsel te kunnen voorzien.

Ik denk dat veel dieren de kunst van de stilte beheersen. En dan bedoel ik: de afwezigheid van gedachten. Veel dieren kunnen gewoon “zijn”. Ze zijn in het moment. Het is goed.

Als het lichaam signalen gaat geven dat er gegeten of ontlast wil worden, dan komen ze in actie. Dan gaan ze ‘de herrie’ in, dan zoeken ze het leven op.

En is het lichaam voldaan dan is er tijd voor spel. Want spelen doen de dieren zeker ook. Ontdekken en plezier maken om zich vervolgens weer voldaan te wentelen in de stilte.

Was ik maar een dier…

Na het publiceren van deze blog typ ik “De kunst van stilte” in en voilá: ook dat is een titel van een boek.

Bij als verstekeling

Ik ben van een afspraak op weg naar huis en rijd in de auto en voel iets kriebelen op mijn linker elleboog. Ik krap terug en even later weer. Dan loopt er ineens een prachtige bij over mijn blote arm naar mijn hand. Mijn eerste gedachte is: raampje open zetten en dat beest naar buiten. Maar mijn tweede gedachte is, dat overleeft hij niet als ik hem hier op de snelweg uit het raampje gooi. Dus gaan we in gesprek.

M: Wat moet ik met jou?
B: Terugbrengen waar je me gevonden heb.
M: Maar ik heb je niet gevonden, jij bent met mij meegereisd.
B: Ik ben op jou gaan zitten omdat je zo’n mooie kleur aan had en toen stapte je in de auto en reden we weg.
M: Dat kan gebeuren. Maar het gaat me iets te ver om dertig kilometer terug te rijden en vervolgens dan pas weer op weg naar huis te gaan. Waar zal ik je er uit laten?
B: Dan het liefst in een natuurgebied. Ik ben geen korf bij, dus ik kan overleven tot de winter ook in een andere omgeving.
M: Dat stelt me gerust. Dus als ik straks ergens in de natuur stop en alle deuren open doe vertrek je en kun je overleven?
B: Ja, dat kan, liefst in de buurt waar veel bloemen zijn en niet veel straten en verkeer.
M: Zo hier is het dan, een rustige omgeving met veel wilde bloemen. Alle vier deuren staan open en ik wens je een goede tijd toe.

Achteraf denk ik dat ik er nooit bij heb stilgestaan dat als er een dier met je meelift, je dat meestal er zo snel mogelijk uit wilt zien te krijgen. Maar als je niet bedreigd wordt, kun je gerust verder rijden en het diertje op een overlevingsplek voor hem loslaten. Dat heb ik gedaan en het was niet vanzelfsprekend voor mij, maar misschien vanaf nu wel. Het was zo’n mooi beestje, heel harig en aaibaar. Maar ja, het blijft een beetje eng omdat ze kunnen steken.

230722

 

Kaila en haar neus

Zoals jullie weten is Kaila al een aantal keren stoned geweest van de drugs die ze op de hei weet te vinden. Daarom loop ik niet veel meer met haar op de hei, maar meestal in het bos. De laatste dagen lopen we weer op de hei en ik heb afspraken met haar gemaakt. Vanochtend hadden we dit gesprek.

M: Lieve Kaila, wat loop je te genieten van je wandeling, maar je weet dat we afspraken hebben gemaakt over het wandelen op de hei?
K: Jazeker weet ik dat. Je wilt dat ik dicht bij je in de buurt blijf zodat jij mij kan helpen als de verleidingen voor mij te groot worden.
M: Dat heb je heel goed verwoord. Nu wil ik graag even terugkomen op wat er vanochtend gebeurde en hoe jij daar op reageerde.
K: Ja, mag ik het vertellen?
M: Graag.
K: Ik liep langs de bosrand en mijn neus ving ineens weer de wietlucht op. Mijn neus ging omhoog en ik rook alle kanten op en constateerde dat de lucht uit de bosjes kwam. Jij keek de hele tijd naar mij en zag daardoor mijn neus omhoog gaan en je wist dat ik een spoor geroken had, maar nog niet gevonden.
M: Ja en toen jij het spoor wel min of meer gevonden had, maar nog niet helemaal, kon ik je terugroepen en je kwam meteen naar me toe. Dat vond ik heel knap van je.
K: Ik had de richting gevonden waar de lucht vandaan kwam en wilde de bosjes ingaan, maar jij riep me terug en ik herinnerde me onze afspraak. Jij kan mij beschermen als ik in de buurt blijf. En ik heb op dit punt bescherming nodig. Ik weet dat als ik er van eet en dat kan ik niet laten, want het is heel lekker, dat ik er even later beroerd van word, echt ziek zelfs. En dat wil en kan jij voorkomen door mij te roepen. Hoewel ik dan wel mijn drang om snel weg te lopen moet beheersen, is het me gelukt en ben ik weer met je mee gegaan.
M: Daar ben ik heel blij mee en ik vind het ook knap dat je het kon. Daardoor kunnen we wel af en toe op de hei wandelen en kan jij met je vriendjes spelen en rennen en daar geniet ik ook weer heel erg van.
K: Dat is wederzijds genieten.

Overigens heeft Kaila wel een heel eigen interpretatie van wat zij dicht in de buurt blijven vindt.

230816

De octopus

Iemand was benieuwd wat er in een octopus omgaat. Reden om eens contact te zoeken. Als ik ervoor ga zitten zit ik even te hannesen hoe ik me ga afstemmen: richt ik me op boven of onder? “Het kan allebei,” hoor ik meteen. “Jaja,” mompel ik, “ik weet dat alles boven in het veld zit maar ik twijfel of ik de fysieke octopus eerst wil leren kennen.” “Alles zit in de lucht,” krijg ik als antwoord.

De wijsneus. Uit een soort tegendraadsheid wil ik naar de fysieke octopus en ik stem af op diep in water. “Donker hier,” merk ik op. De octopus vindt het opmerkelijk dat ik daarover val. Er zijn zoveel mogelijkheden om informatie uit de omgeving te krijgen: watertrilling, geluiden, bewegingen, stromingen, belletjes.

Ik merk dat hij zeer bedreven poten heeft. Het lijkt ook wel of de poten een soort antennes zijn.

Kennelijk denk ik aan wat voor nut het heeft dat de octopus daar in de diepte leeft. “Het is: leven, voortplanten en weer gaan,” krijg ik als antwoord op mijn ongestelde vraag. Mijn ongeconcentreerde hersenen gaan alweer naar een ander onderwerp: hoe worden ze gevangen? Ook dit pikt de octopus weer snel op en hij laat sleepnetten zien. Een manier van vissen waar geen respect achter zit, volgens hem. “Het is een binnenhalen van massa. De mens heeft steeds slimmer, steeds beter en steeds sneller willen zijn. Het is jullie ondergang, die inhaligheid.”

Ik neem even pauze om na te zoeken hoe octopussen gevangen worden en lees dat ze sterke kaken hebben. “Ja, ik heb wat gereedschappen meegekregen,” bemoeit hij zich er weer mee.

Ik zit wat te mijmeren over de zin van al die soorten dieren op deze planeet en de octopus haakt weer in: “We dragen allemaal bij. Het systeem zit goed in elkaar. De natuur is sterk, past zich aan. De grote verstoorder is de mens, die wil het slimste jongetje van de klas zijn: alles moet slimmer, beter en meer.” De octopus laat zien dat er een gigantische drive zit achter het willen beheersen en controleren. “Pas maar op dat je kop niet afgehakt wordt als je niet in dat straatje loopt,” waarschuwt de octopus. “Jullie mensen sabelen elkaar ook neer als het niet om eten gaat (hij laat het beeld zien dat dieren vechten met de motivatie om te eten of niet gegeten willen worden). Meedogenloos, jullie soort. Nou, kom later nog maar eens terug. Dit is genoeg voor een eerste kennismaking.”

Ik kan niet anders dan inderdaad afhaken en ik voel me een beetje op m’n nummer gezet vanwege het feit dat ik een mens ben. Ik ben nu al benieuwd naar het volgende contact.

Wat is het probleem?

Er wordt me weer gevraagd om contact te maken met coloradokevers vanwege de last die ze veroorzaken bij de aardappelplanten. De onderliggende vraag is natuurlijk wat er tegen gedaan kan worden.

De kevers reageren meteen met hun dierenlogica: Natuurlijk zitten ze daar waar het eten goed en ruim voorradig is. Wat is het probleem?

Ik leg uit dat mensen aardappelvelden aanleggen om te kunnen eten. En dat de aardappeltelers velden aanleggen om de aardappelen te verkopen zodat ze van dat geld andere dingen te kunnen kopen. Het is niet de bedoeling dat de coloradokevers (of eigenlijk de larven) de planten opeten voordat de aardappels hebben kunnen groeien.

“Dan eten de mensen toch wat anders?” is hun logica.

Ik hoor dat ze steeds weerbaarder worden tegen ‘de spuitbus’ en ik lees later dat dit inderdaad klopt. En door hun grote aantal hebben ze als soort meer overlevingskans.

Pas dagen na deze logica (“Wat is het probleem? Dan eten mensen toch wat anders?”) realiseer ik me dat de kevers best eens gelijk kunnen hebben. Waarom niet iets heel anders telen op die grond? Dan is het lievelingseten niet meer voorradig en doorbreek je een cirkel.

Die dieren zijn zo gek nog niet …