(G)een vrije vogel
Ik ga buiten aan boord zitten om na te denken waar ik een blog over zal schrijven, als ik ineens een haas tegenover me zie lopen. Hij loopt het hele fietspad over de dijk af, oren rechtovereind, het bekende hazenloopje lopend.
Dit is zo’n onrealistisch beeld, een haas die meters lang in hazendraf over het fietspad loopt. Jammer dat ik mijn telefoon niet bij me heb om een foto te maken. (Bovenstaande foto heb ik later gemaakt; stel je voor hoe daar een haas het hele pad afrent, van links naar rechts.)
Ik maak contact met de haas en merk onrust. Terecht, want net vanochtend is het grootste deel van de begroeiing weggemaaid.
De haas geeft door dat de omgeving anders is. Er is een plotselinge verandering geweest die van hem niet had gehoeven. ‘Het gaat te snel. Er is gedreun. Het is te groot, te ineens.’ “Was er gevaar voor jou of jullie?” vraag ik. ‘Absoluut!!’
De haas is dolend, zoekend, moet z’n plek weer zien te vinden. ‘Het komt goed,’ hoor ik, terwijl ik hem gestaag zie doorrennen.
Ondertussen komen er ineens twee aalscholvers uit het water omhoog en vliegen weg. Op mijn vraag laten ze me zien hoe ze met grote snelheid door het water gaan en dan weer boven komen, in een heel andere wereld.
“Waarom vlogen jullie meteen weg toen jullie mij door hadden?” vraag ik ze. ‘Dat is om het lijf te redden. We moeten meteen wegwezen. Kunnen het ons niet permitteren om eerst rustig rond te kijken.’ Hmmm, daar zit wat in.
Op dat moment komen twee reigers langs gevlogen. Meestal is het er maar één, dus dit is bijzonder. “Mag ik even met jullie praten?” vraag ik. ‘Ja, maar wij vliegen door.’ Helemaal goed. Ik vertel ze dat ik altijd zo’n bewondering heb voor hun geduld, zoals ze daar staan langs de waterkant. ‘Alles is een kwestie van timing,’ hoor ik droog. “Ik hoor en zie dat jullie vaak aangevallen worden door visdiefjes. Wat is dat toch?” Er wordt wat gebromd over een territorium maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het te maken kan hebben met het verdedigen van jongen. Maar een duidelijk antwoord krijg ik er niet op want de dieren zijn nu ook uit mijn communicatie gevlogen. Ik heb nog nooit een gezellige spraakzame reiger ontmoet.
Dan komt een van de katten op schoot geklommen. “Hee Roderick, dit doe jij niet zo vaak. De andere kat doet dit vaker. Jij blijft vaak maar kort en zelden wurm je je op schoot. Je ligt wel vaak op bed.” ‘Ja, ik slaap graag bij je. Dan lig ik strak tegen je aan. Geen eisen, geen verwachtingen, wel in elkaars energie. Het is een soort samensmelten, opladen. We laven ons aan elkaar.’ “Heb jij dat nodig of ik?” vraag ik. ‘We leven met elkaar. De nachten zijn rustige samensmeltingen.’
Zo vaak babbel ik niet met mijn eigen dieren dus ik maak van de gelegenheid gebruik om te vragen hoe zij zich verhouden tot de katten in de buurt. Er leven aardig wat dieren op de terreinen bij ons schip. ‘Het is allemaal okee,’ antwoordt Roderick. ‘Jij hebt geen idee van ons leven.’ Kennelijk zit ik te vissen naar hoe de katten zich tot elkaar verhouden maar ik krijg een lesje van Roderick: ‘Jij zit te zoeken naar excessen, zodat je erover kunt schrijven. Maar over de kalmte waarin wij leven valt niet te schrijven.’ Het dier rekt zich es lekker uit, heeft kennelijk zijn zegje gedaan en verdwijnt weer.
De kraaien aan de overkant trekken m’n aandacht. Daar waar de haas wat verloren op weg ging naar andere oorden, duiken de kraaien juist met hun snavels in de pas gemaaide grashalmen. Echte opportunisten. Wat brengt de nieuwe situatie weer aan voordelen?
Op de vogelapp lees ik welke vogels er momenteel zijn: grauwe gans, zwartkop, visdief, scholekster, kokmeeuw, kauw, huismus, grasmus, zwarte kraai. De reigers, eenden en aalscholvers heeft hij gemist.
De grasmussen zitten zo heerlijk te kwinkeleren dat ik ook nog even contact met hen zoek. Ik prijs ze om hun vrolijkheid en zit samen met hen in een lekker ongedwongen sfeertje. Het is inderdaad zoals kat Roderick opmerkte: deze sfeer is niet in woorden over te brengen. Ja, een romanschrijver zou het kunnen proberen maar de kans is groot dat het boek al snel weggelegd zal worden, want ‘er gebeurt niks’.
‘Dat is het moeilijke voor mensen,’ vertellen de mussen. ‘Jullie zijn eigenlijk zo afgesloten, zo beperkt. Jullie zitten in een hokje, in een kooi. Jullie hoofd is steeds maar bezig met wat jullie allemaal moeten doen. Jij ook, je hebt in de tijd dat wij contact hebben al aan zoveel andere dingen gedacht.’ Oeps, ik ben betrapt. Ik moet de fietsenmaker namelijk nog bellen en als ik zo wegga dan moet ik … ‘We zijn blij dat wij jullie hersenen niet hebben. Dat draait maar door en door,’ zeggen de mussen.
“Ja, en niet alleen onze hersenen. Ik moet al heel lang naar de wc.” ‘Ook zoiets, daar zit je al zo lang over te denken. Wij laten het gewoon gaan als we moeten.’ Nu weet ik waarom de uitdrukking is: hij is een vrije vogel. Was ik maar een vrije vogel…

