Hoe wij met dieren en de aarde omgaan kan allang niet meer door de beugel. We hebben het evenwicht behoorlijk verstoord. Wat vinden dieren er zelf van?

Als je geen woorden hebt

Niet elk gesprek gaat makkelijk en vanzelf.

Dit keer is het flink zoeken samen met de vrouw van een kat waarom de kat een schilletje om zich heen heeft gecreëerd en waar de bozigheid en irritatie van hem vandaan komen. Ook wil de vrouw graag weten waarom de kat haar een aantal weken geleden heeft gegrepen.

Na veel gepuzzel komen we erachter dat er teveel ballast, teveel meegenomen energie van anderen in het huis en de tuin hangt. Ook rond de vrouw hangt teveel energie van anderen, vindt de kat en hij laat haar zien als een soort Michelin-poppetje. De kat wordt er bijna overspannen van en kan er niks meer bij hebben.

Als ik met hem terugga naar het moment dat hij de vrouw beet, laat hij weten dat hij niet meer gesteld was op de ballast die zij via haar hand onbewust aan hem doorgaf. Ik vraag hem of het nodig was om het zo te doen. Hij wist geen andere manier om het haar duidelijk te maken. Er komen geen excuses, alleen de opmerking dat hij misschien een harde leermeester is.

Hoe kijk je tegen ziekte en dood aan?

In gesprekken komen soms situaties naar voren die ik een mens kan uitleggen aan de hand van eerder opgedane ervaringen. Speciaal voor kat Puk hieronder het verhaal van Banshee, te lezen in het boek In de Stilte hoor je alles.

Het maakt veel uit hoe mensen tegen ziekte en dood aankijken, liet de kat Banshee weten. Deze zestienjarige was erg ziek en kreeg twee keer per week een infuus toegediend. Dit deed de vrouw zelf, thuis. De reden dat de kat dit toeliet, vertelde hij, was omdat hij geen zin had om twee keer per week in de reismand mee te moeten naar de dierenarts.

De vrouw had mij gevraagd te tolken, omdat ze zich realiseerde dat ze er geen idee van had wat de kat nou eigenlijk zelf wilde. Banshee was duidelijk: hij wilde niet dood. Maar hij vertelde erbij dat hij zich niet kon bezighouden met blijven leven als de vrouw de achterdeur naar de dood op een kiertje had staan. Voor de vrouw was het helder dat ze de behandeling moest doorzetten en niet moest denken over hoe het zou moeten als de kat er niet meer zou zijn. Hij koos voor het leven en zij dus ook.

Toch werd ik twee weken later weer gebeld omdat het ineens veel slechter ging met Banshee. Wat wilde hij? We gingen het gesprek weer aan en wat bleek? Banshee had van de dierenarts opgepikt dat die het onmogelijk achtte voor een kat om met zulke bloedwaarden nog te leven! Banshee had zich dit bijzonder aangetrokken. We hebben veel moeite gedaan om hem ervan te overtuigen dat als hij nog wilde leven, hij ook met zulke bloedwaarden mocht blijven leven. Medisch gezien onverklaarbaar, maar Banshee leefde nog twee maanden. Hij is gestorven zoals hij zelf graag wilde: in alle rust, bij de vrouw in bed.

Eddy twijfelt aan zichzelf

M: Dag Hyronimus, kunnen we vandaag weer met elkaar praten?
H: Ja, ik ben bijna altijd beschikbaar als je dat wilt. Ik heb je wel gemist de afgelopen periode.
M: Ja, dat klopt, ik voelde me niet echt zo lekker in mijn lijf en ik ben ineens weer heel onzeker geworden over mijn dierengesprekken. Heb ik wel echte gesprekken met dieren of heb ik toch een zeer uitgebreide fantasie?
H: Helaas moet ik je zeggen dat je een zeer uitgebreide fantasie hebt, grapje, maar jouw fantasie slaat niet op je diergesprekken. Die doe je naar eer en geweten zorgvuldig en voor zover ik kan nagaan, zijn het ook steeds hele echte gesprekken. Maar je bent onzeker geworden door meerdere situaties. Doordat je zelf niet lekker was, heb je weinig gesprekken gevoerd en je bent gaan twijfelen door commentaar dat je kreeg. Dat soort dingen gebeuren, hoewel ik dacht dat je er al overheen was. Normaal gesproken ben je behoorlijk immuun voor de mening van anderen. Dat blijkt dus nu niet zo te zijn. Wat echt helpt is regelmatig blijven praten met dieren, maar je mag dat ook uitbreiden naar andere levende schepselen, als bomen en planten en zelfs mineralen. Dat heb je tot nu toe nooit geprobeerd, maar dat kan ook een interessante bron zijn van informatie. Probeer dat maar eens. Maar voorlopig zou ik je aanraden om weer wat vertrouwen op te bouwen door ‘gewone’ diergesprekken te voeren, zoals je dat altijd al doet. Zoek een situatie of een dier uit en ga er mee in communicatie. Dat zal je weer goed doen.
M: Dank je wel Hyronimus voor dit bemoedigende gesprek. Daarmee is mijn probleem nog niet meteen voorbij, maar ik voel me wel gesterkt om het weer op te pakken en door te gaan. Ik was echt heel erg aan mijzelf aan het twijfelen. En dan helpt het ook niet dat mijn boek niet meer verkoopt, dat is zo jammer.
H: Een boek verkoopt niet zichzelf. Daar moet je aan werken, steeds opnieuw moet je de publiciteit zoeken en dat doe je niet. Je zit gewoon in je luie stoel en wacht af, zo werkt dat helaas voor jou en vele andere auteurs, niet. Ga er mee aan de slag.
M: Dank je voor de tip. Ik zal er over nadenken wat ik kan doen om de verkoop weer aan te zwengelen. En ik weet dat ik mijn diergesprekken weer moet oppakken.
240603

Wat is het nut van een teek in de kringloop

We zijn weer een weekje op Texel. Het is mooi weer en dus ook tekenweer. Dat maakt mij nieuwsgierig naar het bestaansnut van teken, welke plek hebben zij in het ecosysteem?

M: Dag teek, ik zou heel graag eens met jou willen praten, is dat mogelijk?
T: Ja, dat kan wel. Wat wil je weten?
M: Ik ben eigenlijk benieuwd naar jullie leven.
T: Wij zijn een hele bijzondere spinnensoort. Wij hebben eigenschappen die maar heel weinig dieren hebben en daar ben ik best wel trots op.
M: Vertel.
T: Wij zijn klein en hebben een beperkte levenscyclus. Maar voor onze ontwikkeling zijn wij afhankelijk van bloed van gewervelde dieren. Daar moeten we dus altijd op zien te komen en dat zijn dan onze gastheren of -dames. Want daar zijn we weer niet kieskeurig in. Wij leven bijna altijd op de grond, hoewel er ook soorten zijn die uitsluitend bij hun gastheer verblijven. Zo’n teek ben ik niet.
M: Vertel eens over jouw levenscyclus als je wilt.
T: Dat is goed. Ik ben uit een eitje geboren. Mijn moeder had heel veel eitjes gelegd nadat ze zich vol gezogen had. Ik denk dat ze wel 20.000 eitjes had gelegd. Dat kon ze omdat ze zich voordat ze de eitjes legde helemaal volgezogen had. Wij teken kunnen ons lijf heel erg oprekken als we ons volzuigen. Doordat we erg elastisch zijn kunnen we wel honderden keren ons eigen lichaamsgewicht aan bloed opnemen. En zo kan het dat er ook heel veel eitjes kunnen komen. Niet alle eitjes komen uit en diegene die wel uitkomen zijn een soort larve, we lijken dan al wel op een teek, alleen hebben we dan nog maar zes poten, de laatste twee komen er later bij als we ons ontpoppen tot een klein teekje, die jullie geloof ik nimf noemen. Maar eigenlijk zijn we dan al een teek. In die beide stadia als larve en nimf zijn we afhankelijk van bloed van onze gastheer. En dat is best een probleem. Wij leven in principe op de grond of dichtbij de grond en we zijn geen grote wandelaars. Dus zijn we afhankelijk van onze strategische keuzes en de gastheren die voorbij komen. Muizen en egels zijn onze favorieten, maar ze moeten wel toevallig langs komen. En dat gebeurt niet zo vaak, dus in dit stadium overlijden de meeste teken, van die 20.000 eitjes zijn er slechts enkele honderden die ook echt teek worden. Dan hebben ze al twee keer een gastheer nodig gehad. In de tekenfase hebben we ook weer een gastheer nodig of meerdere als we wat langer leven. Als teek kunnen we wel heel energiezuinig leven, daardoor kunnen we wachten op een langskomende gastheer. Dat kan soms wel jaren duren en toch blijven we in leven al die jaren. Ja, wij kunnen heel energie zuinig zijn. Daar kunnen jullie nog wat van leren.
M: Dat is ook een vraag die ik heb. Wat is jullie plaats in het ecosysteem, hebben jullie een nut in jullie leven?
T: Wat een rare vraag. Natuurlijk hebben wij een nut. Ons leven is ons nut, moet het dan meteen om het grote geheel gaan?
M: Nou ja, veel dieren hebben een plekje in het ecosysteem en zonder die dieren zou een deel van het systeem niet functioneren. Dat zie ik bij jullie niet zo. Jullie zijn geen prooidieren waar de wereld niet zonder kan en ik zie jullie ook geen bestuivingen doen, enz. Zo bedoel ik dat.
T: Dat klopt, dat doen we allemaal niet, maar ons bestaan is ons nut voor de wereld.
M: Maar mensen zijn bang voor jullie want jullie kunnen nare ziektes overbrengen en dus hebben wij jullie liever niet in onze omgeving.
T: Dat begrijp ik, maar is ook kortzichtig. Als jullie ons nu eens goed zouden bestuderen kunnen jullie zien dat we wel degelijk nut hebben. We brengen gevaarlijke ziektes over, dat kan heel nuttig zijn om de mensheid te leren de natuur te respecteren. Daar zijn jullie nog lang niet aan toe, maar bedenk dat het coronavirus ook een waarschuwing van de schepper aan de mensheid was. Die waarschuwing hebben jullie totaal niet begrepen, helaas. Ons andere nut is dat wij enorm energiezuinig kunnen leven, jarenlang zonder enig voedsel, we kunnen dus grotendeels uit de lucht leven. Dat is een interessante gedachte, kijk daar ook eens naar. Als jullie je afschuw over ons bestaan van je af kunt zetten, zijn we eigenlijk best leuke beestjes waar jullie echt van kunnen leren.
M: Dank je wel voor deze afsluiting, nu begrijp ik jullie plek in het ecosysteem die ik nooit begrepen heb. Dank je wel voor dit gesprek.
240508

Bij bosbrand omgekomen Kangoeroe

Ik heb het in deze blog over het begrip groepsziel, daar heb ik wel vaker over geschreven en het staat goed uitgelegd in mijn boek ‘De man die met dieren spreekt’ hoofdstuk 9. Dit is al een ouder verhaal en toen was dat begrip nog niet zo duidelijk. Maar kort gezegd kun je een groepsziel beschouwen als een soort cloudopslag voor zielen van een bepaalde diersoort.

M: Dag kangoeroe, is het mogelijk om met een kangoeroe te praten die onlangs slachtoffer geworden is van de grote bosbranden in Australië?
K: Dat is zeker mogelijk, ik leg even het contact.
M: Dat is fijn. (Ik heb blijkbaar de groepsziel in een keer te pakken en nu zoeken ze een dier dat nog bewustzijn heeft van de branden, deze is dus al teruggekeerd naar de groepsziel en doolt niet rond, zonder te weten dat hij dood is)
K: Hier ben ik. Wat kan ik voor je doen?
M: Zijn jullie zo goed georganiseerd en zo beleefd als jullie nu overkomen? Dit is bijna een grapje, maar ook wel met een serieuze ondertoon. En natuurlijk wil ik mezelf even voorstellen. Ik ben … en probeer een indruk te krijgen wat jullie is overkomen met deze heftige bosbranden.
K: Je bent welkom en ik wil graag proberen te beschrijven wat ons is overkomen. We leefden met een groep kangoeroes in een groot gebied met veel grasland, maar ook wel bos. En natuurlijk was het al weken aan het branden, zonder dat we ons echte zorgen maakte. Het gebeurt heel veel en je raakt er aan gewend. De Australische natuur is er deels van afhankelijk. Maar toch was het deze keer heel anders. De rook en de hitte jagen je weg en dus ga je op de vlucht, je verplaatst je van de ene kant naar een andere kant waar geen rook en vuur is. Het leek duidelijk een bepaalde kant op te trekken en wij trokken daar vooruit. Maar zonder dat we er iets van begrepen, waren we ineens ingesloten door rondom vuur en rook. En het gaat zo ontzettend snel alsof er een wind over komt waaien en dan zijn de vlammen al weer verder en wij dood. Voor je er erg in hebt, het ene moment ren je nog voor je leven en het andere moment ben je ingehaald en ben je dood. Het was een verstikkende dood, door de rook, er was helemaal geen frisse lucht meer, alleen de hete verstikkende rook. Daardoor wordt je bedwelmd en of je al dood bent voor je verbrand of pas daarna, je merkt van de brand niets meer, want je bent je bewustzijn al verloren.
M: Dat klinkt heel heftig. Hoe gaat het nu verder met jullie?
K: Het klinkt heftiger dan het was. Natuurlijk zijn er veel van ons gestorven, maar dat gebeurt jaarlijks. Gelukkig niet jaarlijks zoveel, maar het is een natuurlijk proces. De meeste van ons hebben dit al verscheidene keren meegemaakt en het is een belangrijk onderdeel van onze groepsziel, we kunnen het redelijk gemakkelijk weer oppakken. Maar er zijn verschillen. Die dieren die het nooit eerder hebben meegemaakt en ook in paniek raken, kunnen zich vaak niet zo gemakkelijk laten gaan en ze strijden hard om te overleven, hoewel ze dat vaak toch niet doen. Door die strijd verliezen ze de aansluiting met de groepsziel en dan kan het gebeuren dat ze hun dood niet kunnen accepteren.
M: Dit was heel informatief wat je vertelde. Heb je nog meer toe te voegen?
K: Dit was het wel zo’n beetje.
M: Dank je wel voor het fijne gesprek.
200214

Dieren en gevoelens

“Voel jij mee met de dieren in hun nood en/of gevoelens?”

Die vraag stelde Eddy me laatst en ik wilde stoer terugmailen dat ik die buiten me heb weten te laten in de loop der jaren. Maar ik had eerst nog een gesprek met een pas overleden hond en zijn verdriet sloeg emotioneel zo bij me in dat ik letterlijk hartzeer had en de tranen over m’n wangen stroomden.

Jaren geleden heb ik gepubliceerd:

“Ik noem het tweedehands gevoelens, de gevoelens die ik via dieren ervaar.

Het is belangrijk dat ik ze binnen krijg omdat ik mensen dan kan uitleggen wat het dier ervaart.
Er is onderscheid tussen lichamelijke en emotionele gevoelens.

Er zijn een aantal lichamelijke gevoelens die mij vreemd zijn maar die ik toch heb ervaren via dieren: epilepsie, blindheid, tumoren, koliek, tia’s, ernstige verstopping, verstikking, hartstilstand, vuurwerk dat in je hoofd uiteen lijkt te knallen.

Er zijn ook  lichamelijke gevoelens die ik wel ken maar via het dier door mij in andere mate en op andere plaatsen gevoeld worden.
De emotionele gevoelens die er bij dieren heftig inhakken (en via hen bij mij) zijn mijzelf ook bekend: verdriet, blijdschap, boosheid, angst, verwardheid, alleen voelen, enthousiasme etc.
Er zijn ook gevoelens die een mix van lichamelijk en emotioneel zijn. Ik ervaar ze via de dieren en op het moment dat ik het uitleg aan eigenaren, trekken die zelf conclusies: het lijkt op zwakbegaafdheid, autisme of ADHD.
Het ervaren van andermans gevoelens zijn voor mij geen last maar een rijkdom. Ik moet er alleen voor zorgen dat ik het niet tot mijn probleem maak. Maar dat is met intensieve gesprekken met mensen net zo.”

Terugkomend op Eddie’s vraag: Soms overvallen gevoelens van dieren me kennelijk toch nog steeds en ja, dat vind ik nog steeds een rijkdom, ondanks de impact die het even heeft op mijn lichamelijke en emotionele gestel. Buiten verdrietige gevoelens kan het ook zijn dat ik enorme blijdschap bij een dier tref. Dan borrelen er vanuit mijn buik altijd lachbubbels op die op een gegeven moment niet meer te houden zijn en dan moet ik het lachend wel vertellen aan de mensen die ik aan de lijn heb.

Het leven als dierentolk is niet saai, zo vanaf mijn stoel.

Gehandicapte dieren

Soms tref ik tijdens mijn werk als dierentolk gehandicapte dieren.
Met zwakbegaafde dieren is het vaak moeilijk om een gesprek te beginnen. Het begint al dat ze niet inhaken op mijn kennismakingspraatje. Het is dan even zoeken naar aanknopingspunten. Wat wekt de interesse in het dier op van waaruit we kunnen praten?
Vaak is het zo dat ik langzaamaan tot de ontdekking kom dat er niet zoveel in het koppie omgaat. En dat moet ik de eigenaar vertellen. Die is meestal opgelucht en had zelf ook al een vermoeden.
Ineens kan gedrag verklaard worden en het dier begrepen. Acceptatie en begrip dat het dier is zoals het is, maakt dat niet zulk fijn gedrag (niet leren van situaties, continu op schoot willen, veel blaffen, in huis plassen, onredelijke uitvallen naar medebewoners) beter verdragen kan worden.
Het kan ook dat de hersencapaciteit er wel is maar niet in werking treedt als het nodig is. Zo’n dier leeft in zijn eigen veilige wereld en raakt in paniek als de denkradertjes normaliter zouden moeten gaan werken maar dat bij dit dier niet doen. Het enige dat het dier kan doen is anderen weg blaffen of weg bijten. Of in een diepe stilte in zichzelf vallen en zich daarmee buiten de wereld sluiten.
En dan de hyperactieve dieren, de stuiterballen. Ook die zijn lastig om een gesprek mee te voeren want ze hipsen van de ene naar de andere plek. Ik moet op het niveau van diercommunicatie mijn trukendoos erbij halen om toch een goed gesprek met ze te kunnen voeren.

Net als wanneer mensen een gehandicapt kind hebben en daar op aangekeken worden (anderen zeggen dat ze de opvoeding altijd veel beter zouden doen), hebben mensen die een gehandicapt dier in huis hebben ook met andermans oordelen te maken. Maar ik vind het klasse om te zien met hoeveel liefde de zwakkere dieren opgevangen worden en hoeveel inzet mensen hebben naar zo’n dier.
Ondanks de liefde, zorg en aandacht voor zo’n dier speelt er ook een stukje verlies- en rouwverwerking mee. Er waren andere verwachtingen toen het dier in huis gehaald werd.

Hoe zit het met vrije dieren, vroeg ik me af. Onder hen tref ik geen dieren met een aangeboren (verstandelijke) handicap.
Ik vermoed dat solitair levende gehandicapte dieren het gewoonweg zelf niet redden. Gehandicapte dieren in grote kuddes zouden misschien nog wel een tijdje kunnen overleven omdat ze meegenomen worden door de zorgende groep. Maar ik vermoed dat het toch ook deze dieren zijn die als eersten ten prooi vallen aan roofdieren.

Hoe is het nu op je nieuwe plek Tirza?

M: Dag Tirza, kunnen we nu praten?
T: Ja, dat kan nog. En wat een veranderingen.
M: Besef je wat er gebeurd is?
T: Ja zeker, ik ben gaan slapen en was al ver heen en de dierenarts heeft bij ons thuis mij nog een laatste spuitje gegeven. Het duurde lang voor ik ook daadwerkelijk in ben geslapen. Maar het voelde zeker niet onaangenaam. Zoals ik vrijwel meteen jou meldde in je meditatie, voelt het goed nu. Ik ben niet in de war meer en ben ook niet angstig omdat ik letterlijk de weg kwijt was af en toe. Ik voel me heel fijn op de plek waar ik nu ben.
M: Waar ben je, kun je dat beschrijven?
T: Ik ben ergens tussenin. Nog vrij vaak bij jullie. Het gekke is, jullie zeggen dat je mij in huis voelt en soms ook ziet. Dat kan best kloppen. Ik loop af en toe nog door het huis en voel jullie aanwezigheid. En natuurlijk hebben jullie verdriet en ook Kayla mist mij, merk ik aan haar. Maar dat is niet nodig. Ik voel me enorm bevrijd van mijn lichamelijke last, die best wel zwaar was geworden, hoewel ik niet echt pijn had, was ik somber en veel afwezig en als ik dan wakker werd of schrok, kon ik me soms niet meer oriënteren waar ik was. Daar werd ik best wel bang van. Dat hebben jullie goed gezien en het was juist om mij de kans te geven om mijn lijf los te laten.
Zoals ik al zei, ik ben ergens tussenin. Dus enerzijds bij jullie en anderzijds al weer deels in de grote vijver, zoals ik dat noem. Ik geloof dat jij dat de groepsziel noemt. Zoals ik in jouw meditatie tegen je zei voelt het alsof ik een druppel ben die langzaam in de grote vijver wordt opgenomen. Het is natuurlijk vreemd om als kat over een vijver te spreken, maar de vergelijking van de druppel die wordt opgenomen in de grote vijver is een passend metafoor voor het langzaam opgenomen worden vanuit de fysieke wereld in de onstoffelijke wereld van de groepsziel.
M: Jij weet dat wel mooi te vertellen. Anders ben je nooit zo’n prater geweest, maar nu merk ik dat je veel te vertellen hebt.
T: Dat komt omdat deze ‘in between’ periode niet zo lang duurt en dan wil ik jullie wel deelgenoot maken van mijn ervaringen. Straks ben ik niet meer als Tirza beschikbaar en dan kan ik dit verhaal niet op deze wijze vertellen. Wat ik ook nog wilde zeggen is dat ik heel blij ben dat ik op jouw schoot in jouw warmte eerst mocht slapen en daarna mocht inslapen. Het is goed zo, dank je wel voor het mooie leven dat we samen hebben gehad.
M: Nou lieve Tirza, jij ook bedankt voor jouw tijd met ons, het was avontuurlijk met jou.
T: Zo was ik nu eenmaal. Vaarwel.
240226

Tirza heb je nog wel alles op een rijtje?

Tirza heeft het moeilijk, dat is aan alles te merken. Ze ligt momenteel veel in het bad of op de rand van het bad te slapen. Weet ze nog wel waar ze is?  En kunnen wij de grote verstoring van onze nachtrust nog wel aan? Een nieuw gesprek geeft wat meer duidelijkheid.

M: Dag Tirza, kunnen we nu praten? Je ligt nu weer zo vredig naast me op de stoel, is het een goed moment?
T: Ja, dat is het wel.
M: Gaat alles wel goed met je? Je loopt zo ontzettend te miauwen door het huis, dat ik soms denk dat je gewoon bang bent, klopt dat?
T: Misschien heb je wel gelijk, dat ik bang ben als ik zo loop te klagen. Eigenlijk wil ik dan iets, maar ik weet ook niet wat ik wil. Terwijl ik wel heel hard miauw. Ik weet ook niet wat er dan is.
M: Als ik soms in je ogen kijk als je zo klaagt, dan zie ik hele grote bange ogen. Hoe voelt dat voor jou?
T: Voor mij voelt het alsof ik de weg dan kwijt ben. Ik voel me niet goed en weet niet waar ik ben.
M: Maar als je ons dan ziet gaat dat gevoel dan over? Want je kent ons toch wel nog?
T: Ja, natuurlijk ken ik jullie goed, maar soms heb ik het gevoel in een omgeving te zijn die ik niet meer herken. Dat is heel naar en dan klaag ik van ‘waar ben ik?’
M: Heb je dan hulp nodig?
T: Dat weet ik niet. Ik roep wel, maar of hulp me dan kan helpen om te bepalen waar ik ben weet ik niet. Als ik jullie zie weet ik wel waar ik ben, bij jullie, maar ik weet ook weer niet waar ik ben, in welk huis ben ik?
M: Lig je daarom zoveel bij ons op schoot of op bed?
T: Ja, dat is vertrouwd en warm en jullie zijn altijd lief voor me.
M: Nou als je zo hard loopt te miauwen midden in de nacht voel ik me niet altijd lief voor je. Je hebt een grote invloed op onze slechte nachtrust en daar kunnen we niet altijd even geduldig mee omgaan.
T: Dat begrijp ik. Ik doe dat niet expres, maar ik ben dan toch echt de weg kwijt, weet niet waar ik ben en als jullie me dan troosten helpt dat.
M: Maar dat doen we dan helaas niet, jou troosten.
T: Weet je, je denkt dat je me niet troost, omdat je lelijk doet vanwege mijn lawaai maken. Maar door jullie reactie begrijp ik weer waar ik ben.
M: Je bent dus letterlijk de weg dan kwijt?
T: Ja en nee. Ik weet wel waar ik ben, maar ik wil ergens heen waarvan ik niet weet waar ik heen wil en in zoverre ben ik de weg kwijt.
M: Heb je last van dementie?
T: Je bedoelt dat ik niet goed snik ben?
M: Nee, dat bedoel ik niet. Als je last van dementie hebt, weet je soms niet meer waar je bent, alles om je heen is even vreemd voor je en een tijdje later herken je het weer en weet je precies waar je bent en waar je heen wilt.
T: Ja, dat herken ik wel.
M: Nog een andere vraag. Ik merk dat je slecht ziet waardoor je soms ook met springen iets mist en je vaker je eten gewoon niet weet te vinden. Klopt dat?
T: Tja, dat herken ik helaas ook. Dan zetten jullie me bij mijn etensbak neer en dan kan ik wel eten.
M: Ik merk ook dat je behoorlijk doof bent, je hoort mij niet meer aankomen en dan ben je ineens verrast dat ik naast je sta, je aai of je op til. Herken je dat ook?
T: Ook dat herken ik. Maar even terug komend op dat ik jullie wakker maak met mijn miauwen, dat spijt me, dat is niet mij bedoeling.
M: Dat snap ik, helaas gebeurt het wel erg veel en kunnen wij er niet goed meer tegen.
T: Wat bedoel je daarmee?
M: Dat probeer ik met dit gesprek uit te zoeken. Wij worden nu wel heel erg moe om nu al maanden niet meer ongestoord te kunnen slapen. En jij gaat steeds verder achteruit. Ben je nog wel blij met het leven zoals je dat nu leidt?
T: Ik vind dat ik wel een goed leven heb, of moet ik zeggen heb gehad? Want ik ben wel vaak de weg kwijt momenteel en dat is lastig. Lichamelijk heb ik geen pijnen, maar ik merk wel dat mijn zintuigen erg achteruit zijn gegaan en mijn ledematen ook wel stram zijn en soms best wel pijn doen met springen. Overwegen jullie mij te laten inslapen?
M: Het is dat je dat zo vraagt. De gedachte speelt al een tijdje bij ons. Laatst waren we bij de dierenarts en toen waren we wel zover, aan de andere kant willen we je ook niet kwijt. Maar je bent nu bijna 19 jaar oud, dat is best oud en je lijfje weegt bijna niets meer met je 2,5 kg. En je ziet slecht en hoort nauwelijks iets en je bent heel veel de weg kwijt en dan miauw je zo luidt en klaaglijk. Daarmee maak je ons op de gekste tijden wakker en dat is ons grootste probleem. Je geeft ons onvoldoende kans om te rusten en daar kunnen we niet meer tegen.
T: Oei, dat is heftig en dat heb ik me niet zo gerealiseerd. En jullie zien inslapen eigenlijk nog als enige oplossing?
M: Daar denken we wel aan.
T: Mag ik daar nog even over nadenken of ik daar mee akkoord ga?
M: Ik vind dat wel zo eerlijk. En als je denkt dat je kunt ophouden met ons 4-5 keer per nacht uit ons bed te miauwen, dan is er geen noodzaak. Maar ik weet niet of je dat kunt.
T: Ook dat is niet meer dan fair dat je dat vraagt. Ik zal proberen om niet meer te miauwen ’s nachts, maar als dat me niet lukt, dan vragen we de dierenarts om te komen en dan wil ik wel in jullie armen inslapen. Zullen we dat afspreken?
M: Dat lijkt me heel mooi om dat zo af te spreken. Dank je wel voor dit gesprek. Wil jij nog iets kwijt?
T: Ik ben ook heel blij met dit gesprek en dat we dingen nu uitgesproken hebben en dat ik niet alleen maar ergens voel dat dit bij jullie speelt en we er niet over gesproken hebben. Maar nu wel! Fijn.
M: Meer dan een maand geleden heb ik al eens een voorzichtig gesprek met je gehad hierover, maar dat ging natuurlijk lang niet zover. Jij zag geen enkel probleem en je was behoorlijk opstandig, dat heb je nu niet meer.
T: Ik ben meer berustend, merk ook wel dat het aan het aflopen is. Maar wanneer is een goed moment? Ik weet het niet, maar geloof wel in jullie liefde en wijsheid.
M: Dank je wel dat je dat nog zegt. Wij houden ook heel veel van jou.
240212

Gaat het nog wel goed met Tirza?

Het gaat de laatste tijd niet zo goed met onze poes Tirza. Ze is bijna 19 jaar en ze krijgt last van uitval, ziet niet meer zo goed en is inmiddels doof. Ik begin dit gesprek om te kijken hoe ze nog in het leven staat en of het tijd wordt voor euthanasie. Is ze er rijp voor, zijn wij er klaar voor? Dit soort afwegingen zijn de moeilijkste die er zijn. Vandaar dit gesprek. En er zullen meer gesprekken volgen. 

M: Dag Tirza, kunnen we nu praten?
T: Waarom niet?
M: Nou je bent tegenwoordig niet meer zo van praten met mij, je ontwijkt dat eigenlijk.
T: Vind je? Vertel maar, wat wil je?
M: Ja, eigenlijk heb je wel gelijk dat ik altijd met je wil praten als er wat aan de hand is. Nu ook weer. Hoe voel jij je?
T: Normaal, wel merk ik dat ik minder goed zie en hoor, dat zal wel met ouderdom te maken hebben, zeg jij dan.
M: Zijn er ook andere dingen waaraan je merkt dat je ouder wordt?
T: Bijvoorbeeld?
M: Dat je meer honger hebt?
T: Ja, nu je het zegt, ik wil wel veel meer eten.
M: Hoe komt dat? Weet je dat?
T: Als ik er over nadenk, weet ik dat niet.
M: Maar je valt ons wel steeds lastig als je wilt eten en dat vinden wij wat minder fijn.
T: Wat bedoel je met lastig vallen?
M: Nou je miauwt te pas en te onpas, en ook als wij proberen te slapen. Wij worden wakker van jou.
T: Ja, dat is ook de bedoeling. Ik wil dan eten en er staat geen eten.
M: Dat bedoel ik nu. Er staan korrels voor je en die at je ’s nachts altijd en dan hoefde je ons niet wakker te maken voor je vleesprakje.
T: Maar die korrels zijn zo droog en ik vind dat niet lekker, ik wil graag wat smeuïger eten hebben.
M: Dat krijg je ook en zelfs behoorlijk veel, maar ’s nachts moet je korrels eten want daar zitten veel meer voedingsstoffen in dan in je prakje.
T: Tja dat zal wel, maar een muis kon me ook goed voeden, dus dat prakje kan dat ook en ik vind het lekker.
M: Dat begrijp ik. Zullen we een deal maken? Jij krijgt overdag je prakje zo veel als je wilt, maar je laat ons met rust als we in bed liggen. En je miauwt niet om ons wakker te maken? Is dat een deal?
T: Ik zou niet weten waarom dat een deal is. Ik wil soms ook naar buiten en dan miauw ik ook om er uit te kunnen.
M: Dat klopt, maar we laten je nooit ’s nachts naar buiten, dus dat is een zinloze miauwen.
T: Is dat zo?
M: Ja, dat is zo. En ik kom terug op de deal. Als jij nog een aantal aangename jaren bij ons wilt blijven, moet je je beter gaan beheersen met dat miauwen. Wij worden wakker en dan krijgen we te weinig slaap en worden we sacherijnig en dan hebben we geen geduld meer met je, enz.
T: Ja, dat heb ik gemerkt. Komt dat door mijn wakker maken van jullie? Er hoeft er trouwens maar één van jullie op te staan om me eten te geven, de andere kan toch doorslapen?
M: Zo werkt het niet. Als je lawaai maakt, worden we alle twee wakker en kunnen dan een tijdje niet slapen. Je ontneemt ons dus best een uur of meer nachtrust met je gedoe.
T: Is dat veel?
M: Ja, dat is veel te veel en we willen je vriendelijk vragen het niet meer te doen en daarvoor mag je overdag zoveel eten als je wilt.
T: Ik zal proberen me er aan te houden, maar ik ben erg vergeetachtig tegenwoordig. Ik doe mijn best.
M: Dank je wel.
240106