Dieren dom? Vergeet het maar! Het zijn vaak leermeesters en bijzonder goede gesprekspartners! Laat je inspireren.

Niet te filmen

Er is een filmploeg van NPO2 die ons werk in Doorn een tijdje gaat volgen en filmen. We hebben een prachtige, veelbelovende eerste filmdag achter de rug.

Mijn collega´s kunnen vanuit hun expertise best leuke dingen laten zien. Maar ik zit op mijn stoel en alles speelt zich in mijn hoofd af. De mooiste dingen overigens. Beelden, emoties… het voltrekt zich allemaal in mijn binnenste en ik zet het om in zo goed mogelijke woorden.

Maar als `Nederland´ vanaf de bank, al zappend, tv zit te kijken dan willen ze geboeid raken door leuke beelden.

´Hoe ga ik dat voor elkaar krijgen?’ vraag ik een paard aan het eind van ons gesprek. Het dier heeft ons zoveel moois laten zien, het was zo’n mooi gesprek en zo bevestigend voor de vrouw. Maar ja, alles vanuit ieders eigen plek: het paard op stal, de vrouw thuis en ik in mijn praktijkruimte. Hoe kunnen we in vredesnaam het mooie van mijn vak in beeld brengen?

‘Het gaat erom hoe je het uitdraagt,’ hoor ik het paard ineens zeggen.

In alle eenvoud komt de zin eruit. Ik kijk even verbaasd op maar begrijp meteen wat ze bedoelt. En zo is het: het gaat erom hoe je het uitdraagt!

Dat filmen? Ach, dat gaat vast lukken! In februari zullen we het op tv zien.

www.heelcentrumdoorn.nl

Wijze les van kat voor elk mens

Wie schrijft die blijft… hoe waar is dat! Als ik niet een aantal van mijn gesprekken met dieren had opgeschreven, dan zou ik ze vergeten zijn. Maar nu lees ik weer een prachtige les die in de huidige tijd voor ons allemaal van belang is.

“Als een echtpaar en ik het gesprek met hun kat beginnen, geeft deze kat aan dat ze eerst alle zorgen gaat wegschuiven. Het is winter en wellicht pakt ze daarom een grote sneeuwschep om haar ruimte zorgenvrij te maken. Als het grootste deel opgeruimd is, pakt ze de bezem en veegt ook de laatste stukjes weg. We willen het gesprek voortzetten, maar ze geeft een nieuw beeld: ramen die ze openzet en waar de allerlaatste vlokjes zorg door kunnen wegvliegen. Zo, nu is de ruimte schoon voor een goed gesprek!”

Het is interessant om van de dieren te horen dat zorgen zo’n impact op hen hebben. Het kan niet anders dan dat wij onderling ook zorgen op elkaar overbrengen. Hoe anders zouden onze gesprekken verlopen als we allemaal eerst de ballast en zorgen uit ons systeem wegwerken, zodat we elkaar in vrijheid en met volle aandacht kunnen ontmoeten?

 

Hyronimus 5: Hyronimus legt uit hoe je contact maakt

M: Kunnen we weer een praatje maken?
H: Jazeker, waar wil je het over hebben?
M: Ik dacht dat ik de vragen stelde.
H: Dat heb je dan niet altijd juist, komt er nog een onderwerp?
M: Hoe gaat het met je jongen?
H: Die zijn eindelijk weg, heel soms komt er nog een in ons gebied, maar ze zijn nu geheel zelfstandig.
M: Vind je dat fijn?
H: Het is de natuur en daarmee onvermijdelijk.
M: Daar heb je geen gevoelens bij?
H: Nee, ik vind dat een beetje gezeur, heb je niets beters om over te praten? Anders kunnen we beter ophouden, ik heb genoeg te doen.
M: Wat vind je van de gedachte als we weer een hond nemen?
H: Moet jij weten, maakt mij niets uit, tenzij je een waakhond neemt, die kan ik een deel van mijn verantwoordelijkheid afstaan.
M: Je bent echt onze bewaker?
H: Jazeker, ik neem die taak serieus.
M: Kunnen we je daarbij helpen?
H: Ja, niet slordig zijn en opletten. Dat is wel belangrijk.
M: Waarom ben je zo aardig tegen ons?
H: Wij drieën, ik, jij en je vrouwtje hebben een historische band van langer terug toen ik nog geen buizerd was.
M: Wil je daarover praten?

Het gaat om het nu en niet over het verleden

H: Eigenlijk niet, het gaat om het nu en niet over het verleden, maar neem maar van me aan dat daar onze band vandaan komt.
M: En jij hebt ons herkend? Was jij dat die op de bloembak op het terras kwam zitten toen wij hier kwamen wonen? (Dat is 11 jaar geleden)
H: Ja, dat was een deel van mij, ik wilde zien of jullie mij ook herkenden, maar dat was niet zo en dat duurde nog een tijd en ik moest er zelfs twee dagen voor in jullie tuin gaan liggen!
M: Ja, zo hebben we eindelijk contact gekregen. Was jij dat die op de afgezaagde boom laatst naar binnen keek?
H: Dat was ik en ik liet me aan je vrouwtje zien zodat ze begrijpt dat ik op haar gesprek zit te wachten.
M: Wat moet ze dan doen?
H: Gewoon gaan zitten, meditatieve houding aannemen en opschrijfboekje bij de hand. Als ze mij in gedachte of ook uitgesproken begroet als Hyronimus, zal ik bij haar binnen kunnen komen. Zij moet zelf het contact leggen, ik kan niet zonder uitnodiging binnen komen bij een mens. Geen enkel dier kan dat.

Ik kan niet zonder uitnodiging binnen komen bij een mens

M: Dus voorwaarde is dat je je openstelt?
H: Ja en dat gaat het eenvoudigst door het dier te groeten en te vragen of je mag praten, want daarmee geef je jezelf toestemming tot het gesprek en je geeft het dier de ruimte om een eigen keuze te maken.
M: Mooi dat je dat zo helder uitlegt, dat geldt dus voor ieder mens die met dieren wil praten?
H: Dat is juist, maar het geldt ook als je met planten of bomen wilt praten. Je kunt zelfs met landschappen praten, maar dan praat je met een landschapsengel. Er is veel verborgen voor mensen omdat ze in duisternis leven. Alleen daarom kunnen ze de natuur ook zo kapot maken. Als ze het zouden begrijpen, zou de Aarde weer het paradijs zijn.

Er is veel verborgen voor mensen omdat ze in duisternis leven

M: Dank je wel, dat was interessante informatie.
H: Graag gedaan.

190813 en 190818

Lesjes van een gehandicapte duif

Vanuit Rome krijg ik een foto van een duif met één poot opgestuurd. Ik ben erg benieuwd hoe deze duif haar handicap beleeft. Het woord handicap resoneert niet. Dat gebeurt wel vaker. Als dieren met een bepaald woord of begrip niks hebben, zijn ze gewoon stil.

‘Je weet wel,’ zeg ik, ‘… gehandicapt, beperkt…’ ‘O, dat. Dat ben ik niet,’ is haar reactie. Ik kijk nog eens naar de foto en zie echt nergens een verstopte poot. ‘Ik zie toch echt dat je iets mist,’ zeg ik. ‘Ik heb één poot en twee vleugels.’ ‘Mag ik eens bij je in je lijf komen om te voelen hoe het is met één poot?’ vraag ik. Ze schuift wat op en ik mag plaatsnemen in haar lijf. Meteen voel ik gecentreerdheid. Die ene poot staat stabiel. Ik merk dat het wel uiterste concentratie vergt. Maar het gaat heel goed. De kracht zit duidelijk in die ene poot en ik realiseer me dat twee poten een makkie zou zijn. En dat terwijl ik me er wel eens over verbaas hoe vogels altijd hun evenwicht vinden op die dunne pootjes. Deze duif kan zich helemaal geen slordigheden permitteren in de zin van een ondoordachte landing.

‘Wat zeur je toch?’ hoor ik. ‘Dit gaat toch?’ Ik denk kennelijk aan de beperkingen van het hebben van één poot en vertel de duif dat wij mensen graag kijken naar wat we missen. ‘Dat is een zienswijze, maar dan trek je een spoor van ballast achter je aan.’ ‘Het is nog sterker,’ voed ik de zaak, ‘Wij kunnen ons zelfs van te voren zorgen maken dat we iets niet zouden kunnen.’ ‘Ongelooflijk! Je laat je dus van tevoren tegenhouden omdat je denkt dat iets niet kan?!’ Als ik dat beaam, lijkt de duif bij wijze van spreken te schuddebuiken van het lachen om zoiets ondenkbaars. En gek genoeg lijk ik een beetje trots dat wij verder kunnen kijken dan het hier en nu en ons die zorgen dus kunnen inbeelden.

‘Heeft het voordelen om één poot te hebben?’ ‘Ja hoor, ik krijg extra eten van mensen. Ik ben bijzonder. Mensen herkennen mij tussen andere duiven.’ ‘Denk je dat je korter leeft omdat je meer inspanning moet leveren?’ Er komt een enorme moeheid over de duif. ‘Wat vraag jij toch gekke dingen! Ga eens wat luchtiger doen, zeg!’ Ik verdedig mezelf door te zeggen dat dit verhaal in mijn boek komt bij het onderwerp handicaps. ‘Nou zeg je het weer! Iets is een handicap als je iets mist. Ik mis niks.’ ‘Je bent een topduif!’ zeg ik. Deze duif heeft het inmiddels helemaal gehad met mij en terwijl ze het gesprek beëindigt door uit mijn beeld weg te lopen, mompelt ze: ‘En jij bent een probleemzoeker!’

Steun uit onverwachte hoek

Soms komt steun uit onverwachte hoek.
Op een middag zat ik op de schommelbank buiten en ik was ongelooflijk verdrietig en bezorgd.
Twee dagen geleden was onze kleinzoon geboren en er waren forse complicaties.
Hij lag met zijn ouders in het Academisch Ziekenhuis. Zwaar gesedeerd en onder de pijnstilling, continu bewaakt door machines en een verpleegkundige. Er zaten acht slangen in zijn lijfje en zijn ouders mochten hem niet aanraken. Zijn ademhaling was giga snel.
Maar, hadden de doctoren gezegd, hij was nu buiten levensgevaar.
Daar zat ik als oma. Ik kon niks doen. De kersverse ouders moesten alles doorstaan en wij konden helemaal niks.
Het deed zo’n pijn … ik kromp steeds in elkaar terwijl de tranen maar bleven stromen.

Opeens ging er een buizerd tegenover me zitten. Hij zat op een veel te dunne tak en wiebelde gevaarlijk heen en weer.
Ik zag het zonder het echt waar te nemen maar het schoot wel door me heen dat daar nooit een buizerd zit.
Hij bleef maar op die veel te dunne wiebel tak zitten, wat hem duidelijk moeite kostte.
Raar beest, dacht ik.
Tot ik hem es goed ging bekijken en inzag dat het toch wel heel uitzonderlijk was dat hij juist daar zat en bleef zitten.
´Heb je me soms wat te vertellen?’ vroeg ik hem.
Toen hoorde ik luid en duidelijk: ‘Iedereen komt op zijn eigen manier uit z’n ei.’
En vervolgens vloog hij weg.

Zo! Die kwam binnen! Ik realiseerde me dat hij gelijk had. Wie was ik om te bepalen wat wel en niet goed was?
Het gaf zoveel lucht om in te zien dat dit jochie, samen met zijn ouders, zijn eigen weg heeft te gaan in dit leven.
En ja, wij kunnen niks anders dan er voor hen zijn, ze bijstaan waar mogelijk.
De volgende dag zat ik buiten voor mijn praktijk. Een vriend die nooit die route rijdt, reed nu langs en stopte.
‘Ah, aan de sigaar, zie ik. Zo ken ik je: als het moeilijk is, dan steek je een sigaar op.’
We praatten over de situatie en hij vroeg: ‘En? Hebben de dieren je al geholpen?’
‘Natuurlijk,’ antwoordde ik en ik vertelde hem het ene zinnetje.

NB: Het is helemaal goed gekomen met het kind, dat nu op het moment van het schrijven van dit blog bijna 10 maanden oud is.

Wendy 1

Een vriendin van mijn dochter heeft al heel lang een paard, Wendy, die al jaren in een paarden rusthuis wordt verzorgd. Maar ze is de afgelopen tijd vermagerd en heeft nu een oogontsteking die niet over wil gaan. De vraag is of het nu tijd is om haar te laten inslapen. Het is augustus en mooi weer.

M: Dag Wendy, ken je me nog? Ik ben ….
Je verzorger wil graag wat dingen van je weten, mag ik je deze vragen stellen?
W: Dat is goed.
M: Hoe voel jij je nu?
W: Heel moe, mijn lijf doet op sommige plaatsen pijn, maar ik ben J. heel erg dankbaar dat ik hier mijn oude dag mag doorbrengen.
M: Heb je nog wel zin om te leven?
W: Soms wel, soms niet, de dagen verschillen.
M: Heb je erge last van je oog?
W: Ja, dat is heel lastig en het kriebelt steeds, daar moet ik veel aan denken en dan terug kriebelen.
M: Denk je dat je eraan toe bent om naar de grote grazige weide te gaan?
W: Bedoel je dood?
M: Ja, maar na de dood ga je toch naar de grote grazige weide?
W: Dat weet ik wel en dat lijkt me ook wel mooi.
M: Ik hoor een maar …
W: Ik weet niet of ik nu al dood wil, het is soms wel zwaar, maar dan zijn er weer mooie dagen.
M: Zeg je dat je nu nog niet dood wilt en overgaan, maar tegen de winter misschien wel?
W: Ik kan daarin niet echt kiezen, ik weet het niet. Buiten vind ik het vaak wel leuk, binnen vind ik saai, niets te beleven. Als ik alleen binnen zou moeten blijven, zou ik veel minder vinden. Maar ik zal te allen tijde een beslissing van J. volledig accepteren, ze is zo goed voor me geweest altijd. Wil je dat tegen haar zeggen? En ik laat de keuze aan haar.
M: Ik zal het tegen J. zeggen! Dag lieverd.

Wordt vervolgd.

De zeeleeuw

Bij deze foto kwam een tekst mee: ‘Deze zeeleeuw kwam contact zoeken. We landden met ons bootje ’s morgens vroeg in een baai en de zeeleeuw kwam aan zwemmen, maakte geluid, kwam naar ons toe, als een kind dat wil zeggen: ‘Kijk eens naar mij’.’ Ik leg dit voor aan de zeeleeuw.

Veel mensen kijken wel maar zien ons niet

Hij reageert: ‘Veel mensen kijken wel maar zien ons niet. Ik wil mijn schoonheid laten zien, mensen ervoor wakker schudden.’ Ik begrijp dat hij onderscheid maakt tussen toeristen en de plaatselijke bevolking. De bevolking leeft meer met de zee en is ook gevoelig voor de spiritualiteit daaromtrent. Ze voelen het, pakken het op.
Toeristen staan verder weg en hij wil ze prikkelen.

Ik vraag hem wat hij denkt dat toeristen zien als hij zich presenteert.
‘Speelsheid. Vrijheid.’

Ik vertel hem dat een zeehond me eens vertelde dat vrijheid in je hoofd zit en dat ik dat zo’n mooie opmerking vind dat ik een speelgoedzeehond heb gekocht die me daaraan kan helpen herinneren. Deze zeeleeuw sluit zich helemaal aan bij die opmerking. Hij voegt toe: ‘De zee en haar bereik is zo groot. De landmensen zijn zo beperkt.’ Hij vertelt dat hij ballast ziet bij mensen.

‘Als mensen in ons opgaan, ontstaat er ruimte. Verwondering. Ze vergeten zichzelf even.’
Hij typeert zichzelf als een vrolijk, open dier.
Ik vraag hem of hij huisdier zou kunnen zijn.
‘Ik zou het wel kunnen. Ik zou wel iets kunnen opofferen.’

Dat roept bij mij de vraag op of huisdieren zich altijd opofferen.

‘Als huisdier moet je vrijheid inleveren en iets met mensen hebben.’

Dat moet je kunnen: denken dat dat wat je doet, goed is

Hij laat zien dat hij vrijheid van bewegen heeft (hij buitelt alle kanten op) en dat alles wat hij doet goed is.
‘Dat moet je kunnen: denken dat dat wat je doet, goed is,’ legt hij uit.
‘Mensen zouden door onze vrijheid de weg kwijtraken. Mensen zouden gek worden van de keuzes aan wegen. Voor mij zijn ze allemaal goed. Ik ben goed zoals ik ben.’
‘Wat is je advies aan mensen?’ vraag ik hem.
‘Zie jezelf ook zo!’

De kraai wiens tijd het was

“Ik heb wat voor je!”

Ik doe de deur open en er wordt me een kraai in handen geduwd. Het diertje beweegt amper, heeft wel de ogen open, maar protesteert op geen enkele manier. Dan is die ver heen.

Het dier zat op de weg en de automobilist is gestopt en heeft hem meegenomen naar mij toe. We vermoeden dat hij is aangereden, alhoewel hij er niet gewond uitziet.
Ik pak een kooi en leg de kraai op een bedje van hooi. Contact maken lukt niet. Het draait hem steeds in z’n koppie waardoor hij zijn aandacht niet kan focussen op een gesprek.

Ik ben in de kamer wat aan het rommelen en op een gegeven moment hoor ik een geluidje. Het blijkt de laatste adem te zijn.
Nieuwsgierig als ik ben, kijk ik of ik nu wel contact kan krijgen. In mijn beeld zie ik de kraai omhoog vliegen en steeds lichter worden, zowel qua kleur als energie. Ik wil met hem mee en volg hem omhoog. Maar het is duidelijk dat hij naar een gebied gaat waar ik niet heen kan. Ineens lopen de tranen me over de wangen: ik wil mee naar die vredigheid waarin hij zich begeeft!

 “Het is jouw tijd nog niet!”

Dan stopt de kraai, komt terug naar het niveau tot waar ik kon komen en zegt: “Het is jouw tijd nog niet!”

“Maar het is daar zo mooi…” piep ik.

We raken aan de klets. De kraai vertelt dat hij inderdaad is aangereden. Ik vind het niet bij kraaien horen om zich te laten aanrijden.

“De kou maakt onvoorzichtig,” verontschuldigt hij zichzelf.

We kletsen wat door, tot hij op een echte kraaienmanier zegt: “Zeg, ik hoef hier toch niet te blijven omdat jij niet mee kan?!”

Nee, natuurlijk niet, dat is niet de bedoeling. Dus ik bedank hem voor het gesprek en hij vertrekt.

Ik zit aangeslagen op mijn stoel. Dat heeft er even flink ingehakt! Dan gaat de telefoon. Een vriendin belt om te vertellen dat ze er twee weken geleden is uitgepikt bij het bevolkingsonderzoek, er meerdere tumoren zijn ontdekt, alles razendsnel gegaan is en ze over vier dagen een borstamputatie krijgt. Ik vertel haar van de kraai en mijn wens om met hem mee te gaan.

“Dat begrijp ik,” zegt ze, “Ik ben ook niet bang voor de dood. Maar het is mijn tijd nog niet.” Helemaal goed, dan blijven wij allebei nog terwijl de kraai in andere oorden vertoeft.