Berichten

“Jij zou ook tegen de muren opvliegen, hoor!”

“Hee Bell, zin in een praatje?”

“Dat is lang geleden. Ik dacht dat we dit niet meer deden.”

“Nee, klopt, maar ik moet weer een blog maken dus ik dacht aan jou.”

Bella is het katje dat bij ons aan boord woont. Vanaf het eerste moment was het helemaal leuk en goed. Wennen? Waaraan? Ruim een week daarvoor had ik getolkt tussen haar en het mens waarbij ze in huis woonde. Op een ruime bovenwoning maar voor Bella toch te klein. We waren het al snel met elkaar eens: Bella moest naar een boerderij of zo. Ergens waar een groot buitenterrein was. De boerderij werd niet gevonden maar wij hadden weer plaats voor een kat dus ze kon bij ons terecht.

Bella deed dus niet aan wennen: ze ging overal meteen op af met een heel open en nieuwsgierige houding. Ik had het plan haar een tijd binnen te houden maar na 1 dag liep ze al buiten, zelfs van de steiger af het land op. En ze kwam ook weer terug, alsof ze hier al jaren woonde.

“Vertel es, Bell, wat doe je allemaal buiten?”

Ze laat meteen zien hoe ze zowel rustig ontspannen als gefocust in het gras kan kijken als ze een geluidje hoort of iets ziet bewegen. Ze laat zien dat alle energie naar een punt in het midden bij haar gaat (omgeving van de buik/darmen) en dan ineens slaat ze toe en grijpt ze dat wat bewogen had.

“Soms neem je een muis of vogel mee naar huis.” “Ja, jullie mogen het zien. Maar het blijft van mij.” Ik moet grinniken want ze laat de hond er inderdaad volop aan ruiken en onderzoeken maar op een gegeven moment is het genoeg en dan begint ze het diertje op te eten.

“Hoe smaakt het?” wil ik weten en ik leg in mijn vraag ook het beeld hoe het nou is om alles op te eten: ogen, oren, staart. Alles.

“Zo diep denk ik niet. Ik eet het snel op. Dat is nog van vroeger: snel eten, dan is het maar binnen. Daarna uitbuiken.”

In beeld laat ik vogeltjes zien. Ik kan niet eens aan mijn vraag beginnen om de vogels met rust te laten als ik voer neergelegd heb want ze laat meteen enthousiast zien dat vogels vangen een uitdaging is.

“Hoe is het voor jou als wij weg zijn en het eten er niet op de vaste tijd is?” Geen paniek, laat ze weten. Ja, dat klopt wel: Bella is niet snel in paniek.

Twee dagen later ga ik verder met het gesprek. “Je stoort eigenlijk wel,” laat Bella weten. Ze is zich aan het focussen op iets buiten, maar ze wil wel even tijd maken. “Nou, wat heb je dan?” hoor ik. “O, ik wachtte tot jij iets liet zien maar je wacht kennelijk op mij. Ik ben wel heel benieuwd hoe je de andere katten in de buurt vindt. Ik weet niet hoeveel het er zijn, minstens vier en die zijn allemaal niet in een huis geboren en getogen.”

“Andere katten is opletten,” laat Bella weten. “Ik heb geen kwaaie zin maar ik ga de confrontatie ook niet aan. Ik blaas liever de aftocht. Ik heb geen zin in vechten.”

“Ik kan me niet herinneren dat ik jou ooit heb zien vechten of iets wat daar op lijkt. Ja, je hebt een keertje je pootje opgetild toen een hond iets te dichtbij kwam.”

Bella laat me voelen hoe haar basishouding is: uitermate vredelievend en harmonieus. “Dat merken mensen op, daarom vindt iedereen je ook zo leuk,” vertel ik haar.

Voor fietsen op de dijk schiet ze doorgaans weg en ik informeer daar naar. Ook hierin heeft ze geen zin in de confrontatie: beter zelf eerst weg zijn dan iets later in het moment in paniek raken. Slim dier.

We kijken nog even naar het verschil tussen zomer en winter. ’s Winters is ze veel meer binnen en ook daar geniet ze van. Even komt het beeld van de bovenwoning weer naar voren en ik hoor Bella zeggen: “Jij zou ook tegen de muren opvliegen, hoor!”