Tag Archief van: bio-industrie

Eten of gegeten worden

Op mijn werk in de zorg hoor ik vaak de woorden kip, varken of rund. Het gaat echter nooit om de dieren zelf maar altijd om de dode, bewerkte versie van die dieren. En de substantie is verpakt in plastic en lijkt niet meer op wat eens dier was.

Het stemt me droevig dat mensen zo weinig nadenken bij hoe het leven van de dieren was. Het is de reden dat ik heb meegewerkt aan het boek dat binnenkort uitgegeven wordt: Dierenwelzijn vanuit dierenperspectief met als subtitel Universele rechten voor landbouwdieren. Eind mei wordt het boek gepresenteerd, dan zal ik er aandacht aan besteden.

Omdat het onderwerp me zo bezig houdt besluit ik vanochtend om mijn eigen boek weer es te pakken en te lezen wat ik hier 15 jaar geleden over geschreven heb. Het is namelijk altijd heerlijk om de dieren zelf te horen.

In het boek “In de Stilte hoor je alles” heeft hoofdstuk 19 de titel Eten of gegeten worden. Het begint met de zinnen: “Het is hier op aarde nog steeds een kwestie van eten en gegeten worden, oftewel doden of gedood worden. Dieren, planten, groente… het leeft allemaal en het een staat ten dienste van het ander. Het is regelmatig onderwerp van gesprek tussen dieren en mij.”

Ik citeer een gedeelte uit dit hoofdstuk:

“Namens alle dieren kan ik zeggen dat ze vinden dat het leven goed moet zijn. Het lijkt een logische opmerking, tot je inziet hoe wij met dieren om kunnen gaan. Vroeger was het niet meer dan normaal dat je alleen het leven van een dier nam als je het echt nodig had. De natuurvolken vroegen toestemming aan dieren om ze te doden en te eten. Ik las zelfs dat dieren zich dan aanboden. Respect. Daar draait het allemaal om.

Dat natuurlijke respect is er onder de vrije dieren. Wat natuurlijk niet wil zeggen dat de levensdrift van dieren ervoor zorgt dat ze proberen te ontsnappen aan het dier dat op hen jaagt. Maar dat is een strijd waar beide partijen ook plezier uit kunnen halen omdat hun capaciteiten op zo’n moment optimaal benut worden. Zo vertelt een konijn dat hij het heerlijk vindt als een hond achter hem aanrent. Hij is ervan overtuigd dat hij sneller is en geniet van de krachtmeting.

De slak was verbouwereerd dat mensen zich druk maakten over het feit dat zij plantjes eten. ‘Die groeien toch weer?’ was zijn reactie.

De bromvlieg is zich altijd bewust van gevaren. Allereerst spinnenwebben: ‘In een web komen is heel dom. Je moet goed kijken. Als je vastzit is het gebeurd. Dan zit je gevangen. Het is wachten op de spin. Je weet dat je verloren hebt.’ En buiten kan ze gepakt worden door een vogel: ‘We zijn aan elkaar gewaagd. Het is een mooi spel.’ “En als je gepakt wordt?” ‘C’est ça.’

“Mensen moeten kijken naar hun eigen gedrag,” aldus de kip.

Op een dag zet iemand kip Maria bij ons aan boord. Ze liep op de weg en degene die haar had gevonden wist niets beters te doen dan haar op ons dek zetten en zelf snel te verdwijnen met de woorden: ‘Ik heb daar een kip neergezet!’.

Het is meteen gezellig met haar. Ze trippelt overal rond, bekijkt alles, is maatjes met mens en dier, laat zich aaien en oppakken, zoekt een plekje op schoot of schouders, ligt voor de kachel of op de bank, trekt aan de ene kant van een stuk broccoli terwijl de cavia aan de andere kant trekt en legt elke dag een ei.

Ze poept ook veel, ongeacht waar ze loopt.

En ze wroet graag in het zaagsel van het hok van de cavia om vervolgens het zaagsel lekker tussen haar veren te gooien, waarna ze zich midden in de kamer gaat uitschudden.

Ondanks haar gezellige gezelschap lijkt het het best om een meer kipvriendelijke plek voor Maria te zoeken. Ook omdat ze af en toe voor de oven staat. We hebben de indruk dat ze naar haar spiegelbeeld kijkt en wellicht andere kippen mist.

Als Maria al een aantal weken gelukkig bij andere kippen woont (en vanaf de eerste dag de plaats naast de haan heeft ingenomen), spreek ik kippen in andere situaties.

Ik word er niet bepaald blij van en om mezelf op te vrolijken, zoek ik weer contact met Maria en vertel haar van de andere kippen.

“Je kunt de wereld niet redden,” reageert Maria en vervolgt: “Maar je kunt wel één kip redden. En als iedereen nou één kip redt…”

Ik denk aan Maria’s afgebrande snavel, het dunne lijfje toen ze bij ons kwam en haar grote eetlust.

We weten niet waar ze vandaan kwam en ze heeft het me ook niet verteld. Maria houdt ervan om in het hier en nu te leven.

Ik geef haar weer het beeld van legbatterijkippen en Maria zegt: “Daar moet je niet zijn.”

“Maar veel zijn er wél.”

“Die geven hun leven opdat de mensen inzicht krijgen. Het is een keus om als legbatterijkip te komen. Dit gaat net zo lang door totdat mensen ermee stoppen.”

Maria laat zien dat ik geen medelijden met de kippen moet hebben, ondanks hun erbarmelijke situatie, maar dat mensen moeten kijken naar hun eigen gedrag: “Als dát verandert, hoeven de kippen niet meer in die situatie terug te komen.”

Ze vertelt dat de bio-industrie ver is afgedwaald van hoe het zou moeten: samen-leven. “Zo moeilijk is het niet,” merkt ze opgeruimd op.