Dieren dom? Vergeet het maar! Het zijn vaak leermeesters en bijzonder goede gesprekspartners! Laat je inspireren.

Wendy 1

Een vriendin van mijn dochter heeft al heel lang een paard, Wendy, die al jaren in een paarden rusthuis wordt verzorgd. Maar ze is de afgelopen tijd vermagerd en heeft nu een oogontsteking die niet over wil gaan. De vraag is of het nu tijd is om haar te laten inslapen. Het is augustus en mooi weer.

M: Dag Wendy, ken je me nog? Ik ben ….
Je verzorger wil graag wat dingen van je weten, mag ik je deze vragen stellen?
W: Dat is goed.
M: Hoe voel jij je nu?
W: Heel moe, mijn lijf doet op sommige plaatsen pijn, maar ik ben J. heel erg dankbaar dat ik hier mijn oude dag mag doorbrengen.
M: Heb je nog wel zin om te leven?
W: Soms wel, soms niet, de dagen verschillen.
M: Heb je erge last van je oog?
W: Ja, dat is heel lastig en het kriebelt steeds, daar moet ik veel aan denken en dan terug kriebelen.
M: Denk je dat je eraan toe bent om naar de grote grazige weide te gaan?
W: Bedoel je dood?
M: Ja, maar na de dood ga je toch naar de grote grazige weide?
W: Dat weet ik wel en dat lijkt me ook wel mooi.
M: Ik hoor een maar …
W: Ik weet niet of ik nu al dood wil, het is soms wel zwaar, maar dan zijn er weer mooie dagen.
M: Zeg je dat je nu nog niet dood wilt en overgaan, maar tegen de winter misschien wel?
W: Ik kan daarin niet echt kiezen, ik weet het niet. Buiten vind ik het vaak wel leuk, binnen vind ik saai, niets te beleven. Als ik alleen binnen zou moeten blijven, zou ik veel minder vinden. Maar ik zal te allen tijde een beslissing van J. volledig accepteren, ze is zo goed voor me geweest altijd. Wil je dat tegen haar zeggen? En ik laat de keuze aan haar.
M: Ik zal het tegen J. zeggen! Dag lieverd.

Wordt vervolgd.

De zeeleeuw

Bij deze foto kwam een tekst mee: ‘Deze zeeleeuw kwam contact zoeken. We landden met ons bootje ’s morgens vroeg in een baai en de zeeleeuw kwam aan zwemmen, maakte geluid, kwam naar ons toe, als een kind dat wil zeggen: ‘Kijk eens naar mij’.’ Ik leg dit voor aan de zeeleeuw.

Veel mensen kijken wel maar zien ons niet

Hij reageert: ‘Veel mensen kijken wel maar zien ons niet. Ik wil mijn schoonheid laten zien, mensen ervoor wakker schudden.’ Ik begrijp dat hij onderscheid maakt tussen toeristen en de plaatselijke bevolking. De bevolking leeft meer met de zee en is ook gevoelig voor de spiritualiteit daaromtrent. Ze voelen het, pakken het op.
Toeristen staan verder weg en hij wil ze prikkelen.

Ik vraag hem wat hij denkt dat toeristen zien als hij zich presenteert.
‘Speelsheid. Vrijheid.’

Ik vertel hem dat een zeehond me eens vertelde dat vrijheid in je hoofd zit en dat ik dat zo’n mooie opmerking vind dat ik een speelgoedzeehond heb gekocht die me daaraan kan helpen herinneren. Deze zeeleeuw sluit zich helemaal aan bij die opmerking. Hij voegt toe: ‘De zee en haar bereik is zo groot. De landmensen zijn zo beperkt.’ Hij vertelt dat hij ballast ziet bij mensen.

‘Als mensen in ons opgaan, ontstaat er ruimte. Verwondering. Ze vergeten zichzelf even.’
Hij typeert zichzelf als een vrolijk, open dier.
Ik vraag hem of hij huisdier zou kunnen zijn.
‘Ik zou het wel kunnen. Ik zou wel iets kunnen opofferen.’

Dat roept bij mij de vraag op of huisdieren zich altijd opofferen.

‘Als huisdier moet je vrijheid inleveren en iets met mensen hebben.’

Dat moet je kunnen: denken dat dat wat je doet, goed is

Hij laat zien dat hij vrijheid van bewegen heeft (hij buitelt alle kanten op) en dat alles wat hij doet goed is.
‘Dat moet je kunnen: denken dat dat wat je doet, goed is,’ legt hij uit.
‘Mensen zouden door onze vrijheid de weg kwijtraken. Mensen zouden gek worden van de keuzes aan wegen. Voor mij zijn ze allemaal goed. Ik ben goed zoals ik ben.’
‘Wat is je advies aan mensen?’ vraag ik hem.
‘Zie jezelf ook zo!’

De kraai wiens tijd het was

“Ik heb wat voor je!”

Ik doe de deur open en er wordt me een kraai in handen geduwd. Het diertje beweegt amper, heeft wel de ogen open, maar protesteert op geen enkele manier. Dan is die ver heen.

Het dier zat op de weg en de automobilist is gestopt en heeft hem meegenomen naar mij toe. We vermoeden dat hij is aangereden, alhoewel hij er niet gewond uitziet.
Ik pak een kooi en leg de kraai op een bedje van hooi. Contact maken lukt niet. Het draait hem steeds in z’n koppie waardoor hij zijn aandacht niet kan focussen op een gesprek.

Ik ben in de kamer wat aan het rommelen en op een gegeven moment hoor ik een geluidje. Het blijkt de laatste adem te zijn.
Nieuwsgierig als ik ben, kijk ik of ik nu wel contact kan krijgen. In mijn beeld zie ik de kraai omhoog vliegen en steeds lichter worden, zowel qua kleur als energie. Ik wil met hem mee en volg hem omhoog. Maar het is duidelijk dat hij naar een gebied gaat waar ik niet heen kan. Ineens lopen de tranen me over de wangen: ik wil mee naar die vredigheid waarin hij zich begeeft!

 “Het is jouw tijd nog niet!”

Dan stopt de kraai, komt terug naar het niveau tot waar ik kon komen en zegt: “Het is jouw tijd nog niet!”

“Maar het is daar zo mooi…” piep ik.

We raken aan de klets. De kraai vertelt dat hij inderdaad is aangereden. Ik vind het niet bij kraaien horen om zich te laten aanrijden.

“De kou maakt onvoorzichtig,” verontschuldigt hij zichzelf.

We kletsen wat door, tot hij op een echte kraaienmanier zegt: “Zeg, ik hoef hier toch niet te blijven omdat jij niet mee kan?!”

Nee, natuurlijk niet, dat is niet de bedoeling. Dus ik bedank hem voor het gesprek en hij vertrekt.

Ik zit aangeslagen op mijn stoel. Dat heeft er even flink ingehakt! Dan gaat de telefoon. Een vriendin belt om te vertellen dat ze er twee weken geleden is uitgepikt bij het bevolkingsonderzoek, er meerdere tumoren zijn ontdekt, alles razendsnel gegaan is en ze over vier dagen een borstamputatie krijgt. Ik vertel haar van de kraai en mijn wens om met hem mee te gaan.

“Dat begrijp ik,” zegt ze, “Ik ben ook niet bang voor de dood. Maar het is mijn tijd nog niet.” Helemaal goed, dan blijven wij allebei nog terwijl de kraai in andere oorden vertoeft.