Berichten

Vogels en hun relatie tot mensen (uit het boek In de Stilte hoor je alles)

Een “vogel-medley” uit het boek In de Stilte hoor je alles:

Henkie, de gevonden gierzwaluw die twee weken in mijn trui leeft, vindt dat wij meer zouden moeten lachen. Ik hoor vaker van vogels dat ze mensen niet zo vrolijk vinden. Waar de mus zegt liever met mussen om te gaan omdat die veel vrolijker zijn, vermaakt de meeuw zich juist wel met mensen. Vooral met wat die aan voedsel van zich af gooien: ‘Ik lust veel, ik zoek overal naar iets eetbaars. Het is een spel om te zien wat mensen achterlaten.’ Ze voegt eraan toe dat je als meeuw wel nieuwsgierig moet zijn. Met een teruggetrokken karakter overleef je niet. De merel vrolijkt de wereld graag op met haar gezang, maar weet dat ze ongrijpbaar is en wil dat graag zo houden. De uil is zich bewust van haar rustgevende uitstraling en de vlaamse gaai heeft er plezier in om mensen te verwonderen met haar mooie uiterlijk. Het pimpelmeesje lijkt gericht op mensen, geniet ervan om een beetje ‘samen met mensen’ een nestje uit te broeden en ziet zichzelf als ‘een cadeautje’ voor de mensheid. De fuut omschrijft zichzelf als een lichte, blije, actieve vogel die haar eigen wetten heeft, haar eigen kijk op het leven en zo overal tussendoor zwemt, waarbij ze haar onafhankelijkheid behoudt. Ze is heel duidelijk: ‘Mij moet je niet vangen. Dan krijg ik stress en raak ik uit mijn kracht.’ De zwaan: ‘Wij moeten leven met mensen, maar willen geen vrienden worden. Wij houden graag onze eigen leefruimte en verdedigen die. Wij zijn wat afstandelijk, op onszelf gericht.’ En de gans vindt het maar moeilijk samenleven met mensen: het zijn baasspelers.

 

De verzwakte meeuw in mensenhanden

Ik krijg een leuke vraag: Kim heeft een verzwakte meeuw gevonden, neemt het dier mee naar huis om aan te sterken, maar na drie dagen eet de vogel nog steeds niet. Omdat Kim van buren weet dat ik een zwaar gewonde kat weer ‘aan het eten gepraat’ heb, vraagt ze of ik iets voor de meeuw kan doen.

Ik antwoord Kim: “Wat het is met het communiceren met dieren: als je vragen stelt, moet je de antwoorden ook kunnen horen. En die zijn soms anders dan wij denken.

Nou, hou je vast, hier komt de meeuw: De meeuw deed meteen heel geagiteerd en bleef dat het hele gesprek. ‘Hoe durven ze me op te pakken?! Ik ben geen ‘handduif’!’

Hij was heel duidelijk: jij had je niet met hem mogen bemoeien. ‘Als meeuw wil je altijd voorkomen dat een mens je oppakt.’ Hij bleef boos.

Ik probeer altijd om ook de andere kant (de mensenkant) te laten zien, maar dat ging er helemaal niet in. Op mijn opmerking dat hij niet eet: ‘Nee, natuurlijk eet ik niet!’

Hij wil graag op een dak gezet worden (schip, schuur?) en het verder zelf uitzoeken. Hij sterft liever in vrijheid dan gevangen te zitten.

Weer probeerde ik of hij jouw kant van het verhaal kon zien, maar het antwoord was: ‘Mensen hangen teveel aan één leven.’ Als meeuw wil hij meeuwendingen doen. ‘Ik ben geen parkiet!’

Dat opvangen van zieke dieren vindt hij maar kleinzielig gedacht. ‘Het gaat zoals het gaat.’

Ik hield hem het beeld voor dat het kan zijn dat jij hem ziet sterven op het dakje omdat hij bijv. niet weg kan vliegen of gepakt wordt door een ander dier. Daarin is hij duidelijk: ‘Dat zijn lichamelijke dingen. Laat de natuur gaan zoals ie gaat.’ ”

Gelukkig verbaast het antwoord Kim niet: ‘Hij was inderdaad heel boos en hij heeft gelijk. Mijn gevoel zei ook dat hij niet wilde dat iemand zich met hem bemoeide, maar mijn mensenhoofd zegt altijd; ach, kom maar mee, lekker veilig uitrusten, bij-eten en dan weer los. Ik neem altijd zieke dieren mee die op mijn pad komen, ik kan niet anders (zal het wel proberen in de toekomst beter af te stemmen). Een andere meeuw reageerde trouwens heel anders, die gedijde wel goed.’

Kim laat de meeuw op de gevonden plek vrij, waar het dier meteen de mensenhanden uitvoerig van zich afwast. Kim: ‘Hij had helemaal een punkie kapsel gekregen van zijn uitbreekpogingen. Bedankt voor je gesprek, ook namens het boze vriendje natuurlijk.’