Berichten

Communiceren doe je samen

Met dieren kunnen communiceren is makkelijk, denken mensen vaak. Je kan je dier zo krijgen waar je het hebben wilt.

Nou, ik heb geleerd: voor communicatie zijn er echt twee nodig.

Ik had Rozette uit het asiel ‘gered’ en gezien het aantal ratten was ze meer dan welkom op ons schip.

Maar Rozette had andere plannen. Ze ontsnapte meteen de tweede dag al uit mijn afgezette gebied.

Wat ik ook probeerde te communiceren met haar, ik ving steeds bot. Ze reageerde niet op mijn ‘oproepen’ en ik had het idee in het luchtledige contact te leggen.

Toen ik haar na twee weken ergens zag was ik zo blij dat ik snel terugging om eten te halen.

Ik dacht dat ik onderweg met haar had kortgesloten dat ik haar in een mandje terug zou brengen, maar toen ik haar wilde pakken glipte ze wild uit mijn handen. Ik zag haar een week niet.

Rozette vertikte het om via het zesde zintuig informatie uit te wisselen.

Toen ontdekte ik dat ze een vaste plek had gevonden in een bosschage 500 meter vanaf het schip. Ik heb voorzichtig contact moeten opbouwen. Tijdens deze kennismakingsperiode kreeg ik zelfs een keer een venijnige linkse in mijn gezicht. Dat had een kat nog nooit gedaan.

Rozette vertikte het om via het zesde zintuig informatie uit te wisselen. Ze hield zich doof voor mij en liet mij maar werken.

Maar ach, ik paste me aan. Elke avond bracht ik eten. Ik had zelfs een hokje neergezet waar ze in kon als het regende of hard waaide. Soms was ze een of twee dagen aan de wandel en kwam ik voor niks.

Een uithuizige kat kost toch wel tijd dus ik combineerde het uitlaten van de hond op een gegeven moment met het eet- en contactmoment met Rozette.

Ook dit bouwden we lekker basic op via de vijf zintuigen.

Maar ja, ik wilde zo’n katje toch ook wel langs een andere kant leren kennen… Dus ik vroeg haar weer eens of ze wat van zichzelf wilde laten zien via de diercommunicatie.

Rozette gaf meteen het beeld dat ze ruimte nodig heeft en dat ze ervan baalt dat mensen willen bepalen waar ze moet zijn en wat haar ruimte is. Ze houdt van vrijheid, niet van hekken en ze gaf door dat ze niet zo’n socio is.

Ik merkte op dat ze wel steeds meer interesse voor de hond krijgt en dat ze toch ook wel leek te genieten van de contacten met mij.

‘Ja, maar jullie gaan weer. Dan heb ik het rijk weer alleen.’

Ze liet zien dat ze het schip veel te druk vindt, dat ze dan veel te veel rekening moet houden met anderen.

‘Weet wel dat ik al besloten heb om in de winter een buitenhok voor je neer te zetten aan boord. Het is de dijk aflopen en je bent bij het schip.’

‘Maak je toch niet zo druk!’ reageerde ze kortaf.

Ze heeft gelijk. We zien wel. Voorlopig zit ik dagelijks in haar bosjes insecten en bloemen te kijken terwijl zij haar bakje leegeet.

Wees wat meer kroko

De krokodil bekijkt mij goed en merkt op: ‘Beetje spanning?’. Ik moet toegeven van wel, ja. Ik heb al lange tijd met een krokodil willen praten en toen ik een stel recente foto’s toegestuurd kreeg van iemand die door Afrika had gereisd, was ik blij verrast dat er een krokodil tussen zat. Maar ik zie in dat spanning niks toevoegt, dus ik ontspan en laat me verder bekijken door het dier.

Ik merk een grote oplettendheid bij hem en onwillekeurig geef ik hem het beeld terug dat ik ken van krokodillen: passief liggend. ‘Vergis je niet. Mijn lijf lijkt niet in actie, maar mijn geest verspreidt zich over een groot gebied. Ik zie veel, maar reageer op weinig.’

Ik weet dat hij met ‘zien’ niet het kijken door de ogen bedoelt, maar vooral een waarnemen met zijn zesde zintuig, zoals wij dat zouden noemen. Hij heeft donders goed door wat er in zijn domein gebeurt. Dat domein schijnt een groot gebied te zijn waar hij helemaal in thuis is. De zon vindt hij heerlijk. Hij laat ook zien dat hij in de nacht langzaam door water kan glijden.

De vraag komt in me op of hij wel eens bang is.

‘Bang?! Ik gebruik al mijn zintuigen. Als je in je kracht staat, ken je geen angst.’ Maar hij weet wel wat ik bedoel met angst. Dat komt omdat het evolutionair een heel oud dier is. De angstervaringen liggen kennelijk ergens nog genetisch in hem opgeslagen, maar hij leeft er niet mee.

Ik laat hem even het beeld zien van krokodillenfarms in Australië, waar krokodillen hutjemutje op elkaar gepropt liggen te groeien om tot voedsel te gaan dienen voor mensen. De krokodil is niet bijster onder de indruk en geeft mij meteen het beeld terug dat mensen dat ook kunnen doen door andere mensen op te sluiten in gevangenissen. Hij zegt erbij: ‘Ik heb er niet voor gekozen om op zo’n farm terecht te komen.’

Daarmee is het hoofdstuk voor hem niet meer bespreekbaar.

‘Wat kunnen wij van jou leren?’ vraag ik de krokodil. ‘Onverstoorbaarheid.’
Hij laat nogmaals zijn basishouding zien, vervolgens dat zijn acties doeltreffend zijn: gespitst en gefocust op voeding, dan met alle kracht een prooi vangen. Daarna volgt weer onverstoorbaarheid.
‘Wees wat meer kroko: reageer niet op alles.’